Tucht voor 'Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen' bij het EERSTE gesticht te Veenhuizen, 1826 tot en met 1859


De wezen wonen op slaapzalen van dertig meter bij vier meter zeventig. Met tachtig kinderen per zaal, twee zalen onder het toezicht van een zaalopziener die met zijn gezin tussen die twee zalen in woont. De eersten arriveren in februari 1824.

Per november 1824 maakt directeur der koloniën Wouter Visser 'Eenige reglementaire en huis houdelijke bepaalingen voor een etablissement van weezen' op grond waarvan af en toe kinderen berecht worden. Daarvan is slechts één verslag bewaard gebleven (althans: tot nu toe terug gevonden, er kunnen er nog meer opduiken).

Dan treedt in werking het 'Reglement van Tucht voor de Gestichten van Weezen, Vondelingen en verlatene kinderen van den 8 july 1829' (zie bij Reglementen) en daarvan zijn alle (voor zover bekend) verslagen bewaard gebleven.

Vrijwel al deze transcripties zijn gemaakt en ingevoerd door Luurt Vrijen. Zie voor algemene opmerkingen over de transcripties op de 'Openingspagina tucht'.

Er zijn namenlijsten van wezen die voorkomen in de zittingen, zie daarvoor deze pagina.

In onderstaande zijn de tuchtzittingen verdeeld in vrij willekeurig gekozen tijdvakken met elk rond de vijftig tuchtzittingen. Te bereiken via de linkerkolom.
In totaal gaat het om bijna 600 tuchtzittingen. Ertussen staan een paar tucht-gerelateerde discussies en brieven.

Boven elke periode staat welke employés van de Maatschappij gedurende die tijd zitting hebben in de tuchtraad. Van die raadsleden is ook een overzichtsfile 1829-1859.


Periode
Zittingen
1826-1832
Eén zitting uit 1826, vóór het reglement van 1829, en daarna 5 zittingen in 1829, 9 zittingen in 1830, 9 zittingen in 1831 en 9 zittingen in 1832. Plus veel zittingen waarop niets te behandelen is en die in slechts enkele gevallen getranscribeerd zijn.
1833-1835
In 1833 zijn er 16 zittingen die -al-l-e-m-a-a-l gaan over desertie, in 1834 zijn er 19 en in 1835 zijn er 16 zittingen met wat meer variatie in de tenlastelegging.
1836-1837
In 1836 zijn er 31 zittingen, in 1837 zijn er 17 zittingen. Er wordt niet verwezen naar zittingen die niet teruggevonden zijn, dus het kan best compleet zijn.
1838-1840
9 zittingen in 1838, 16 in 1839 en 30 in 1840. Het lijkt een simpele opklimmende reeks, maar we weten niet of er niet ergens zittingen missen.
1841-1842
28 zittingen in 1841 en 33 in 1842, allemaal ingevoerd. Een piek aan deserties in juli 1842 (21 stuks), maar ook veel zittingen met interessante bijzonderheden.
1843-1844
In 1843 zijn er 23 zittingen, in 1844 30 zittingen, met regelmatig meerdere op één dag.
1845-1846
Zowel in 1845 als in 1846 zijn er 22 zittingen, allemaal ingevoerd. Na de dood van adjunct-directeur Poelman wordt geleidelijk de hand van zijn opvolger Rensing zichtbaar.
1847-1848
32 zittingen in 1847. Veel als wees verpleegd wordende bedelaarskinderen deserteren en in de laatste zitting van het jaar begint men hen volgens het bedelaarsreglement te vonnissen. In 1848 zijn 24 zittingen, meest deserties en vaak dezelfde daders.
1849-1852
17 zittingen in 1849, 14 in 1850. Van de zittingen in 1851 zijn geen transcripties omdat er geen register op de post van dat jaar bewaard is gebleven en dat te veel zoeken zou zijn. In 1852 17 zittingen met op het eind van het jaar de opkomst van kroegjes in Westervelde.
1853-1854
In 1853 zijn 22 zittingen, in 1854 20 zittingen. Plus een stukje discussie over deserterende bedelaarsjongens die onder de wezen verpleegd worden, waarna later in het jaar bij herhaalde desertie ze worden teruggeplaatst in het bedelaarsgesticht.
1855-1856
31 zittingen in 1855, waarbij van één zaak twee - onderling verschillende - verslagen zijn. Plus twee verzoeken om strafvermindering met behandeling, plus verzoek van de directie om iemand weer op te mogen nemen, plus voorstel tot wijziging 'dubbele vergoeding'. In 1856 26 zaken.
1857-1859
In 1857 19 zaken, waarbij de als wees verpleegd wordende bedelaarskinderen een relatief groot deel innemen. In 1858 15 zaken en in 1859 11 zaken plus één discussie met betrekking tot het tuchtrecht. De tweede helft van 1859 ontbreekt in verband met de overgang van de gestichten naar de Staat.