Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



De winkelier van het tweede gesticht te Veenhuizen wordt de laan uitgestuurd, een bedelaar bekent vrijwillig een moord en er moet per se turf naar Den Haag geëxporteerd


Onderstaande brief van de directeur is gedateerd 2 december 1825, invnr 76, en omdat hij drie onderwerpen behandelt, heb ik hem voor het gemak even in drie-en geknipt:

Toen ik in 't begin der voorige maand te Veenhuizen was, meende ik reeds reden te hebben van aan de regtige administratie, of liever de voldoende afbetaling der genotene winkelwaren door den winkelier te twijffelen,

bij mijn komst op den 28e dezer in het 2e etablissement mij in dit vermoeden nog versterkt vindende, gelaste ik een speciaal onderzoek dezer zaak, namentlijk of de waarde der bij hem voorhanden zijnde goederen voldoende was om het debet zijnder reekening te kunnen dekken;

het gevolg van dit onderzoek schijnd maar al te zeer de gegrondheid mijner vrees aantetoonen, zoo dat volgens bekomen rapport, het te kort niet minder dan ƒ300- zoude bedragen;

verontwaardigd over zoodanige slegte handelwijze, het zij dezelve aan kwade trouw, negligentie of onkunde is toe te schrijven, heb ik gemeend den winkelier Klaassen dadelijk van zijnen post te moeten ontzetten, en zijnen winkel als in beslag te neemen; ten einde indien er werkelijk kwade trouw mogt bestaan, de goederen niet meer verminderen:

daar intusschen aan de andere zijde de winkel geen dag kan gesloten blijven, en er geen geschikt sujet in de etablissementen gevonden wordt aan wien de verkoop der goederen kan worden opgedragen of aanvertrouwd, ben ik na overleg met den Heer Adjukt Direkteur Drijber te raden geworden, en heb goed gevonden, de sedert lang om eenige betrekking vragende persoon Andre te ontbieden, en hem provisioneel in de winkel te stellen;

deze is ons altijd opgegeven te zijn een zeer eerlijk man en daar hij voorheen zelve een bakkerij en winkel gehad heeft, waarschijnlijk niet ongeschikt voor die betrekking in de kolonie;

bij mijn vertrek van Veenhuizen was hij nog niet aangekomen en ik dus buiten staat hem te zeggen dat dit alleen zijn zoude om in de behoefte te voorzien en hij dus nog niet moet reekenen om als winkelier te continueren, dat zijn bekwaamheid en goede trouw in het behandelen van die zaak hem echter eeniger mate aanpraak op de gunst der Permanente Kommissie zoude doen verwerven enz., al het geen hem nu bij zijne komst door den Heer Drijber zal worden voorgehouden.

Daar de ongelukkige uitslag met den man die ik als eerlijk beschouwde, en met wiens lot ik bewogen was, en daarom door mij der Permanente Kommissie gunstig voorgedragen werd, afgeschrikt; wilde ik niet gaarne eenen anderen voorstellen tot de betrekking welk onder alle subalterne betrekkingen bij de Maatschappij den eerlijksten man vordert, en het zal mij dus bijzonder aangenaam zijn, dat de Permanente Kommissie of eenen anderen winkelier zond, of wel aangaande den persoon van André zoodanige informatie tragt te bekomen, als zij zal vermeenen noodig te hebben, om hem als winkelier te kunnen aanstellen.

Deze informatie kunnen misschien zoo door den Heeren Schuurmans en Van Rooyen als andere bekende personen te Assen worden gegeven, en ingeval ik mij niet bedrieg is hij bij den WelEdelGestr. Heer 2e Assessor niet geheel onbekend.

Er is een aparte pagina over Klaassen/Claassens waar bovenstaande ook opstaat en waar de trieste belevenissen van het gezin verder gaan.

Eindelijk heb ik de Heer Drijber opgedragen de zaak van Klaassens in persoon te onderzoeken en mij nader van een en ander te rappoorteren; daar ik ten slotte de vrijheid neem de Permanente Kommissie te verzoeken mij haar intentie omtrent de verdere behandeling der zaak, zoo ten aanzien van Klaassens als kolonist, als de waarneming van den post van winkelier, wel te willen mededeelen.

Voorts moet ik ter kennis van de Permanente Kommissie brengen, dat den bedelaar kolonist - wiens naam ik mij op dezen oogenblik niet herin­nere, en die bij een volgende zal opgeven - om een of ander misdrijf in het etablissement te Veenhuizen in arrest zijnde, heeft verklaard voor 2 of 3 jaren in een bosch niet ver van Antwerpen hout hakkende, eene jongen wiens naam hij noemt, door een slag op het hoofd van het leven te hebben beroofd, en denzelven in dat bosch begraven, waar op hij is weggegaan en rondge­zworven, tot hij te Antwerpen als bedelaar is opgevat en in het werkhuis geplaatst.

Eene zoodanige vrijwillige verklaring zonder dat ten minste te Veenhuizen eenig vermoeden tegen hem bestond, nog minder eenig onder­zoek van dien aard bij hem gedaan is; zoude aan eene krankzinnigheid doen denken; doch dit schijnt in het geheel het geval niet te zijn; maar het ge­noemde eene daadzaak te wezen.

Ik heb dus gemeend om het belang der justicie de noodige maatregelen te moeten neemen, dat deze bekentenis ter kennisse van de publieke justitieel authoriteiten werd gebragt en dus den Heer Drijber verzocht, eene schriftelijke verklaring van drie geemployeerden in wiens bijzijn den zich aanklagende, het hier boven omschreven gezegde herhaald heeft, aan den schout der gemeente Norgh te doen toekomen.

Volgens mij is de bedoelde persson Louis Nicolas, want die wordt op 9 december 1825 aan de politie overgegeven.

Ten gevolge de missive van de Permanente Kommissie dato 25 novb. N785 en partikulier schrijven van den HoogEdGestr. Heer 2e Assessor betrekkelijk het zenden van turf naar 'S Hage - van haar medelid den WelEd­Getr. Heer van Riemsdijk heb ik geen brief omtrent het zenden van turf ontvangen - heb ik naar Veenhuizen geschreven van schepen aanteneemen, het koste wat het wilde,

waar op het aan den veenbaas de Jong, na veele moeiten te Smilde, Meppel en Zwartsluis te hebben aangewend, gelukt is, twee schepen te bekomen, de eene tegen betaling van ƒ130- de andere voor ƒ170-.

De eerste is dingsdag geladen, en de tweede wierd ieder ogenblik gevragt.

De vragten komen door een gerekend dus nog hooger, dan van de eerste lading; doch daar tegen zijn de schepen grooter; zoo dat ieder zal laden drie dagwerk, terwijl de eerste met 2½ dagwerk bevragt was; het is thans buiten tijds, en de enkelde schepen die nog varen, doen dit voor eigen reekening.

Ik heb niet tegenstaande alle deze moeijelijkheden en buitenge­woone hooge vragten, tot het doen aanneemen van een vierde schip beslo­ten en hoop dat zij allen nog te 'S Hage zullen aankomen.