Proces Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van Saturdag den 10 December 1836


De Raad door den Heere President geconvoceert zijnde waren alle de Leden tegenswoordig.

Door den President werd aan de Raad mededeling gedaan van eene bij Hem Ontvangene Missive van den Heere Instituteur van het Kweekschool te Wateren, waarbij was gevoegd Proces Verbaal tegen den Persoon van Jacobus de Groot. (beide stukken in originalie hier aan geannexeerd)

Naar aanleiding hiervan heeft de Raad genoemde Jacobus de Groot doen binnen staan en zijn als toen de beide hier voren genoemde stukken hem door den secretaris voorgelezen,..

daar het uit laatst genoemde stuk bleek genoemde de Groot zich voorbedagtelijk aan Ontvluchten had schuldig gemaakt heeft men hem doen buiten staan om over de aan hem op te leggen straf te delibereren.-

Daar hij zich had schuldig gemaakt aan Overtreding van Art 3 van het Reglement van Tucht Voorkomende onder § 2 “Zich zonder verlof uit de koloniën verwijderen”
waar bij Art 4 onder § 2 van genoemd reglement de straf toekend
“Verwijdering uit de koloniën zonder verlof: hetzij die volvoerd en men van desertie terug gebragt is, hetzij die verhinderd is geworden.
Opsluiting van een tot acht dagen in de strafkamer, om den anderen dag te water en brood en bij herhaling met de boeyen aan.”

Bij meerderheid van stemmen heeft de raad besloten den aangeklaagde te condemneren tot opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood.

Verlangende de Raad dat aan dit vonnis onverwijld Executie zal worden gegeven-

Men heeft den gecondemneerden als na gedaane voorlezing dit tegenswoordige door den President met alle de Leden der Raad ondertekend.

Gedaan te Veenhuizen 1e Gesticht op dag en datum als boven is gemeld.

J. Poelman, pres
Textor
Kuipers, ond
Van der Meij de Bie
A. Bak

Bijlage 1: Verklaring door instituteur en onderdirecteurs van Wateren


No. 255

Op den 19 November 1836 is aan het Instituut te Wateren te rug gekomen de jongeling Jacobus de Groot, oud 16 jaren, bestedeling van Harlingen, nadat dezelve den 23 October, tevorens, des avonds laat, met nog eenen anderen jongeling, genaamd Coenraad Johan Jekel, heimelijk was weggeloopen, gezamenlijk koers nemende naar Harlingen, vervolgens naar Amsterdam, in welker laatste stad Jekel bij deszelfs vader intrek heeft gevonden, doch de Groot, afgewezen wordende, is wederom terug gekeerd naar Harlingen, en, ook daar geen onderhoud, noch aanhoud vindende, eindelijk op bovengemelden dag wederom aan de kweekschool te Wateren aangeland.

De oorzaak der ontvlugting is geweest eene gepleegde kleine oneerlijkheid, en vooral de daarop gevolgde verachting van de overige bevolking.

Aan het gesticht te Wateren geene reglementen van tucht bestaande, wordt de genoemde Jacobus de Groot, vergezeld van dit proces verbaal, na daarover den Heer Direkteur der Kolonien te hebben geraadpleegd, overgegeven aan de Direkteur van het 1e gesticht te Veenhuizen, vanwaar hij op den 13 July 1836 naar herwaarts is overgeplaatst geworden.

Aldus opgemaakt te Wateren den 23 November 1836 en door den Instituteur en de beide onder Direkteurs dier kolonie getekend.

J.H. van Wolda
N. Hofman
A. Kasper

Bijlage 2: Verklaring door instituteur van Wateren


Overeenkomstig een gehouden gesprek met den Heer Direkteur der Kolonien, heb ik de eer UwEd. bij dezen terug te zenden, den jongeling Jacobus de Groot, voor eenige dagen van desertie terug gekomen, vergezeld van een proces verbaal, zijn zakboekje, een extract uit het rekening boek en al zijne goederen, -

met verzoek mij voor dezen twee andere gestichtsjongens, zoo mogelijk, in het begin der volgende week, te rug te zendenl

De Instituteur, J.H. van Wolda

P.J.A. Veldman is afgeschreven als zijnde vier maanden weg. J.H.W

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1618

Notities bij het zittingsverslag