Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



8 november 1823: Toewijzing van de plekken voor arbeidershuisgezinnen, met het oog op 'de algemene belangen der Maatschappij en de bijzondere belangen der respective Subkommissien'


Op 8 november 1823 stelt de permanente commissie vast op welke manier de plekken voor gratis plaatsing van arbeidershuisgezinnen verdeeld gaan worden. Beloond worden subcommissies die erg hun best doen voor de Maatschappij van Weldadigheid. Dit stuk bevindt zich tussen de uitgaande post, invnr 354 of 355. Een transcriptie van het genoemde contract van 1 maart 1823 staat op deze pagina.


Besluit der Permanente Kommissie van Weldadigheid, vaststellende de beginselen naar welke zij de keuze van de 500 huisgezinnen tengevolge van het Kontrakt met Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken, in d. 1 maart ll. over te nemen, zal regelen, gearresteerd den 8 November 1823 No.1.

De Permanente Kommissie van Weldadigheid,

Gezien hebbende het door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat met haar aangegaan Kontrakt, in dato 1 Maart ll. ter overneming van 4000 vondelingen, verlatene kinderen of weezen, 500 huisgezinnen en 1500 bedelaars.

Gezien de missive van Zijne Excellentie den Minister voornoemd van den 5 mei ll. no.35 Bz, waarbij aan de Permanente Kommissie wordt overgelaten de regeling van de keuze van de 500 over te nemen huisgezinnen, ter bevordering van de deelneming in de Maatschappij ingevolge Zijne Majesteits verlangen bij Koninklijk Besluit van den 6 november 1822 no.15, artikel 11 en 12, uitgedrukt.

Gezien het Besluit van de Kommissie van Weldadigheid ter hare vergadering van den 15 juli 1823, goedkeurende het voorstel van de Permanente Kommissie, om die keuze te doen, naar mate van de algemene belangen der Maatschappij en de bijzondere belangen der respective Subkommissien.

Overwegende de noodzakelijkheid om door het weldra in gereedheid komen van het Etablissement te Veenhuizen en de alzoo aan te vangen overneming van het gekontrakteerde personeel, over te gaan ter bepaling van de beginselen naar welke de keuze der voormelde huisgezinnen zal geschieden.

Gezien het Reglement voor de Inrigting van het Etablissement te Veenhuizen, en soortgelijke nader aan te leggene, betrekkelijk het verband dat tussen deze Etablissementen en die der vrije Kolonien opzigtelijk den overplaatsing van Huisgezinnen zal bestaan.

In aanmerking nemende de noodzakelijkheid, om in het Etablissement op den duur eenige Huisgezinnen te hebben, welke met den Kolonialen Veldarbeid grondig bekend zijn.

Heeft besloten, gelijk dezelve besluit bij dezen:

Artikel 1.
Twee derden gedeelten van de tengevolge van het met Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat aangegaan Kontrakt in dato 1 Maart 1823 successief op te nemen 500 Huisgezinnen, zullen over de onderscheiden SubKommissien en Provinciale kommandanten in de Noordelijke Provintien worden omgeslagen.

Artikel 2.
Deze omslag zal hoofdzakelijk geschieden in evenredigheid van het getal Leden, onder elk ressort aanwezig in het Dienstjaar ’t welk de overneming voorafgaat.

Artikel 3.
De Subkommissien en Provinciale Kommandanten, welke tijdens elke designatie van een gedeelte der Huisgezinnen in hunne verantwoording merkelijk achterlijk zijn, zullen in het voordeel van het voordragen van Huisgezinnen geen deel hebben.

Artikel 4.
Het overige 1/3 der te plaatsen Huisgezinnen zal door de Permanente Kommissie van Weldadigheid zelve onbepaald worden gekozen.

Artikel 5.
Telkens wanneer een Etablissement ter opneming van een gedeelte der over te nemen Huisgezinnen in gereedheid zal zijn, zal bij een afzonderlijk besluit de repartitie van dat gedeelte, overeenkomstig de hierboven vastgestelde beginselen worden bewerkstelligd.

Aldus gearresteerd door de Permanente Kommissie van Weldadigheid te ’s-Gravenhage den 8 November 1823.

Daarna volgt besluit No 2 van die dag met de verdeling van de eerste honderd plaatsen (ook afgedrukt in de Star van november 1823). Vervolgens gaan er brieven uit naar de subcommissies die in de prijzen zijn gevallen, maar op zondag 30 november 1823, invnr 67, schrijft de directeur dat ze een beetje moeten temporiseren:

Voorts dat wij van heden aan gereed zijn huisgezinnen te Veenhuizen te ontvangen, doch het ons aangenaam zal zijn, indien dezelve langzaam, dat is niet meer dan 6, 8 of 10 per week aanko­men, en ingeval dit niet met de belangens der Maat­schappij zoude strijden, er dan gedurende deze winter niet meer dan 40 a 50 familien wierden opgezon­den, om rede het zoo wel voor de kolonisten zelve, als voor ons moei­jelijker valt in den winter dan gedurende het voorjaar of den zomer te beginnen.