Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN





De aankoop van de 'Appelscher Boeren Veenen' waar op termijn een bedelaarsgesticht zou moeten verrijzen


Op 21 januari 1824, invnr 68, zendt de directeur der koloniŽn aan de permanente commissie:


Eene kaart der gronden van een gedeelte der markt van Diever en Wateren, aan de Maatschappij behorende, benevens een gedeelte der markt van Appelscha, aan de gronden der Maatschappij gelegen, en de profilen van waterpassing van een te graven kanaal, uit de Smilder Hoofdvaart tot aan de plaats waar een instituut zoude kunnen worden gebouwd, mede met een toeligtende memorie en voorstel.


Met 'instituut' bedoelt hij een bedelaarsgesticht, zie ook verderop de brief van 12 juli.

Op 2 maart 1824, invnr 355, schrijft de permanente commissie aan de compagnons van de Appelsche Vaart. De samenvatting op de brief luidt: 'Missive aan de Heeren Kompagnons van de Appelsche Vaart dezelven verzoekende mededeeling van de verbintenissen welke tusschen hen en de eigenaren der Appelsche Veenen mogten bestaan'. De tekst:


De Maatschappij van Weldadigheid is thans door aankoop van eenige waardeelen mede eigenares geworden van de zoogenaamde Appelscher Boeren Veenen, en is alzoo mede geinteresseerd bij de verbintenissen welke omtrent het vaarwater van Appelschbuurtschap tot in die veenen loopende, tusschen UWEd. en de eigenaren dier veenen mogten bestaan.

Ofschoon aan onze mede eigenaren voor zoo verre wij aanvankelijk hebben kunnen nagaan geene schriftelijke kontrakten daar omtrent bekend zijn, vorderen de belangen van de Maatschappij nogtans om ons deswege te verzekeren.

Hierom nemen wij bij dezen de vrijheid, UWEd. te verzoeken ons te willen mededeelen, op en zoo ja, welke overeenkomsten tusschen UWEd. en de eigenaars der Appelscher Boerenveenen bestaan: in het laatste geval kopie dier overeenkomsten van UWEd. verzoekende.

Op 12 juli 1824, invnr 70, meldt de directeur dat hij van Johannes van den Bosch gehoord heeft 'dat het de intentie der Permanente Kommissie is, nog deze zomer een bedelaars instituut in de velden van Appelscha of Diever te plaatzen'.

Stephanus Jacobus van Royen schrijft op 9 december 1824, invnr 71, aan de permanente commissie:


En ter voldoening aan de door UWelEdelen verlangde opgave, wegens de groote der zoogenaamde boeren veenen onder Appelscha, heb ik het genoegen UWelEdelen te kunnen melden, dat bij een zoo veel mogelijk geheime opmeting, door den landmeter der Maatschappij op mijn verzoek gedaan, die veenen, blijkens inleggende briefje van gemelde landmeter, groot zijn bevonden 290 morgens.

Deze veenen bestaan uit 14 waardeelen, het gekocht van Mevrouw Heloma 1 1/4 waardeel zijnde, zoude aldus het morgen veen, dat bij een publieke verkoop meer dan waarschijnlijk voor geen hon≠derd guldens gekocht kan worden bij deze koop aan de Maatschappij slegts kosten p.m. 35 guldens per morgen met zijn ondergronden, als bedragende des 1 1/4 waardeel volgens bovenstaande meeting 25 morgens 535 roeden.

De eigenaren voor 't grootste gedeelte onkundig zijnde van de groote dezer veenen, zal ik mogelijk daarom tegen denzelven lagen prijs meer aandeelen daarin kunnen aankopen, wanneer UWelEdelen zulks mogte goedvinden.

Deze veenen zijn alleen door een zijweg afgescheiden van de gronden der Maatschappij in 't Appelsche veld aangekogt.

Bijgevoegd is een velletje van de landmeter Drijver met de tekst 'Het Appelscha Boeren Veen is groot 290: morgen, nagenoeg.'

Uiteindelijk wordt er niets gebouwd. Er zal nooit een bedelaarsgesticht in Diever of Appelscha tot stand komen, evenals er nooit een kanaal uit de Drentse Hoofdvaart naar die plaatsen gegraven zal worden. De gronden worden slechts verhuurd. Op 11 november 1825, invnr 76, schrijft de directeur:


Ten gevolge de bij missive der Perm. Komm. dd. 8 nov. N725 verkregen authorisatie, zal het huurkontrakt met den bewoners der boeren≠plaats te Een voor een jaar worden verlengd: - Ik neem de vrijheid gelijke authorisatie te vragen omtrent de boerenplaatsen te Appelscha, te Smilde en te Weeper; alle welke verhuringen onder deeze twee hoofde voorwaardelijk zouden geschieden; vooreerst tegen betaling van gelijke huur als tot nu toe door vorige eigenaren of de Maatschappij genoten, en ten anderen dat de Maatschappij altijd het regt behoud om over het heideveld tot die plaatsen respektievelijk behorende, naar goedvinden te beschikken.

Maar er moet nog wel voor worden betaald. Op 15 november 1825, invnr 76, schrijft de directeur:


Zoo vind ik mij ook verpligt ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen, dat zich gisteren bij mij heeft vervoegd zekeren Prakker of Prakking, volgens zijn zeggen verkoper van een of meer waardeelen heide≠veld in de markte van Appelscha, en waar voor hij reeds meermalen de betaling van den Heer van Roijen te vergeefs zoude hebben gevorderd, tevens te kennen gevende mij in mijne kwaliteit geregtelijk om de bedoelde kooppenningen te zullen aanspreeken.