Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



De directeur wordt helemaal lyrisch en ontroerd als hij de bedrijvigheid in het eerst zo rustige Veenhuizen ziet en hij wil graag 'een steen met mijn naam voorzien' plaatsen.


Op 5 juni 1823, invnr 65, schrijft de directeur der koloniŽn Wouter Visser een brief aan de permanente commissie waaruit onderstaande fragment komt. Uit de brief wordt geciteerd in De proefkolonie pagina 284:


Eindelijk heb ik het genoegen de Permanente Kommissie te berigten dat gister niet minder dan 22 zoo groote als kleine schepen met hout, steen enz. aan de plaats des gebouws te Veenhuizen laagen;

waarlijk een schoon gezigt, op een plaats voor zes weeken niet dan zeldzaam door menschenvoet betreeden, nu zodanigen levendigheid als het lossen van zoo veele scheepen, het opslaan van lootsen tot huisvesting van werkvolk voor het gebouw, het graven van sloten, het veenhouwen en zandschieten veroorzaakt te zien;

ik moet bekennen dat de gedagten aan deeze groote verandering naast de Permanente Kommissie te hebben bewerkt, of liever de werkzaamheden en aanleg te hebben gederigeerd mij een weinig aandeed en het denkbeeld ontstaan der Permanente Kommissie te verzoeken de vrijheid te mogen nemen, een steen met mijn naam voorzien, in een of ander gedeelte van het gebouw te plaatsen.


De steen die Visser wenst komt er, maar vreemd genoeg zit die boven de ingang van het tweede gesticht, tegenwoordig het Gevangenismuseum. Vermoedelijk is die hier pas gekomen toen het eerste gesticht gesloopt werd.