Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN





Hoe de Vaart van Veenhuizen aan te sluiten op de vaart van Zevenhuizen en de Leek'

Na een 'oculaire inspectie' noteren Johannes van den Bosch en Stephanus Jacobus van Royen op 30 mei 1825 waarop gelet moet worden als de vaart van Veenhuizen aangesloten wordt op 'de vaart van Zevenhuizen en de Leek'. Dit stuk bevindt zich in invnr 73 de scans 690-691. Het is een nadere uitwerking van het contract van 22 november 1824.

Pointen waarop bij de finale redactie van het contract tot verlenging van de vaart, der Maatschappij van Weldadigheid, met de vaart van Zevenhuizen en de Leek ter executie van dat van den 24e november 1824, geapprobeerd door de Permanente Commissie dd 5 februari 1825, te letten vald.

De daarbij aan oculaire inspectie gesubmitteerde rigting der vaart, door de Maatschappij van Weldadigheid op te leggen, is bepaald op den 28 mei 1825, als volgt:

De verlenging der vaart van Zevenhuizen zal aanvangen, ter plaatse waar dezelve thans ophoudt vaarbaar te zijn, bij de mond der Haspelwijk, op de hoogte der laatste klapbrug of casuquo conform het Contract, op en door het drooge meer en de Jonkers gruppel.

In het eerste meest verkiezelijkste geval, zal de verlenging geschieden in de rigting van het oude aldaar voorhanden onvaarbare canaal, op de nodige breedte en diepte, wel breeder doch niet smaller, en ook in diervoegen, zoo als bij primitief contract bepaald is, onderhouden worden.

Daar waar de oude vaart ophoudt, zal een nieuwe vaard worden aangelegd in de onvervankelijke bepaalde roijing, langs de veenweg, tot de plaats waar onvervankelijk een paal gesteld is: vandaar zal dezelve in eene schuinsche rigting (mede invoege onvervankelijk bepaald) voort lopen, naar de Zwartdijksterschans en zoo wel tot aan het Limiet der Eigendommen van Contractanten ter eenere, en die van de mark van Een, als verder door die mark in Drenthe, op boven omschreven voet aangelegd en onderhouden worden.

De daartoe nodige uitbaking wordt door Contractanten ter eenere opgedragen, aan den Heer Jan Uniken, welke daartoe vaceerd na (zoo mogelijk 14 dagen te voren) door den ad hoc gekwalificeerden der Maatschappij verwittigd te zijn.

In deze vaart legt en onderhoud de Maatschappij de nodige verlaten, ter bekwamer wijdte en breedte, schuttende zoo veel water, als de ondergrond der veenen gedoogen kan, in verband gebragt met de verlaten der Contractanten, zoo op Zevenhuizen en de Leek als in Drenthe; moetende de slagbalken in alle geval, even diep worden gelegd, als die der verlaten van Contractanten ter eenere. Een dezer verlaten wordt gelegd, ter nader definitief te bepalen plaatse, in allen geval beneden de Veenen, naar de kant van Zevenhuizen.

Van de Hoofdvaart van Zevenhuizen en annexen, zal door de Maatschappij geen meerder water mogen worden afgetapt, dan dat van hunne Eigendommelijke gronden: zullende de Maatschappij het overtollige water der Colonie bergen en door convenabele waterlozingen moeten lossen, buiten bezwaar en grond van Contractanten ter eenere.

Langs deze geheele vaard wordt aangelegd, een behoorlijke rijweg ter breedte, en aan de conditien van de verdere Rijdweg, langs de Hoofdvaart onderworpen, niet smaller, als 10 ellen, tot facilitering der Passagie. Voor de meijers op Zevenhuizen, wordt door de Maatschappij, ter plaatse door Contractanten ter eenere aantewijzen, een klapbrug naar het Model der verdere aanwijzingen aangelegd en onderhouden; zullende dezelve overigens met deze bruikers niet te doen hebben, terwijl Contractanten ter eenere, als eigenaren, over de ten dezen nodige gronden kunnen beschikken.

Dat tot executie en verzekering der stipulatien, bij het primitief Contract voorkomende, ter doorlating door het eerste Verlaat van Contractanten ter anderen, op het grondgebied van Drenthe voor de van daar komende schepen, nodig zal zijn, een schriftelijk bewijs, dat zij de belastingen van afvaart, klap en molegelden en wat dies meer zij, in de Zevenhuister en Leekster vaart hebben voldaan. Hiertoe zal in de Instructie des Verlaatsmeesters een artikel met penaliteit van vier dubbelden Impost worden ingelast, ten genoegen van Contractanten ter eenere.

Dat met betrekking tot Artikel 10 der algemeene voorwaarden van verkoop der Nijenoordsche Veenen aan Contractanten ter andere zijden, tot hun narigt zal worden gecommuniceerd het Contract dd. 28 Oct: 1783 over de Vaart en dat van dd. 29 April 1798 met deszelfs additioneel Artikel, relatief, ít zoogenaamde veer of vrachtschip van de Leek naar Groningen, geregeld voor Passagiers en pakgoederen varende, terwijl tot het in werking brengen, van art. 21 uit eerstgemelde Contract, bepaald wordt, dat elk schip tot andere eindens als afvoer van turf bestemd, zal betalen,
Op heen en terugreis ineens
Voor inlating        f 1.10
Voor verlaatgeld    f 1.12
Voor molegeld    f 1.06

Dat in steden van de primitief bedongen schadeloosstelling, voor de gronden tot vaart en weg nodig, Contractanten ter eenere genegen zijn ter bevordering van het heilzaam doel dier schikkingen, de nodige gronden onopzettelijk te laten vergraven, met uitzondering van het Hoogveen, waarvoor zonder onderscheid, per oude roede zal worden betaald f 1.-, op 1 November 1826.

Onder voorbehouden approbatie goedgekeurd te Steenwijk, den 30e mei 1825
(was get:) vdBosch, S.J.van Roijen