Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht bij het 1e Gesticht Veenhuizen

Zitting van den 26 November 1858

de tweede zitting op deze dag


Tegenwoordig zijn
C. W. Rensing, Presd
G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman
J. F. Morriën, Secr

De Voorzitter opent de Vergadering.

Wordt voorgenomen het ingekomen rapport van den onderbrigadier-veldwachter Breek bevattende, dat hij heden morgen omstreeks 8 Uren in de strafkamer is gekomen om den zich daar in bevindende Israëlitischen bedelaars-kolonist L. M. Levert N1073 te bezoeken.

Dat Breek binnen komende, bij dien beds kolonist aantrof, het bedelaars kolonisten meisje E. van Kooten N4208 oud 19 jaar, die benevens het beds kolonisten meisje A. B. de Jong N3343 oud 16 jaren, in de andere strafkamer waren opgesloten.

Dat bij de onverwachte binnen komst van den onderbrigadier, den Joden beds. Kolonist Levert zóó bedremmeld werd, dat hij niet konde antwoorden op de vraag, hoe dit meisje bij hem kwam.

Al spoedig ontdekte Breek een gat achter de deur in de half steens muur, die de beide strafkamers van elkander scheid, en door welke opening het meisje in de mannenprovoost gekomen was.

Dadelijk Raad van Tucht belegd hebbende, hebben de beide meisjes  verklaardt, dat de bedelaars-kolonist Levert, eenige steenen uit de muur had weten te krijgen, en des nachts door die opening was gekropen, en zoo doende bij hun was gekomen, met oogmerk om onzedelijkheid te plegen, hetgeen zijl. hadden voorgekomen door het dreigen van te zullen schreeuwen, wanneer hij hun niet met rust liet.-

Niettegenstaande deze verklaring van de beide meisjes, is van Kooten toch bij Levert in het mannen vertrek bevonden, waar ook de Jong geweest is, die op het oogenblik dat Breek de deur openmaakte, door het gat in de muur naar het meisjes appartement is terug gekeerd.-

Op de vraag waarom zij, die zeggen niets met Levert te doen te willen hebben, ja zelfs eene aanranding door standvastigheid hebben weten te keer te gaan, nu zelven tot hem overloopen, geven zij tot antwoord dat hij hun een stuk brood beloofd had als zij bij hem kwamen, en dat beide daar naar trek gevoelende, dit aanbod niet hadden afgeslagen.

Den bedelaars kolonist L. M. Levert gehoord, die zegt, dat de steenen los in de muur hadden gelegen, en dat hij ze er gemakkelijk heeft kunnen uitnemen, dat niet overeenkomstig de waarheid is, hij heeft dezelve er uit gebroken.-

Aan de andere kant is het echter ook eene waarheid, dat de strafkamers alhier, niet voor bedelaars kolonisten mannen, zijn ingerigt, zoo dat wij, na dit voorval, geen wees- of bedelaars-kolonisten-meisjes tegelijk met bedelaars kolonisten mannen, meer kúnnen opsluiten.

Gezien art 16 van het Reglement van Tucht voor bedelaars kolonisten

Wordt besloten

Den gehuwden Israëlitische bedelaars-kolonist L. M. Levert zijne opsluiting door dit feit, met 8 dagen in boeijen te verlengen, en hem terstond te laten overbrengen naar het 2e gesticht, om dáár zijne verdere straf te ondergaan. Wijders om de beide bedelaars kolonisten meisjes E. van Kooten en A. B. de Jong uit de strafkamer te ontslaan, om dat dezelve moet hersteld worden, en dat vertrek niet weder door meisjes te laten betrekken, als er in de jongens provoost bedelaars kolonisten mannen zijn opgesloten.

De Raad wordt gesloten.

Aldus gedaan op dato als in het hoofd dezes vermeld.-
De President en Leden
(was geteekend)
C. W. Rensing, Pr.
G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman

Voor gelijk luidend afschrift
De Secretaris
J. F. Morriën


Redres van een schrijffout
Men gelieve te lezen, dat Breek binnenkomende in de jongens provoost, aldaar A. B. de Jong en niet E. van Kooten aantrof, zijnde laatstgenoemde, die ook daar geweest was, reeds terug gekeerd.
Beide deze meisjes zijn niets meer dan kinderen op het oog.-
Rensing


Bijlage 1: brief van directeur Van Konijnenburg aan
de Gecommitteerde der regering

Frederiksoord 7 December 1858
N. 3323

Bij de inzending der processen-verbaal van de Raden van Tucht aan de gestichten, over de vorige maand, kan ik UwHWG: mijne smart niet verbergen, over de onderscheidene voorvallen van onzedelijkheid, die dit maal hebben moeten worden behandeld en daarin voorkomen.-

De meeste ergernis verwekt de inzage van het proces-verbaal van dien Raad aan het 1e Gesticht te Veenhuizen, van den 26e November JL., waaruit blijkt, dat de strafkamers voor de beide geslachten in zoodanigen vervallen staat zijn gelaten, dat ze gelegenheid gaven tot verkeer tusschen personen van de beide sexen, zonder dat er aan de mogelijkheid daarvan is gedacht, toen er van beiden  te gelijk werden opgesloten.

Die localen mogen dan oorspronkelijk voor kinderen niet zoo hecht zijn ingerigt geworden, de plaatselijke directie had met den gebrekkigen staat dier vertrekken niet onbekend moeten zijn en daarin behooren te voorzien, of voorziening moeten voordragen; althans zoo komt het mij voorshands voor, waarom ik haar die meening dan ook niet heb verborgen.

In het algemeen, echter, is het waar, dat de strafkamers hechter en doelmatiger ingerigt behooren te zijn voor de bedelaars kolonisten, waarover dan ook reeds meermalen, zelfs met de voormalige Permanente Commissie, inzonderheid met betrekking tot die aan het 3e Gesticht, gehandeld is, zonder dat het tot een afdoend besluit is gekomen, dat thans, na de inzending bij mijnen brief van den 30e November JL. N 3246 van een plan en begrooting eener cellulaire inrigting, geacht kan worden geheel te zijn voorbereid.-

Voorts zal UwHWG: in de processen-verbaal van de Raden van tucht bij de gestichten 2 en 3 te Veenhuizen en te Ommerschans, van den 24e, 27e en 23e November JL., vinden het straffen van respectivelijk niet minder dan zes,-twee,-en eene vrouw, uithoofde van gehouden onzedelijken omgang met mannen, die hare zwangerschap ten gevolge heeft gehad.-

Alleen de Adjunct-directeur aan het 2e Gesticht te Veenhuizen merkt daaromtrent, in zijnen geleide-brief, waarvan een extract hiernevens gaat, aan, dat de afwezigheid der hoevenaars, dezen zomer, als voerlieden naar de Norgermarkt en de Smilde, het toezigt op het land aanmerkelijk heeft verzwakt, dat niet is tegen te spreken en welke afwezigheid dus in meer opzigten gebleken is schadelijk te zijn geweest, dan op de voortzetting en verzorging van den arbeid.-

Daar, overigens, de policie van lieverlede verzwakt is door ligtere straffen en het gemis van een goed personeel veldwachters over eene bevolking, waar er onder zijn, die tot de heffe des volks behooren, zoo kan het niet wel anders of de krachten van weinigen moeten te kort schieten in het te keer gaan van alle verkeerdheden, waarom ieder lid der Directie voorzeker met verlangen uitziet naar de hierin voorgenomen en te verwachten verbeteringen.

Daaronder zoude echter ook behooren de bepaling, dat geen der hoevenaars, in den regel, zich op werkdagen van zijne hoeve mogt verwijderen, maar een vertrouwd voerman ter zijner beschikking moest hebben, om de buitenvrachten te doen, die evenwel, bij genoegzaam vaarwater, zeldzaam plaats behoeven te hebben.-

De Directeur der Koloniën,  J. van Konijnenburg

Bijlage 2: besluit van de Gecommitteerde der regering

’s Gravenhage, den 14 December 1858

De Gecommitteerde der Regering bij de M v W enz.
Gelezen den brief van den Directeur der kolonien van den 7 dezer N 3323 en de daarbij ingezonden Precessen Verbaal van de Raden van Policie enTucht bij de Gestichten over de maand November jl.

Besluit

den Directeur voornoemd op te dragen dat de vrouwen kolonisten die zich aan onzedelijkheid hebben schuldig gemaakt zullen worden geplaatst aan het 2e Gesticht in eene en dezelfde zaal, onder een scherp toezien der zaalopziener;
dat zij te zamen afzonderlijk en onder behoorlijk geleide naar het werk zullen worden gebragt en van daar gehaald,
tijdens het eten aan eene afzonderlijke tafel geplaatst,
in den zelfden hoek der zaal hare hangmatten hebben en voorts eene afzonderlijke uitmonstering aan hare kleding als kenteeken dragen,
dat zij van alle voorregten verstoken blijven en het minst aangename werk verrigten, altijd onder toezigt en voor zoo ver hare ligchaams toestand het toelaat.
de Gecomm

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 14 december 1858 N1, invnr 902

Notities bij het zittingsverslag