Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN





Op 25 juni 1826 wordt de nieuw gebouwde protestantse kerk in gebruik genomen en voortaan zal de godsdienstoefening 'plegtiger' en 'statiger' zijn

Zie elders over de subsidies voor de nieuwbouw van kerken in Veenhuizen en over de aanbesteding van de bouw van de protestantse kerk. Over de ingebruikneming schrijft dominee Johannes Heerspink in het maandblad de Star van 1826, het september-nummer, pagina 656 en verder.

Onze godsdienstoefeningen, te voren plaats gehad hebbende in daartoe ingerigte zalen van de Etablisfementen N. i en 2, werden sedert den 25 Junij laatstleden in het nieuwe kerkgebouw gehouden, en hebben daardoor aanmerkelijk in plegtigheid gewonnen.

Dit even net afgewerkt als hecht opgetrokken Kerkgebouw, waaraan op den 7 julij 1825 met vele plegtigheid de eerste steen was gelegd, is met zoo veel spoed voltooid, dat het op Zondag, den 25 Junij 1826, reeds aan den dienst des Allerhoogsten. heeft toegewijd kunnen worden.

Deze dag was voor mijne Gemeente een ware feestdag; de onderscheidene soorten onzer koloniale bevolking, vroeger in afzonderlijke lokalen ter Godsvereering telkens verzameld, waren nu in hetzelfde gebouw vergaderd, en meerderheid en minderheid, en aanzien en geringheid werden vergeten, en het gevoel: wij allen zijn hier als menschen en Christenen gelijk voor God, doordrong de harten der talrijke, ook van buiten de Kolonie zamen gekomene, menigte.

De tegenwoordigheid van den Gouverneur der Provincie, van den tweeden Assessor uwer Maatschappij, van den Griffier der Provinciale Staten, van den Direkteur der Kolonin, van den Burgemeester der Gemeente, van onderscheidene aanzienlijke personen en Christen-Leeraars uit naburige en verder verwijderde plaatsen, zette aan de plegtigheid geenen geringen luister bij, terwijl het gezang, beurteling door Weezen, Kolonisten en Beambten aangeheven, waardoor mijne rede gedurig werd afgewisseld, eenen diepen indruk maakte.

Bij de inwijdingsrede over Ps. XXVI: 8, zocht ik mijne Gemeente te overtuigen, dat zij aan het nieuwe Kerkgebouw eene hooge waardij behoorde toe te kennen, en hetzelve in eenen Christelijken, dat is redelijken zin moesten liefhebben als eenen tempel Gods, als een Heiligdom der deugd, als eene kweekschool der Liefde, als een voorhof des Hemels.

Of ik mijn doel getroffen heb, zal de tijd moeten leeren; maar dat de oogenblik der wijding groot was; dat het gevoel voor God en den Verlosser, voor de deugd en den Hemel verhoogd was, dat zoude ik niet gaarne ontveinzen.

Zoo eigenaardig de gelegenheid medebragt om hulde te doen aan de grootmoedige weldadigheid des Konings, van welke de twee fraaije Kerkgebouwen in deze Kolonie even treffende bewijzen als duurzame gedenkteekenen zijn, zoo levendig was en is nog het gevoel van dankbaarheid bij mij en mijne Gemeente, voor de hooge gunst van den Monarch, die met vaderlijke goedheid ook voor geringen en schamelen zorgt.

Noch bevoegd, noch vrijmoedig genoeg, om tot den troon door te dringen en aan den voet deszelven ons gevoel te ontboezemen, acht ik mij gelukkig er de tolk van te mogen zijn bij uwe vergadering, welker pogingen gewaarwordingen wekken, zoo na verwant met de aandoeningen door koninklijke weldadigheid gaande geworden.

Onze openlijke Gods vereering, door het nieuwe Kerkgebouw, in statigheid gewonnen hebbende, zal plegtiger en werkzamer en meer eerbiedwekkend worden, wanneer onder den Goddelijken zegen de pogingen zullen gelukken, om er geheel de Gemeente meer deel in te doen nemen, waartoe de verbetering van het gezang en een veelvuldiger gebruik van hetzelve, met inachtneming van meerdere verscheidenheid, mij voorkomt een niet ongepast middel te zijn; in welke gedachte ik versterkt ben door de goedkeuring, welke even aanzienlijke als kundige mannen over de genomene proeven hebben betuigd.

Een ander verslag van dezelfde gebeurtenis staat in de Vriend des Vaderlands van mei 1827 vanaf pagina 439,

Na sedert 26 Julij 1824 te Westervelde in de nabijheid van Veenhuizen gewoond te hebben, heeft de Leeraar der Hervormden, de Wel-Eerw. Heer J. H. HEERSPINK, de nieuw gebouwde Predikantswoning betrokken op den 9 Mei 1826.
De inwijding van de hechte en met smaak gebouwde kerk heeft plaats gehad op Zondag den 25 Junij daar aanvolgende. De plegtigheid door het gezang van eenige weeskinderen geopend zijnde, sprak de Predikant in weinige dichtregelen een votum uit, hetwelk aanstonds door een koor zangers en zangeressen, uit weezen bestaande, op eene indrukmakende wijze herhaald werd.
De inwijdingsleerrede over Psalm XXVI vs. 8 had ten onderwerp: de betamelijke liefde voor de gebouwen, der openlijke Godsvereering geheiligd.
Na deze zaak ontwikkeld en betoogd te hebben, wijdde de leeraar op eene plegtige wijze het nieuwe kerkgebouw tot eenen tempel Gods, tot een heiligdom der deugd, tot eene kweekschool der liefde en tot een voorhof des Hemels.
Gelijk de leerrede gedurig door een vierstemmig gezang van Weezen of Kolonisten werd afgewisseld, zoo werden ook de woorden der wijding op eene treffende wijze door een koor van Weezen herhaald naar muzijk van HAYDN. Daarenboven zong men Gezang I vs. 4, Psalm LXXXIV vs. 1, Gezang XXIX vs. i0.
De leeraar eindigde zijne rede met toepasselijke aanspraken, gebeden en dankzeggingen aan God , den Koning en de hooge ambtenaren, door wier invloed en medewerking de nieuwe tempel, aan den Oneindigen toegewijd, daargesteld was; en alzoo liep deze uit den aard der zaak hartroerende en in betrekking tot de gevolgen voor zoo vele ongelukkige natuurgenooten hoogst aangelegen feestviering in de beste orde af.
Dezelve was vereerd geworden met de tegenwoordigheid van Hun H. E. G. de Heeren Gouverneur der Provincie Drenthe en den Generaal-Majoor VAN DEN BOSCH; deze laatste, vergezeld van zijne echtgenoote (die op den 7 Julij 1825 den eersten steen van dit gebouw, alsmede van de Predikantswoning, gelegd had), van den Griffier der provinciale Staten, van den Direkteur, alsmede van een aantal hoogere en lagere ambtenaren der Kolonin, van den Burgemeester der gemeente Norg, en verder van onderscheidene Predikanten.
Behalve deze personen en eene groote van elders toegevloeide menigte, waren er ongeveer 1400 menschen uit de Protestantsche gemeente van Veenhuizen tegenwoordig geweest.

In hetzelfde nummer van de Vriend des Vaderlands staat vanaf pagina 435 een beschrijving van de kerk en de predikantswoning met schuur. Zeer bouwkundig beschreven, hoogstwaarschijnlijk door de opzichter der gebouwen Jan van Lemel, en lastig te begrijpen. Hopelijk helpen de plaatjes, de eerste is de kerk, de tweede volgens mij de woning van de predikant.

Thans gaan wij over tot de beschrijving der Protestantsche koepelkerk, alsmede in korte woorden van het woonhuis voor den Leeraar der Hervormden en de schuur bij hetzelve.
De kerk heeft een' zuiver achtkantigen vorm en is over ieder vlak achtkant lang Ellen 18,5. De geheele omtrek is met een' twee steens muur van harden mopsteen ter hoogte van 8 Ellen onder de muurplaten opgetrokken; de grondvesten zijn op 5 steenen aangelegd en telkens iedere laag met een' halven steen verminderd, tot dat de versnijdingen op twee steen dikte verloopen zijn; wanneer de zoo even omtrent het muurwerk opgevene hoogte een aanvang neemt.
De hoeken der achtkanten zijn met eene platte halven steens laag, ter breedte van 3 steenen, pilaarsgewijze gedekt en tot boven toe regtstandig opgemetseld.
Aan vier der achtkanten bevinden zich deuren (ter hoogte van 3 Ellen en breedte van El 1,4), zoodat de verzamelde menigte het gebouw spoedig kan ontruimen.
Boven iedere deur is een glasraam in den vorm van zonnestralen.
Voor het benedenlicht in de kerk zijn geplaatst zestien vierkante glaskozijnen ter hoogte van El 1,65 en breedte van El 1,3.
Voor het bovenlicht op de galerijen zijn geplaatst zestien glasramen van boven met een' toog, hoog Ellen 2,2 breed 1,3.
Het glas der ramen is wit Fransch.
In den hoek van ieder achtkant is op den afstand van Ellen 2,9, gerekend van den hoek binnen werks, tot op het middelpunt der kolomschaft van harden mopsteen gemetseld eene steenen kolom, en dus in het geheel 8 stuks. De grondvesten derzelve loopen van El 1,6 tot 1,3, zijnde de dikte van het onderdeel des voetstuks.
De kolommen zijn ter hoogte van Ellen 3,3.
De galerij bestaat uit een' zolder van vier duims vuren deelen; boven de leggers der galerij is mede zulk een zolder gelegd.
Op de hoogte van ongeveer El 1,3 van de balk afgerekend, zijn in de kolommen gebragt greenen ribben van 13 en 18 duim zwaar, op ieder achtkant door 2 tien duims stijlen ondervangen.
Aan de voorzijde op de balken zijn de galerijen met paneelen bewerkt, breed El 0,4; een en ander zaamgesteld van greenen hout; de ramen der paneelen van 5 duimen zwaarte en laatstgenoemde zelve van 2 duim.
Van boven is het paneel door eenen greenen regel van 5 en 8 duim afgesloten en zijn vervolgens daarin aan ieder achtkant ingevoegd 18 stuks pilastertjes van greenen hout, zwaar drie en tien duim, lang El 0,6 met pin en gat in den onder en bovenregel ingewerkt.
Tot opgang naar de galerij is bij ieder der vier deurkozijnen geplaatst een steektrap, breed El 1,4; de leuning derzelve bestaat uit een' greenen regel van 5 en 8 duim zwaar, lang ongeveer 4 Ellen.


Op de Kolommen zijn tot draaghouten der binnenkap gelegd greenen balken van 15 en 31 duim, op eene loodregte hoogte van Ellen 7,1, gerekend van den bovenkant van het draaghout tot aan het achtkantig tablement van den koepel.
De kruisbalken hebben ongeveer de lengte van 7 Ellen op eene dikte van 13 en 18 duimen.
Het achtkantig gewelf is met een* 1 duims zolder bekleed.
Op de acht hoeken van het entablement zijn voor de koepel even zoo vele stijlen gezet, aan elkander verbonden door balken, in ieder van welke twee korbeels lang 0,9, zijnde verder ieder achtkant versterkt door 2 kruisbalken, lang ongeveer 3 Ellen, zwaar 10 13 duim; zijnde het geheel met greenen 4 duims deelen bekleed, en wel zoo, dat in ieder achtkant een zoogenaamd gelmergat zich bevindt, wijd ongeveer 6 en hoog 9 10 palmen, in ieder van welke 9 vierduims zonnestralen zijn gemaakt.
De geheele kap is met zink overtrokken, terwijl een makelaar uit dezelve uitsteekt.
In het beneden entablement der koepel, hetwelk met een' greenen vier duims zolder belegd is, is een luik gemaakt, om daarmede in den koepel te kunnen opklimmen, met behulp van twee trappen, wijd El 0,6, zaamgesteld van vuren vierduims hout.
Er bevindt zich ook een klokgebindte in den koepel.
De zolder der galerijen zoo wel als de geheele binnenkap is met best gips bepleisterd.
De muurplaten zijn van dezelfde hoedanigheid als de draaghouten der binnenkap. De acht hoekkepers zijn zwaar 10 en 15 duim, lang ongeveer elf Ellen.
Op ieder achtkant zijn geplaatst 3 opschieters van gelijke zwaarte als de hoekkepers, lang ongeveer Ellen 10,4.
De geheele kap is met beste blaauwe geglazuurde pannen zeer goed gedekt, en de hoeken zijn, in plaats van met vorstpannen, met eene streep lood, ter breedte van El 0,29 bekleed, hetwelk netjes over de pannen heengebogen is, ten einde het doordringen van het water te beletten.
De lijst is breed El 0,64 en bestaat uit een' platten greenen vijfduims post van onderen met sponnings en eene lat tot architraaf bewerkt en boven het fries door eene hol uitgewerkte rib, zwaar 10 13 duim, waarop een uitschietende schroot van 4 en 18 duim.
In de goot is van binnen een schuinsch stuk aangebragt en dezelve daarna geheel met zink bekleed.
Ter meerdere sterkte zijn in de kolommen vier stuks ijzeren balken gelegd, lang ongeveer Ellen 13, zwaar 4 duim in het vierkant en aan weerszijden door ijzeren ankers verbonden.
De vloer is van blaauwen steen.

De woning van den Predikant is binnen werks lang Ellen 8,5 en breed Ellen 13,1; de schuur achter dezelve lang Ellen 9,8, breed Ellen 5.
De muren om de pastorij en schuur zijn van harde moppen en een steen dik.
Dezelve is beneden ingedeeld in vier behoorlijk behangen vertrekken, te weten twee voor- en twee achterkamers, zijnde in de schuur een keuken afgescheiden, alles door middel van halven steensmuren.


De deurkozijnen zijn ten getale van negen, namelijk 2 buiten- en 7 binnenkozijnen, benevens een kelderkozijn.
De hoogte van het deurkozijn aan den weg is Ellen 3,2; de breedte El 1,1.
De hoogte van het andere 2,2, de breedte 1,1.
De glaskozijnen, ten getale van 10, zijn hoog Ellen 2,3 en wijd El 1,2.
De geheele kap is met stroeve blaauwe pannen gedekt.
De gang, keuken en kelder zijn met beste blaauwe steenen vloeren belegd.
Er bevinden zich vier schoorsteenen van halven steens muren in het gebouw.
De bovenverdieping is mede eenvoudig bewerkt.
In de schuur is eene stalling voor twee koeijen gemaakt.

Kerk en pastorij zijn binnen den tijd van vier maanden afgewerkt; zij waren geraamd, de eerste op 14,088.60, de laatste met de schuur op 3805.30; deze som is, echter, iets grooter geworden, door het plaatsen eener tweede verdieping op het huis.
Men zegt, dat de aannemer geene voordeelige rekening voor zich heeft gemaakt, ja meer schade dan voordeel heeft gehad.

De laatste regels impliceren dat aannemer Harm Wind verlies heeft geleden op het project. Gezien het feit dat de kerk er anno 2021 nog steeds staat, heeft hij echter ontegenzeglijk goed werk geleverd.