Deels samenvatting (cursief), deels transcriptie van

de Raad van Politie en Tucht in de Gewone Kolonien

op den 14 January 1850


Worden gelezen vier processenverbaal van de Raad van Toezicht van kolonie 1, van 14, 21 November, 19 december en 9 januari, houdende beschuldiging tegen:


1) kolonistenzoon Jan van Cleef, aardappelen ontvreemd

2) zoon van den gepensioneerden ambtenaar J.A. Funcke, genaamd Willem, direkteur door scherpe uitdrukkingen beleedigd

3) Kolonist Wijgh en zijne vrouw wegens beleedigende uitdrukkingen en bedreigingen den fabrieksbaas Kolkers aangedaan

4) bestedeling Magje van 't Hof, onzedelijk verkeer met een bij haar onbekende (en 01-10 jl bevallen)

De beschuldigde binnengeroepen zijnde, blijkt zo onnoozel en onverstaanbaar te zijn, dat het de Raad onmogelijk is, de dader van haar ongeluk te ontdekken.

5) bestedeling Harm Jans de Vries, ontvreemden van hooi


Verder wordt gelezen proces verbaal van de Raad van Toezicht van kolonie 3,


1) kolonistenzonen W.F. Postma, W. Freeling en W.C. Bödeker, wegens het plegen van baldadigheid in de schuur van de wed: van Jeveren

2. tegen de Kolonist J. de Bruin wegens een tekort op zijn oogst van 10 .11 mud aardappelen en de verkoop van een deken en een waterketel.
De beschuldigde binnengeroepen bekent de deken en de waterketel te hebben
verkocht, doch dat hij de aardappelen zoude zijn te kort gekomen, zonder
daar een van te hebben verkocht.
De Raad, gelet op art. 2§c en art 3§3 van het Regelement van Tucht, waarbij
dubbele vergoeding van het verkochte benevens acht dagen opsluiting in  de
strafkamer op het misdrijf is gesteld,

Besluit:

J. de Bruin de straf op te leggen  van acht dagen opsluiting in de strafkamer
en ene vergoeding van f. 12,- zijnde de dubbelle waarde der deken en ketel
zullende het te kort op zijn oogst door wekelijkse inhoudings worden
gekweten.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



3. Tegen de kolonist J.C de Lang welks adsistent van de katoenweverij L. Baijlé
door schelden en bedreigingen zoude hebben beledigd.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent op dat ogenblik driftig te
zijn geweest.
De Raad, gelet op art 2§c en art 3§1 van het Reglement van Tucht, waarbij
opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is
gesteld,

Besluit:

J.C de Lang de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de
strafkamer.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



4. tegen het huisgezin F.H. Swaak welke zich aan onderscheiden misdrijven
hebben schuldig gemaakt als,
ontvreemden van kantoengarens waarvan zij slaapmutsen zouden hebben laten
prikken,
ontvreemden van rogge door middel van een gat in de zolder te
booren,
tuindieverijen.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde zoekt zich op allerlei wijzen te
verontschuldigen.

Na het hooren der getuige twijfelt de Raad ?? oogeblikkelijk aan hunne
schuld.
De kolonistenkinderen Swak en Kranendonk verklaren des avonds de weefschuur,
waarvan Swaak de sleutel onder zich had, te hebben verlaten, na alvorens hun
voorraad pijpjes kantoen te hebben getelt, waarvan des morgens 50 vermisten.
De kolonist Joosten verklaart twee mutsen voor hem  te hebben  geprikt,
waartoe hij hem pijpjes katoen had gegeven.
De bestedelingen Bruijn en Hupkens verklaren dat Swaak en zijne vrouw zich
tijdens hunne indeeling aldaar menigmalen aan tuindieverij en het
ontvreemden van rogge hebben schuldig gemaakt.

De Raad gelet op art 2§c en art 3§3 van het Reglement van Tucht, waarbij
dubbelle vergoeding van het ontvreemde benevens acht dagen opsluiting in de
strafkamer of ook wel overplaatsing naar de Ommerschans, naar gelang der
omstandigheden op dat misdrijf gesteld.

Besluit:

Het huisgezin F.H. Swaak voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de
Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden
ingewacht.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt zulks kenbaar gemaakt.



5. tegen de kolonisten kinderen M.A. Rooselaar & E. Posener welke doormiddel van
lucifers het ketting van het weefgetouw zouden hebben beschadigd.
De beschuldigden binnengeroepen zijnde, kunnen niets tot hunne verschooning
inbrengen.
De Raad, gelet op art 2§c en art 3§3 van het Reglement van Tucht , waarbij
dubbelle vergoeding van het beschadigde benevens acht dagen opsluiting in
de strafkamer, op dat misdrijf is gestelt.

Besluit:

M.A. Rooselaar en E. Posener ieder ene straf op te leggen van acht dagen in
de strafkamer benevens de vergoeding van 50 cent voor ieder.
De beschuldigden binnengeroepen zijnde wordt zulks kenbaar gemaakt.



6. tegen de kolonistendochter Bastina van Kesteren, wegens het ontvreemden van
10 pijpje kantoen.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent zulks te hebben gedaan omdat
zij die aan haar stuk was te kort gekomen.
De Raad, gelet op art 2§c en art 3§3 van het Reglement  van Tucht, waarbij
dubbelle vergoeding van het ontvreemde benevens acht dagen opsluiting in de
strafkamer op dat misdrijf is gestelt.

Besluit

B van Kesteren de straf op te leggen van acht dagen in de strafkamer, doch
haar van de vergoeding vrij te spreken.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt haar zulks kenbaar gemaakt.



7. tegen de bestedeling L. Bozer, welke den 9 july 1849 was gedeserteerd, den
13 december is teruggebragt en de 3e dezer maand is overgebragt naar de
Ommerschans, daar men vreesde zij wederom opnieuw zoude deserteren.
De Raad, gelet op art 21 en art 312 van het Reglement van Tucht, waarbij
overplaatsing vaan de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld;

Besluit:

De overplaatsing van L. Bozer naar de Ommerschans bij deze goed te keuren.

Aldus gedaan in de Raad te Frederiksoord den 14 january 1850.


Bijlage 1: Raden van toezicht van Frederiksoord


Geen transcriptie

Bijlage 2: Raad van toezicht van Willemsoord 11-01-1850


Àlle leden zijn tegenwoordig

Worden binnengeroepen de onderstaande kolonistenzonen als:
W.F. Postma, oud 16 jaar, hoeve 6
W. Vreeling, oud 16 jaar, hoeve 22,
W.C. Bödeker, oud 17 jaar, hoeve 27,
Die jonge lieden hebben bij de Wed. van Jeveren No 10, terwijl zij
op die hoeve werkten, de boedel in de schuur omvergesmeten, stroo, turf alles door elkander, de koe gemolken en een glas gebroken;
Zij ontkennen veel doch bekennen een glasruit gebroken te hebben.
De Wed. van Jeveren klaagt zoowel van deze als van andere jongens
veel last te hebben en verzoekt daarom dat zij gestraft worden.

(...)
Rest niet getranscribeerd.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 5 februari 1850 N3, invnr 661

Notities bij het zittingsverslag