Raad van Policie en tucht in de gewone Koloniën

op den 30 augustus 1849



Alle leden zijn tegenwoordig

Worden gelezen drie processen verbaal van den Raad van toezigt N1 van de 27e July, 29 Augustus en heden houdende beschuldiging

1. tegen de bestedeling Antonia Maria Rensenbrink welke de 10e Mei jl zonder verlof de kolonie heeft verlaten en den 26e July is teruggekeerd.
De President geeft de Raad te kennen, dat de genoemde bestedeling tot voorkoming van vernieuwde desertie dadelijk is overgebragt naar de Ommerschans

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

De overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans van A.M. Rensenbrink goed te keuren

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: conform vK



2. tegen de bestedeling Jan Heere wegens verregaande onwil en luiheid in de katoenweverij benevens  tuindieverij en verkoop van kleedingstukken.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde kan niets  tot zijne verschooning inbrengen

De Raad gelet op Art: 2§e en Art: 3§3 en Art: 16 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Jan Heere voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans; waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: conform vK



3. tegen de kolonisten vrijboeren Hilkemeijer en Nieuwenhuis, welke niettegenstaande het strenge verbod dat niemand zich naar de Steenwijker kermis zoude begeven ter zake van cholera, doch willekeurig zijn gegaan
De beschuldigden binnengeroepen zijnde bekennen zulks, zeggende dat zij aldaar zaken te verrigten hadden.

De Raad merkt aan dat zij dat evengoed den volgenden dag hadden kunnen doen en zich alzoo aan ongehoorzaamheid hebben schuldig gemaakt, daarbij gelet op Art: 2§a en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

H.C. Hilkemeijer en J. Nieuwenhuis  de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer
De beschuldigden binnengeroepen zijnde wordt hen zulks kenbaar gemaakt.

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: drie dagen zou mij voldoende zijn voorgekomen vK



Nog wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N3 van den 29e dezer maand houdende beschuldiging

1. tegen  de kolonist H. Hilleman wegens het verpanden van divers beddengoed.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde is de vrouw verschenen welke het misdrijf bekend, zeggende dat zij al de goederen weder terug hd bekomen, het welk  de Directie dan ook nader is gebleken.

De Raad gelet op Art: 2§c en Art: 3§3 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer benevens dubbele vergoeding van het verpande op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

H. Hillema de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, doch van de vergoeding vrij te spreken, daar al de goederen terug zijn.
De vrouw binnengeroepen zijnde , wordt haar zulks kenbaar gemaakt.



2. tegen Charles Louis zoon van den kolonist P.J. Castaing welke vier pijpjes katoen zoude hebben ontvreemd
De beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent zijn misdrijf

De Raad gelet op Art: 2§c en Art: 3§3 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer benevens dubbele vergoeding van het ontvreemde op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

C.L. Castaing de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer benevens een vergoeding van 12 centen.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt



3. tegen de kolonist J. Muzegaas, welke volgens de verklaring van de huisvrouw van J. den Ouden onderscheidene goederen zoude hebben aangemaakt van hout van de Maatschappij ter waarde van p.m. f 14,25

De beschuldigde binnengeroepen zijnde, verklaart een gedeelte der goederen reeds bij zijne komst in de Koloniën te hebben gehad, welke gered waren uit den brand van zijn huis tijdens zijn verblijf in de gewone Maatschappij en dat hij een ander gedeelte had aangemaakt, gedurende zijne ziekte in de Koloniën, voordat hij bij den timmerwinkel was geplaatst, mede van dat hout hetwelk uit den brand gered was.

Vrouw den Ouden binnengeroepen zijnde, verklaart dat hij niets van die goederen zoude hebben mede gebragt en dat zij ook onderscheidene malen gezien had dat hij bij het vervoeren van hout naar verschillende woningen geheel of gedeeltens van planken bij hem had afgeladen zonder dat er iets aan zijne woning was gerepareerd.

De Raad niet genoegzaam van zijne schuld overtuigd zijnde, zal deze zaak tot eene volgende zitting uitstellen om eerst nader door de Directie te worden onderzocht.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt



4. tegen den kolonist D. Capelle die voor vier kolonisten kernwippen zoude hebben gemaakt.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent de kernwippen bij hun aan huis te hebben gemaakt, gedeeltelijk van hout dat hem door de kolonisten was gegeven, zijnde het overige stukjes geweest, welke bij den dood van zijnen vader nog waren overgebleven.

De Raad in aanmerking nemende, dat het de timmerlieden ten strengste verboden is eenig timmerwerk aan huis te verrigten, beschouwt deze zaak als eene ongehoorzaamheid, zijnde het de Raad niet gebleken, dat hij enig hout van de Maatschappij heeft gebruikt en daarbij gelet op Art: 2§a en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit

D. Capelle de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



5. tegen de Kolonisten A: Kuiters, J: de Nekker, C: Veenman en W: Themmen, welke allen niet tegenstaande het strenge verbod naar de Steenwijker kermis  zijn geweest.
De genoemde  kolonisten binnengeroepen zijnde bekennen hun misdrijf, zeggende  allen dat zij er zaken te verrigten hadden.

De Raad wil ook deze zaak als eene ongehoorzaamheid  beschouwen en daarbij gelet op Art: 2§a en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

A: Kuiters, J: de Nekker, C: Veenman en W: Themmen ieder de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigden binnengeroepen zijnde wordt hen zulks kenbaar gemaakt.1

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: Als voordien vK

Aldus gedaan in de Raad te Frederiksoord den 30 Augustus 1849

C. Hulst
L: ten Broek
P. Hertog
X Handwerk van H. Lucas, die verklaart niet te kunnen schrijven    
H.A. Overhoff
F.H.P. van Marle  Secretaris


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 27-08-1849



Raad van Toezigt gehouden in kolonie N1 op den 27 July 1849

Is voor den Raad verschenen de bestedeling Antonia Maria Rensenbrink vroeger ingedeeld bij de weduwe de Ruiter wonende op hoeve N6, oud 15 jaren welke op den 10e Mei jl zonder verlof de kolonie heeft verlaten en als nu op den 26e dezer maand  van desertie teruggekeerd zijnde op den 27e naar de Ommerschans over gevoerd.

De President
H. Faaken

De Leden
J. Uhl
A. Lucassen
HA overhoff

De Secretaris
J.Heerkes de Vries


Bijlage 2: Raad van toezicht van Frederiksoord 29-08-1849


Raad van Toezigt gehouden in kolonie N1 op den 29 Augustus 1849

Alle leden zijn tegenwoordig

De voorzitter geeft aan den Raad te kennen dat hij het noodig geoordeeld heeft, na oefenen van veel gedulds en toegevendheid, voor den Raad van Toezigt te roepen den bestedeling Jan Heeren oud ruim 16 jaren ingedeeld bij den kolonist Leffef wonende op hoeve N93
niet alleen heeft hij zich reeds over langen tijd schuldig gemaakt aan luiheid, slordigheid en onwil in het weven en schijnt hij nogh door strafkamer noch door boete tot eene betere gezindheid gebragt te kunnen worden;
maar heeft hij zich daar te boven ook schuldig gemaakt aan het vervreemden van koloniale kleedingstukken door het verkoopen onder anderen van een hemd.
Daar te boven zijn straatschenderij en tuinroverij hem niet vreemd.
In dit alles heeft de Raad van Toezigt overvloedige redenen gevonden om den gezegden Jan Heere te verwijzen naar den Raad van Politie en Tucht om aldaar verwezen te worden als naar behoren

De President
H. Faaken

De Leden
HA overhoff
J. Uhl
A. Lucassen

De Secretaris
J.Heerkes de Vries


Bijlage 3: Raad van toezicht van Frederiksoord 30-08-1849


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N1 op den 30 Augustus 1849

Alle leden zijn tegenwoordig

De voorzitter geeft aan den Raad berigt dat hij van den Adjunct Directeur de last ontvangen heeft om de twee vrijboeren Hilkemeijer en Nieuwenhuis in den Raad van Toezigt te roepen ter zake hunne verwijdering uit den kolonie naar Steenwijk op den 22 Augustus jl  niet tegenstaande het ernstig verbod om op dien dag derwaarts te gaan.
 
De beschuldigden in den Raad verschenen zijnde en over deze zaak door den voorzitter onderhouden zijnde beweren
1e Dat zij meenden van dit verbod, hetwelk geene vrijboeren en Ambtenaren gewaagt, niet te zijn begrepen
2e Dat zij ter zake van hunne belangen volstrekt naar Steenwijk moesten gaan en
3e Dat zij zich aan geene ondeugdheden of wangedrag hebben schuldig gemaakt.

De Raad van Toezigt vermeent de gegrondheid van de tweede bewering, het noodzakelijke van hunnen gang derwaarts, te aanzien van de vrijboer Hilkemeijer te kunnen aannemen, maar ten opzigte van den vrijboer Nieuwenhuis deze te moeten betwijfelen, vooral ook daar Nieuwenhuis, ondanks het mondeling verbod der Directeur, zich niet ontzien heeft toch zijne gang en wel met zijn vrouw derwaarts te volbrengen.
 
De  President
H. Faaken

De Leden
J. Uhl
A. Lucassen
HA overhoff

De Secretaris
J.Heerkes de Vries


Bijlage 4: Raad van toezicht van Willemsoord 29-08-1849


Raad vanToezigt gehouden in Kolonie N3

Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt binnengeroepen de kolonist H. Hilleman hoever N152 die van zijne eerste verstrekking verpand heeft, als
1 wollen deken,
2 Bultzakken,
2 peluwen
en 2 Beddelakens;
Deze goederen zegt hij nu teruggehaald te hebben uit de bank van Leening, dat door den wijkmeester onderzocht is en bevonden dat hij de genoemde goederen terug heeft.
Hij zegt de goederen door gebrek aan voedsel verpand te hebben, doch belooft het niet weer te zullen doen.



Daarna wordt binnen geroepen Charles Louis zoon van de kolonist P.J. Castaing, oud 13 jaren die 4 pijpjes katoen uit de ton meegenomen heeft
Hij bekent zulks gedaan te hebben, en wel, omdat zijne zuster zoo achter komende anders haar stuk katoen niet kon afweven.



Nog wordt binnengeroepen de vrouw van den kolonist J. den Ouden hoeve N95, die zegt dat de kolonist J. Muzegaas (timmerman) hoeve N94 hout van den Maatschappij ontvreemd en daarvan zoowel voor zich zelve als voor anderen kolonisten gemaakt heeft, aldus
1 voetbank
1 bankje voor onder eene kist
1 bankje voor onder eene wieg
1 bak voor de koe
1 turfbak
1 waschbak
1 bank onder de waschtob
1 ladder
1 juk
2 kernwippen
2 pilasters tegen den hoeve
1 hoekbaufet
2 kleine tafeltjes

Aan den kolonist T.  Baggus N76 een bankje verkocht voor 30 cents en aan den Ouden N95 een bankje verruild voor een ton

J. Muzegaas binnengeroepen zijnde, zegt die goederen te hebben gemaakt van hout dat hij mede gebragt heeft toen hij den 12 April 1848 in de Kolonie is gekomen, dat men echter niet geloven kan, daar niemand weet dat hij toen hout  mede gebragt heeft, en om al dat bovenstaande te maken had hij nogal wat hout noodig, dat bij zijne aankomst in de Kolonie wel gezien zoude geworden zijn.
Een tegenbewijs zoude wel te leveren zijn voordat het huisje waarin hij vroeger buiten de kolonie woonde afbrandde had hij van den kolonist de Klein hout ontvangen dat ze te Steenwijk gekocht hadden om daarvan eene kast te maken, dat hout is mede verbrand en de Klein heeft om die reden de bestelde kast niet kunnen bekomen.
Wel is men van gevoelen dat hij een en ander van hout van de Maatschappij gemaakt heeft,  - dat al het bovenstaande daarvan is gelooft men ook niet, doch, hoewel er geen ander bewijs voor bestaat , dan de getuigenis van opgenoemde vrouw, meent de men te mogen aannemen dat Muzegaas de maatschappij hout ontvreemd heeft en daarvan eenige goederen gemaakt – al de bovenstaande goederen zijn door de Onder Directeur en wijkmeester Kleijzing gezien.



Ook wordt binnengeroepen den kolonist D. Capelle (timmerman) hoeve N82 die voor de volgende vier kolonisten Kernwippen gemaakt heeft, als
1 voor Van der Bil, hoeve N69
1 voor kinderen Lutgerink, hoeve 96
1 voor wed: de Vries, hoeve 85
en 1 voor Lindeman, hoeve 83
Hij zegt dezelve gemaakt te hebben van stukjes hout, die de kolonisten zelve hadden, met nog een enkel stukje hout er bij te hebben gedaan, dat hout, zegt hij, had zijn vader reeds, ook zegt hij voor het maken dier kernwippen geen geld genoten te hebben.
Men vermoedt dat ook dit getimmer wel, althans voor een gedeelte van hout van de Maatschappij is geschied.



Nog worden binnengeroepen de kolonisten, die tegen het verbod, kermis-dingsdag naar Steenwijk zijn geweest.

A. Kuiters, hoeve N2 (vrijboer), die twee jonge beesten en ze uit gebrek aan weide moest verkoopen, die is dan ook om 10 uren te Steenwijk gekomen en om 2 uren des namiddags er weer uitgegaan

H. de Nekker, hoeve N16 (vrijboer) die een paard wilde koopen, is mede spoedig teruggekomen en heeft een paard gekocht.

C. Veenman met vrouw en kind, hoeve N128 die door de sectiemeester Hartog nog gezegd werden terug te moeten gaan, doch niet gewild.
Nu zegt hij naar Kallenkoot geweest te zijn, dat wel onwaar zal wezen en ook had hij dan den wijkmeester moeten vragen daarheen te mogen gaan, dat hij ook niet gedaan heeft.

Willem zoon van den kolonist Themmen, hoeve N20, oud 19 jaren is, nadat hij nog gewaarschuwd  door den sectiemeester, toch naar Steenwijk is geweest.

Aldus gedaan te Willemsoord, den 29 Augustus 1949

JH  Hoving
J van Agteren
J Klijzing
P. Hertog
H de Plot


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag