Raad van Policie en Tucht in de Gewone Kolonien

op den 26 November 1846


Alle leden zijn tegenwoordig, worden gelezen twee Processen-Verbaal van den Raad van Toezigt van Kolonie no.1 van den 4 & 18 dezer maand, houdende beschuldiging:

1. tegen den Kolonisten zoon Geert Sjoerds de Vries wegens verregaande brutaliteit tegen den sectiebaas Sietze Hoekstra. De beschuldigde, binnengeroepen zijnde, kan niets tot zijne verschoning inbrengen.

De Raad, gelet op Artikel 3§1 van het Reglement van Tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

G.S. de Vries de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer. De beschuldigde, binnengeroepen zijnde, wordt zulks kenbaar gemaakt.



2. tegen de Kolonistenzonen: Jan Steenmetz, Jan Evers, Jan Asie, Abraham Bakker en Willem Farenkamp welke allen baldadigheid zouden hebben gepleegd aan den woning van den Kolonist T. van der Werf.
De beschuldigden, binnengeroepen zijnde, zoeken zich te verontschuldigen.
Daarna worden binnengeroepen K. van der Werf, zoon van F. van der Werf en Johannes Petrus de Vos, voorzoon van de vrouw van Johannes Verbeek welke beide verklaren zich in een grep te hebben verschoolen om de daders te ontdekken en op het oogenblik dat genoemde jongens zich wederom naar de woning hadden begeven uit dezelven waren gesprongen en ze allen hadden herkent.

De Raad houdt hen allen voor schuldig en daarbij gelet op Artikel 2§b en Artikel 3§1 van her Reglement van Tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

J. Steenmetz, J. Evers, J. Asie, W. Bakker en W. Farenkamp ieder de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer. De beschuldigden, binnengeroepen zijnde, wordt hun zulks kenbaar gemaakt.



Verder wordt gelezen een Proces-verbaal van den Raad van Toezigt van Kolonie no.3 van den 25 dezer maand houdende beschuldiging:

1. tegen den Kolonistendochter Antje de Vries wegens onzedelijken omgang met den buiten de Kolonien wonende persoon van Hendrik Kamans ten gevolge waarvan zij in eenen zwangeren staat verkeert. De beschuldigde, binnengeroepen zijnde, is niet verschenen.

De Raad, in aanmerking nemende dat zij haar misdrijf in den Raad van Toezigt reeds heeft bekend en daarbij gelet op Artikel 2§f en Artikel 3§2 van het Reglement van Tucht, waarbij verplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Antje de Vries voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans waarop de goedkering van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.



2. tegen Maartje Hoek, behuwd dochter van den Weduwe Bosman en den Kolonistenzoon Willem Hendrik Scholten, wegens onzedelijken omgang met elkander ten gevolge waarvan eerstgenoemde in eenen zwangeren staat verkeert. De beschuldigden, binnengeroepen zijnde, is alleen Willem Hendrik Scholten verscheenen, welke hun beider misdrijf bekent.

De Raad gelet op Artikel 2§f en Artikel 3§2 van het Reglement van Tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Maartje Hoek en Willem Hendrik Scholten beiden te verwijzen, de eene naar de Ommerschans en de andere naar Veenhuizen waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht. W.H. Scholten binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



3. tegen de Kolonistenzoon Mozes Wolf van den Berg, welke zonder verlof de Kolonien zoude hebben verlaten. De beschuldigde, binnengeroepen zijnde, bekent zijn misdrijf.

Den Raad, in aanmerking nemende dat hij den 24 July 1845 om hetzelfde misdrijf voor den Raad is verschenen en toen vrijgesproken is van den overplaatsing naar den Ommerschans omdat hij nog geen zestien jaren oud was, welke jaren hij nu bereikt heeft; daarbij gelet op Artikel 2§d en Artikel 3§2 van het Reglement van Tucht waarbij overplaatsing naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Wolf Mozes van den Berg voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht. De beschuldigde, binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



Nog wordt in hetzelfde Proces-verbaal gelezen de beschuldiging tegen den Kolonistenhuisgezinnen van L.E. Knegge, de Weduwe Van der Zeide, de Weduwe Surstedt, F. Postma en J. den Ouden, wegens een aanzienlijk tekort op hun aardappeloogst.

De beschuldigden, binnengeroepen zijnde, geeft den President te kennen, dat de Raad aan deze zaak niets zal doen, voordat men het welmenen van de Permanente Commissie zal hebben vernomen, hetwelk eerstdaags door den Directeur zal worden gevraagd.

Aldus gedaan in den Raad te Frederiksoord, den 26 November 1846.
C. Hulst
H. Wulfling
S. van der Poot
N. van Hoogmoed
F.H.P. van Marle, secretaris.


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 04-11-1846

(LET OP: Deze bevindt zich abusievelijk in invnr 1619)


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N. 1 op woensdag den 11 November 1846

Alle Leden zijn tegenwoordig.

Is in den Raad verschenen Sietse Hoekstra kolonist Sectiebaas wonende op hoeve N. 30, zich beklagende over den zoon van den kolonist Sjoerd Sjoukes de Vries, met name Geert Sjoerd, oud 17 jaren, welke hem op den 5 November JL vergaande en bij herhaling gebezigde scheldwoorden heeft toegevoegd, en over het algemeen met de grofste brutaliteit bejegend, van welke scheldwoorden de wijkmeester Taatgen getuige geweest is.

De beschuldigde binnen staande en ondervraagd zijnde heeft gedeeltelijk zijne schuld erkend met bijvoeging echter van de gewone uitdrukking “de wijkmeester en sectiebaas hebben mij gezocht”.

Niets meer te behandelen zijnde wordt de Raad gesloten

Aldus op datum maand en jaar als boven
De President
H. Faaken
De Leden: J. Uhl, A. Lucassen, S v d Poot
De Secretaris, J. Heerkes de vries


Bijlage 2: Raad van toezicht van Frederiksoord 18-11-1846

(LET OP: Deze bevindt zich abusievelijk in invnr 1619)


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N. 1 op woensdag den 18 November 1846

Alle Leden zijn tegenwoordig

Is in den Raad verschenen Klaas van der Werf oud 16 Jaren kolonisten zoon van dien naam wondende op Hoeve N. 47, namens zijnde ouders zich beklagende dat ?? telkens vrijdagavonds eenige jongens voor de deur leeven maken en tegen de vensters slaan,
dat zij hierover den wijkmeester Uhl om raad gevraagd hebbende deze hun heeft aangespoord om vergezeld met een getuige te onderzoeken door wie dit mogt geschieden.

Dat de bovengenoemde K. van der Werf vergezeld van Johannes Petrus de Vos behuwd zoon van den kolonist Verbeek, wonende op hoeve N. 48 op vrijdag de 13 November JL gezien heeft (toen zich dit gerugt herhaalde) Jan Steenmetz, Jan Evers, Jan Arsie en Abraham Bakker.

De mede boven genoemde getuige de Vos heeft de verklaring van Van der Werf in zoo ver bevestigd dat ook door hem de boven genoemden zijn ontdekt geworden.

Deze beschuldigden binnen geroepen en hun dit gedrag onder het oog gebragt zijnde, hebben gelijkelijk ontkend dat zij eenige kwaadaardigheid zouden gepleegd hebben, maar wel dat zij vrolijk waren en gezongen hadden.

De beschuldigde Jan Steenmetz heeft daarop verklaard dat bij hen dergelijks zou geweest zijn Willem Faarenkamp het geen door deze in zoo ver erkend wordt als toch bepalende tot den gemelden avond op den 13 November terwijl hij anders gewoon was eenen anderen weg te kiezen.

Niets meer te behandelen zijnde wordt de Raad gesloten

Aldus gedaan op dag datum maand en jaar als boven
De President
H. Faaken
De Leden: Uhl, A. Lucassen, S. v d Poort
De Secretaris, J. Herkes de vries


Bijlage 3: Raad van toezicht van Willemsoord 25-11-1846


Raad van Toezigt , gehouden in Kolonie no.3.

Alle leden zijn tegenwoordig.

Wordt binnengeroepen den Kolonist L.E. Knegje, Hoeve no. 116, die op de taxitatie van 80,20 mud aardappelen 16,71 mud temin heeft opgeleverd.
Hij zegt te hoog getaxiteerd te wezen en om hem van het tegendeel te overtuigen kan men niet, maar daarvan had hij in den rooijing den Onderdirecteur kennis moeten geven, dat hij niet gedaan heeft, van verkoop is niets bekend, en wilt men ook geen bepaalde oorzaak over het tekort op te geven.
Ook heeft hij bij de taxatie de wijkmeesters Kleijsing en Van Agteren uitgescholden voor schelmen, omdat bij de taxatie zijde hij gemeten werd met een maat van acht kop die over tien koppen toegerekend worden, dat dit een groot onwaarheid is, behoeft geen betoog.
Op de roggeoogst van dit jaar komt hij ook geheid tekort en op die van het vorige jaar 0,84 mud in halven van het vorig jaar 0,74 mud zoodat hij altijd er op alles tekort heeft.


Daarna wordt binnengeroepen de Weduwe Van der Zeide, Hoeve no. 162, die op de taxatie van 89,51 mud aardappelen 17,20 mud beneden taxatie heeft ingeleverd. Ook zij meent te hoog getaxeerd te zijn. Echter vermoed men dat dit tekort vooral bestaat, die vrouw had twee varkens en zelf meer gebruikt dan de voeding bedraagt in de tijd van rooijing en bovendien welligt nog wat verkogt.


Nog wordt binnengeroepen Weduwe Surstedt, Hoeve no.21, die op de taxatie van 123,20 mud aardappelen 11,37 mud temin heeft ingeleverd. Te hoog getaxeerd is ook hetgeen zij ter verontschuldiging inbrengt, anders zegt zij niet te weten hoe het mogelijk is zooveel tekort te komen. Men weet hier geen bepaalde oorzaak van het tekort te noemen.


Ook den tegenwoordige vrijboer F. Postma, Hoeve no.6, wordt binnengeroepen, die heeft op de taxatie van 95,32 mud aardappelen 10,05 mud beneden de taxatie geleverd. Hij bekent dezelve gebruikt te hebben, en zal door zijn verdiensten met het paard dezelve aan de Maatschappij vergoeden of, indien hem dat vergund werd, zooveel aardappelen van de volgend oogst terug te geven.


Nog komt binnen den Kolonist J. den Ouden, Hoeve no.95, die op de taxatie van 64,51 mud aardappelen 14,18 mud tekort komt. Hij zegt ook te hoog getaxeerd te zijn geweest en is het bekend dat hij slechte aardappelen gehad heeft. Deze Kolonist is vroeger nooit tekort gekomen.


Nadien wordt binnengeroepen Aaltje, dochter van den Kolonist P.J. de Vries, Hoeve no.98, oud 22 jaren, die door onzedelijke verkeering met Hendrik Kamans, buiten de Kolonie woonachtig, zwanger is. Zij bekent haar misdrijf.


Nog wordt binnengeroepen Maartje Hoek, behuwd dochter van de Weduwe Boxman, Hoeve no.155, oud 26 jaren, die door onzedelijke verkeering met Willem Hendrik, zoon van den Kolonist H. Scholten, Hoeve no. 151, oud 23 jaren, in zwangerschap verkeerd. Zij bekennen mede hun misdrijf.


Eindelijk wordt binnengeroepen Wolf Mozes, zoon van den Kolonist Meijer Isaac van den Berg, oud 16 jaren, die den 22 July 1846 gedeserteerd en den 11 November 1846 teruggekomen is. Hij zegt naar Amsterdam gegaan te zijn, om daar iets aan zijn familie te vragen tot ondersteuning van het huisgezin van zijne ouders en meende dan terug te komen, maar is te Amsterdam ziek geworden en is uit dien hoofde zoo lang weggebleven.
Hij belooft de Kolonie niet weer heimelijk te zullen verlaten.

Aldus gedaan te Willemsoord, den 25e November 1846.
P. Hoving
P. Brands
J. Verboom
H. Wulfling
F. de Plot.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag