Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



Het verslag van de directeur over Veenhuizen op 5 februari 1825 gaat vooral over gedoe met personeel


Begin 1825 is het eerste gesticht zich geleidelijk aan het vullen met bewoners. Er is aandrang om nu ook het inmiddels afgebouwde tweede en derde gesticht te bevolken. Daarvoor moet er weer flink met personeel heen en weer geschoven worden. En het personeel dat er al zit gaat af en toe over de schreef. De brief is gedateerd 5 februari 1825 en bevindt zich in invnr 72 rond scan 374


De Permanente Kommissie heb ik de eer te accuseren den ontvangst harer missive dd. 1 dezer N899.
De bestekken etc. omtrent de R.C. kerk en pastorij wagtende, zal ik na ontvangst derzelven zoo spoedig mogelijk de eer hebben dien aangaande aan haar verlangen te voldoen.
Reeds bij mijne eerstvolgen­de hoop ik de gevraagde renseignementen omtrent de huishouding van Braun te geven.
Aangaande het aannemen van kinderen te Veenhuizen in het algemeen en het plaatsen van zodanige welke niet van het Gouverne­ment worden overgenomen, op eene afzonderlijke contrôle, zal overeenkom­stig de intentie der Permanente Kommissie worden gehandeld.

Van Veenhuizen te rug gekomen, heb ik de eer aangaande mijne bevinding in die etablissementen te berigten;

de staat der gezondheid, tevredenheid order en proprieteit, zoo bij de buiten bewoners als weezen, was steeds zeer voldoende, hoe wel men verpligt is geweest een paar huisgezinnen in het afgescheiden gedeelte en eenige weezen in de zaal van discipline te plaat­sen, waar van bij het eerstdaags intezenden extrakt uit de strafboeken nader melding zal worden gemaakt;

de verdiensten der kindern bij de fabriek zijn vermeerdert en nog voor verbetering door dagelijksche oefening en aanspoo­ring vatbaar;

het gefabriceerde als linnen en wollen garens, kousen etc. is alles zeer goed in kwaliteit, ook zoo ver ik dit kan beoordeelen het bewerkt oud touw;

gedurende mij verblijf aldaar en wel bepaaldelijk even voor mijn vertrek op gisteren, zijn door de verschrikkelijke stormen verscheidene pannen van het 1e etablissement gewaaid, zoo ook eenige van het 2e en 3e terwijl aan de bijgebouwen en boerenwoningen geen schade was veroor­zaakt;

bij mijn retour te Frederiksoord ontving ik het berigt van den Heer Adj. Dir. Harloff dat men ook te Ommerschans diergelijke schade aan de gebou­wen hadt ondervonden.

De Heer Kalbfleisch bevind zich thans tot het herstel van zijne gezondheid in het akademisch hospitaal te Groningen; intusschen blijft zijne vrouw in betrekking als winkeliersters continueeren, hetgeen egter niet zodanig plaats heeft als het belang van het etablissement, hoofdzakelijk de buitenbewoners, vordert, aangaande deze aangelegenheid hoop ik een voorstel aan de Permanente Kommissie in t zenden.

Zie voor meer bij Kalbfleisch.

De meeste geemployeerden schijnen hunnen pligt met ijver en getrouw waar te nemen; het is mij daarom onaangenaam ter kennis van de Perm. Komm. te moeten brengen dat de magazijnmr. Brand, zich eene daar mede strijdige handelswijze heeft gepermitteerd; hij heeft namentlijk eene linnen broek uit het magazijn genomen en door zijne zoon doen dragen.

Tot zijne verontschuldiging zegt hij - en dit is ook bevonden waar te zijn - dat zekere kolonist aan hem schuldig was ƒ1,75, dat hij bij de ophanden zijnde distributie van kledingstukken den broek op rekening van den kolonist zoude hebben gesteld, alzoo met hem gerekwireert;

het lijd geene tegenspraak of het een en ander is een misdaad; dien hem al het vertrouwen wat men in eenen magazijnmr. behoort te kunnen stellen ontneemt;

intusschen mag ik niet nalaten aantemerken, dat ik voor mij zelve nog altijd vertrouwen in de eerlijkheid van Brand zoude stellen, en vind mij dus gedrongen om te geloven dat hij, niet doorziende het wezenlijk misdadige zijner handelswijze, dezelven heeft bedreeven met geen ander oogmerk dan de voldoening zijner preten­tien op den kolonist:

uit dit een en ander volgt de moeijelijkheid voor mij, een voorstel tot straf voor den magazijnmr. te doen en neem dus de vrijheid dit geheel aan het gevoelen der Perm. Komm. overtelaten;

alleen moet ik hier nog bij voegen dat, ingeval de Permanente Kommissie van gevoelen mogt zijn hem niet finaal te ontslaan, maar in eene andere betrekking te plaatsen, hij en zijn huisgezin, tot zaalopziener geheel ongeschikt is, maar misschien in het vervolg als schrijver of boekhouder bij den onderdir. der fabriek van het 2e of 3e etablissement kon worden geemployeerd.

Zie voor meer over magazijnmeester Brandt.

De zaalopziener Bakker hadt voor eenige dagen met voorkennis van den Heer Poelman te Norch zijnde, zich bedronken en te huiskomende grote oneenigheden met zijne vrouw gehadt, zodanig dat zij elkander ten aanhoren der zaalbewoners met scheldwoorden overladen en sloegen.

Dit allesints onbetamelijk gedrag kan naar ons oordeel niet ongestraft blijven en ik zoude de Permanente Kommissie zeker verzoeken hem finaal uit de dienst der Maatschappij te ontslaan, kwam zijne geschiktheid tot het waarnemen zijner betrekking in veele opzigten niet in aanmerking; om welke een en andere reden ik de vrijheid neem, behoudens beter oordeel der Permanente Kom­missie voortestellen, den gen. zaalopziener voor dit maal, de verpligting opteleggen, om gedurende twee maanden, voor halve soldij te werken.

Bovenstaande is beschreven op pagina 108 van De strafkolonie. Bakker heet meestal Backers, zie meer hier.


Volgens eene van ZHEdGest. den Heer 2e Ads. ontvangene particu­liere missive schijnt de intentie der Permanente Kommissie te zijn, gedurende de aanstaande zomer eene grote hoeveelheid lands bij het 2e, 3e etablisse­ment te Veenhuizen te cultiveren en daar mede nu reeds zoo veel het jaargetijde zulks toelaat met kragt te beginnen;

hier aan willende voldoen heb ik nodig geoordeelt den onder Direkteur Nijenbandering onder toezigt des Heeren Poelman, provisioneel en tot dat daaromtrent nadere schikkingen door de Permanente Kommissie zullen zijn gemaakt, met de direktie dier werkzaamheden te belasten; terwijl zekere Gerrit Kuper, sedert eene gerui­men tijd als opziener bij wijze van bouwmeester onder het 1e etablissement werkzaam, de plaats van Nijenbandering zal vervullen.

Dan in aanmerking nemende dat de uitgestrektheid van het terrein, het den heer Poelman moeijelijk maakt al die werkzaamheden te overzien, hetgeen echter eene vereischte is,

daar ik verder den Heer Drijber, welke anders in deeze behoefte zoude kunnen voorzien, slegts zoo lang in zijne tegenwoordige betrekking wilde behouden als zijne tegenwoordigheid te Veenhuizen niet volstrekt wordt gevordert.

Daar eindelijk de Heer de Geus van zijne aan hier toe gestane gunst, om het voor de Adj. Direkteur bestemde locaal in het 2e gesticht te mogen bewonen, reeds jouisseert zonder in eenige betrekking werkzaam te zijn, ik van de gelegenheid gebruik makende met ZEd. te spreeken en eenigsints nader te leren kennen, vermeen ik te mogen geloven dat hij wel aan zijne bestemming zal beantwoorden.

Neem ik de vrijheid der Permanente Kommissie voortestellen, den Heer A. de Geus provisioneel de Direktie over de werkzaamheden bij het 2e etablissement te Veenhuizen optedragen, zonder dat daarom de bepaalde proeftijd van 3 maanden eenen aanvang namen, wordende die periode uitgesteld of verlengt, zodanig als de Permanente Kommissie naar den aard der omstandigheden, later zal goed vinden te bepalen.

Zie voor meer bij De Geus. Met 'Kuper' bedoelt de directeur Kuipers.