Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN





Op 24 februari 1826 wordt de nieuw gebouwde katholieke kerk in gebruik genomen en midden april voilgt de 'plegtige' inwijding

Elders valt te lezen over de subsidiėring van de kerken in Veenhuizen en is ook de aanbesteding van de katholieke kerk beschreven. In de vriend des Vaderlands van mei 1827 staat vanaf pagina 432 een beschrijving van de kerk en van de pastorie met schuur. ZEER bouwkundig beschreven, vermoedelijk door de opzichter der gebouwen Jan van Lemel, en daardoor uiterst lastig te begrijpen. Hopelijk helpt het plaatje.

De R. K. is het eerst voltooid geweest en wij geven daarom eerst verslag van dezelve.
Zij heeft eene langwerpig vierkante gedaante.
De lengte is Ellen 22,5 buiten werks.
De breedte is Ellen 10,3 buiten werks.
Aan het eene einde is een portaal ingedeeld, en boven hetzelve een koor of galerij ter breedte van de diepte des portaals.
De grondvesten, op het vaste zand geplaatst, zijn in aanleg zes steenen dik; vervolgens is iedere laag met een halven steen verminderd tot op de zwaarte van twee steenen, waarmede het muurwerk negen palmen is opgetrokken; daarna met anderhalven steen tot boven aan ter hoogte van Ellen 5,4.
De drie benedenste lagen der grondvesten zijn in zand, de overige in metselkalk gelegd.
In de voor- en achtermuren bevinden zich zes deuren, waarvan de kozijnen hoog zijn, de eene Ellen 3 en breed Ellen 1,8 en de andere hoog Ellen 2,3, en breed Ellen 1,2, beide buiten werks, gemaakt van greenen Oostersche ribben.
De glasramen zijn twaalf in getal, de kozijnen derzelve zijn hoog 20 palmen en wijd 15 palmen, waarop een toog ter hoogte van 7 palmen.
Daarenboven zijn er nog vier kleinere met den toog ter hoogte van veertien palmen en wijd negen palmen.
Alles mede van greenen hout vervaardigd, de ramen zijn door roeden van vier en vijf duim zwaar ingedeeld.
Voorts nog een ovaal raam van vier ruiten in den gevel der kerk, tot verlichting van het gewelf.


De kozijnen zijn tegen eene halven steens-sponning in den muur ingezet en van binnen is de meerdere dikte van den muur, ter betere invalling van het licht, schuins bijgewerkt, enz.
Tot steun van het muurwerk in de kap zijn er ingevoegd ijzeren balken, lang Ellen 10,3, zwaar vier duim, enz. enz.
De muurplaten zijn 15 en 31 duimen zwaar en van best greenen hout, enz.
Het kapwerk betaat uit 12 spanten van vuren of dennen ribben, zwaar 10 en 15 duim en tot eene zuivere lengte van 76 palmen, ieder derzelve opgesloten met twee hanebalken en twee korbeels, enz.
Op de latten, zwaar 2½ en 5 duim, liggen blaauwe geglazuurde pannen.
Aan het eene einde der kerk, boven de sacristij en biechtkamer, bevindt zich een achtkante koepel, hoog boven de naald 22 palmen tot aan de bovenkap; deze koepel rust op greenen ribben, zwaar 10 en 23 duim, met lippen in elkander gewerkt, enz.

De woning van den Pastoor is aan de kerk verbonden, dezelve loopt op dezelfde breedte als de beide zijmuren door onder een dak, terwijl het huis eene diepte heeft van Ellen 8, 6 binnenwerks; door middel van halven steens muren is hetzelve verdeeld in 5 vertrekken, voorzien van 4 schoorsteenen en van de noodige kasten en andere gemakken.
In de nabijheid der Pastorij is geplaatst eene schuur ter lengte van 9 en ter breedte van 6 Ellen; op eene hoogte onder de gebindten van Ellen 3, 4; dit schuurtje is geplaatst op een steensmuurtje uit het vaste zand opgetrokken tot 4 lagen boven den beganen grond - van binnen bevinden zich een paarden- en een koestal.

Gelukkig veel beter te begrijpen is de vanaf pagina 434 beschreven ingebruikneming (24 februari 1826) en de inwijding van de kerk. Dat laatste zou zijn gebeurd op 18 aprll, maar dat is een dinsdag, dus misschien is bedoeld 16 april 1826.

De Heer BOERS, voorheen Kapellaan aan de Ommerschans en daarna als R. K. Priester en Pastoor naar Veenhuizen verplaatst, betrok de woning, waarvan wij zoo even melding maakten, op den 23 Februarij 1826 en deed op den volgenden dag den eersten dienst in het nieuwe en fraaije kerkgebouw.
De plegtige inwijding van dit laatste heeft plaats gehad op den 18 April 1826. Nadat in den vroegen morgen van dien dag, het werk der wijding naar het voorschrift der kerk verrigt was, is er een plegtige dienst of mis gevierd door den Hoog-Eerwaardigen Heer MULLER, R. K. Pr. en P. te Zwolle en Aartspriester van Salland en Drenthe, bijgestaan door den Hoog-Eerw. Heer PRIESTER, R. K. Pr. en P. en Coadjutor te Groningen, alsmede door de Wei-Eerwaardige Heeren TELLINGEN, R. K. Pr. en P. te Hasselt en NIEUWENTAP, R. K. Pr. P. aan de Dedemsvaart; terwijl de WelEerw. Heer MULLER, R. K. Pr. en P. te Deventer, eene plegtige inwijdingsrede hield, ten betooge van de hooge voortreffelijkheid van den openbaren Godsdienst.
De redenaar sprak breedvoerig over de voorregten en bescherming, welke de onderscheidene godsdienstige gezindheden; ook bijzonder de R. K. van den besten Koning ondervinden; wordende eindelijk de inwijding besloten met het zingen van den Latijnschen Psalm: Te Deum laudamus, door een koor zangers en zangeressen, daartoe opzettelijk uit Groningen gekomen.
Z. H. E. G. de Gouverneur der Provincie Drenthe, de Heer Griffier der Staten van Drenthe, alsmede, de Heer Voorzitter van het Kerkbeihiur dier Provincie, woonden mede de feestviering bij.