Raad van Policie en Tucht in de Gewone Koloniën van

den 17 October 1839


Alle leden zijn tegenwoordig.

De President deelt den Raad mede

1o Dat Johanna Hochepied, oud 21 jaren, welke den 1o Augustus jl van verlof is achtergebleven op den 12o dezer maand door de Regering van 's Gravenhage in eenen ziekelijken toestand, ten gevolge van haar los en zedeloos leven is terug gebragt, en den 14o daaraanvolgend naar de Strafkolonie te Ommerschans is over gebragt.
De Raad gelet op Art: 2 $ d, en Art 3 $ 2 van het Reglement van tucht, waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit

De overplaatsing naar de Ommerschans van Johanna Hochepied goed te keuren.


2o Dat Gosse Jager en S Leizer Balen indevolge besluit van de Permanente Commissie dd 3 October jl N26, zijn vrijgesproken van hunne verwijzing naar de Ommerschans, onder aanbeveling van hen opnieuw voor den Raad te doen te regt staan en eene ligtere straf opteleggen.
De Raad de zaak in nadere overweging nemende, wil zij dezelve nu beschouwen als eene ongehoorzaamheid, en daarbij gelet op Art. 2 § a en Art 3 § 1 van het Reglement van Tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf gesteld,

Besluit

Gosse Jager de straf opteleggen van drie dagen en S. Leizer Balen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, daarbij in aanmerking nemende  dat eerstgenoemde slechts drie dagen en de laatste 12 dagen is weggebleven.
Zullende op die strafbepaling de goedkeuring van de Permanente Commissie worden ingewacht.



Voorts wordt gelezen een Proces-verbaal van den Raad van Toezicht van kolonie No 1 van den 16 dezer maand, waarop binnen worden geroepen:

1. Albert Klaver, wegens mishandeling van den kolonistenzoon Adrianus Gotz, welke in betrekking als adsistent in de katoenfabriek, de zoon van genoemde kolonist heeft willen teregt zetten.
De beschuldigde bekent zijn misdrijf, waarbij hij veele redenen tot zijn verschooning wil inbrengen, welke de Raad zeer onvoldoende toeschijnen.
De Raad overwegende dat A. Klaver een zeer ongemakkelijk kolonist is, welke niet voor vermaningen vatbaar is, en daarbij gelet op Art. 2 $ a en Art 3 $ 1, van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit

Albert Klaver de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem hij daartoe binnengeroepen zijnde, door den President wordt kenbaar gemaakt.



2. Hermanus Krabbendam, welke zich zouden hebben verzet tegen den Wijkmeester J. Uhl en opziener L. Bollen.
De Raad den beschuldigde gehoord hebbende, alsmede de Sectiebaas L. Bollen beschouwd deze zaak van weinig aanbelang en

Besluit:

H. Krabbendam met eene ernstige vermaning heen te laten gaan, hetwelk hem door den President wordt kenbaar gemaakt.



Verder wordt gelezen een Proces-verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No 2, van den 25 September jl houdende beschuldiging tegen den bestedeling Josephus van Staai de Melger, oud bijna 16 jaren, ingedeeld bij den kolonist J. H. Horst, op hoeve No 30, welke zijnen huisvader op eene verregaande wijze zoude hebben mishandeld.
Den beschuldigde binnengeroepen zijnde, kan geen reden tot zijne verschoning inbrengen.
De Raad, overwegende dat genoemde bestedeling reeds onderscheidene malen voor dezelve is verschenen, wegens wangedrag en nu al wederom in het hierop volgende proces-verbaal voorkomt waaruit blijkt, dat alle straffen en vermaningen op hem volstrekt geen invloed hebben, daarbij gelet op Art: 16 van het Reglement van tucht,

Besluit

Josephus Staai de Melger voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans te verwijzen, waarop de goedkeuring van de Permanente Kommissie zal worden ingewacht.



Verder wordt gelezen Proces-Verbaal van den Raad van toezigt van kolonie No 2 van den 11o dezer maand, waarop worden binnengeroepen:

1o De bestedelingen:
Josephus van Staai de Melger, oud bijna 16 jaren,
Baan Metzelaar, oud 12 jaren,
Arij van Gerfsen, oud 18 jaren,
en de kolonistenkinderen:
Cornelis Onrust, oud 16 jaren
en Willem Lagcher, oud 15 jaren,
welke zich allen zouden hebben schuldig gemaakt aan het mishandelen van Josephus van der Lugt, en zijne vrouw.
De kolonisten zoon W. Lagcher is niet verschenen, wegens ongesteldheid, alle de overigen kunnen niets tot hunner verschooning inbrengen, blijkend het hun tevens dat W. Lagcher even schuldig is.
De Raad, gelet op Art. 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement  van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit

Arij van Gerfsen, Cornelis Onrust en Willem Lagcher ieder vier dagen opsluiting in de strafkamer opteleggen, wordende Baan Metselaar wegens zijne jonge jaren vrijgesproken.
De beschuldigden wederom binnengeroepen zijnde wordt hen zulks kenbaar gemaakt.



2o De kolonistenzoonen Jan van Ham, oud 21 en Klaas Kraan, oud 20 jaren, welke zich beiden hebben begeven naar de Markt te Dwingelo om in de herberg op de viool te spelen.
De beschuldigden bekennen hun misdrijf.
De Raad, in overweging nemende, dat eerstgenoemde reeds vroeger is te kennen gegeven, dat hij, indien hij zich wederom buiten de kolonien begaf om te speelen, eene overplaatsing naar de Ommerschans, daarvan de gevolgen zoude zijn, en daarbij gelet op Art 2 $ a, en Art 3 $ 1&2 van het Reglement van tucht

Besluit:

Jan van Ham voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans te verwijzen en Klaas Kraan de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer met eene ernstige vermaning tevens aan laatstgenoemde om zich voortaan hiervoor te wachten, ten einde niet in het lot van zijnen voorganger te deelen, zullende op de straf van eerstgenoemde de goedkeuring der permanente commissie worden ingewacht.



Nog wordt gelezen een proces-verbaal van den Raad van toezigt van kolonie No 3 van den 16e dezer maand, waarop worden binnengeroepen:

1. Marinus Baas, voorzoon van de vrouw van den kolonist Willem Magchielsen, hoeve 154 welke zonder bekomen verlof voor ruim vier jaren de kolonie heeft verlaten.
Den beschuldigde bekent zijn misdrijf, daarbij te kennen gevende, dat hij op zijn verlofpas als militair naar Zeeland is gereisd.
Den Raad merkt aan, dat deeze zaak zeer oud is, en hij vroeger voor dezelve had moeten zijn geroepen geworden, hetwelk waarschijnlijk was verzuimd door zijne militaire betrekking en daar bij geldt op Art 2 $ d en Art 3 $ 2 van het Reglement van tucht, waarbij overplaatsing naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Marinus Baas voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans te verwijzen, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.


2. L. J. Kramer van hoeve No 147 welke beschuldigd is geworden door de vrouw van F. Friess, hoeve No 146, knollen van de Maatschappij te hebben ontvreemd.
De beschuldigde blijft zijn misdrijf ontkennen.
De vrouw van Friess gehoord hebbende is de Raad niet genoeg van zijn schuld overtuigd geworden en besluit zij aan deze zaak geen gevolg te geven.


3. A. Brinkman van hoeve No 35 welke stroo van zijne hoeve zou hebben verkocht.
De beschuldigde blijft zulks ontkennen.
De Raad, in overweging nemende, dat het geheele huisgezin niet zeer te vertrouwen is, doch niet genoeg van de schuld van Brinkman overtuigd zijnde

Besluit

A. Brinkman met eene ernstige vermaning heen te laten gaan.

Aldus gedaan in den Raad te Frederiksoord den 17 October 1839

J. van Konijnenburg
C. Hulst
???
S. Bollen
Feskens
P Souverijn
T.H.P. van Marle secretaris


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 16-10-1839

Raad van Toezigt in kolonie No 1.
woensdag 16 october 1839

De leden zijn alle tegenwoordig


De adsistent bij de katoenweverij Adrianus Götz beklaagt zich, door den kolonist Albert Klaver bij de borst gegrepen en in het aangezicht geslagen te zijn, omdat hij diens zoon, den katoenwever Dirk Klaver aan het werk wilde houden en bij onwil van den laatsten hem bij den arm gegrepen en naar zijn weefgetouw gebragt had.

Cornelis Nobbe en Frederik de Vries, die bij het voorgevallene zijn tegenwoordig geweest, zeggen dat de adsistent Götz, Dirk Klaver geboden had om tot 6 uur 's avonds aan het werk te blijven, uit hoofde hij anders zijne taak niet zou kunnen afmaken,
dat Dirk Klaver zich evenwel verwijderd had, doch door den adsistent bij de arm was terug gehaald,
hebbende hij zich toen andermaal verwijderd, waarna de vader A. Klaver was gekomen en Götz bij de borst gevat en in het gezicht geslagen heeft.
Albert Klaver bekent zijn misdrijf in drift te hebben gepleegd, omdat hij zijne kinderen niet door anderen wilde mishandeld hebben.



De kolonist Hermanus Krabbendam wordt aangeklaagd door den wijkmeester J. Uhl en den sectiebaas L. Bollen, wegens het zich steeds verzetten tegen de hem gegeven bevelen, onbepaaldelijk nog wegens zijne nalatigheid in het aanmaken van mest op zijne Hoeve, dat hem meermalen is moeten worden onder het oog gebracht

H. Krabbendam die zich hiervan wil trachten vrij te praten, wordt van het tegendeel overtuigd -

De Raad onderwerpt het bovenstaande aan dien van Policie en Tucht -

Aldus gedaan in den Raad als boven


Bijlage 2: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 25-09-1839

Raad van Toezicht gehouden in kolonie No 2 op woensdag den den 25ste september 1839

Alle leden present

Is gecompareerd voor den Raad den kolonist J.H. Horst, wonende op hoeve no 30, zich beklagende van aangetast te zijn van de bij hem ingedeelden wees Josephus van Staai de Melger, oud 15 jaar.

Horst na de oorzaak ondervraagd hebbende, zegt dat er op maandag den 16 dezer onder de kinderen die bij hem ingedeeld zijn, twist ontstond, het welk van s'avonds 7 tot 10 uur duurde, aan welke twist door hem Horst is getracht een einde te maken,
en als toen door Josephus van Staai de Melger,
na dat hij Trijntje Stevens ook had willen slaan,
werd aangegrepen en tegen de deur van het kamertje gegooid, dat dezelve uit de scharnieren is gesprongen en hierdoor gescheurd is geworden, en zodanig dat de splinters er afsprongen.

Josephus van Staai ondervraagd heeft gezegd, dat het nu niet het eerste, maar meermalen door Horst is geslagen geworden.

Baan Metzelaar ook bij Horst ingedeeld binnengeroepen, en ondervraagd, zegt dat Horst het eerst geslagen heeft.

Jacob Toornstra mede aldaar ingedeeld zegt dat Josephus van Staai Horst niet geslagen heeft maar de stok uit de handen van Horst heeft willen nemen, en hierdoor zijn zij beiden tegen de deur gevallen.

Trijntje Stevens ook aldaar ingedeeld ondervraagd zegt mede dat Horst niet door Josephus van Staai het eerst geslagen isgeworden, maar door het afnemen van de stok met hun beiden tegen de deur zijn gevallen.

De leden van dezen Raad geoordeeld hebbende hier van kennis te moeten geven aan den Raad van Tucht hebben alzoo de de vergadering gesloten en getekend

De president en leden
Idserda
A Crol
J Verhagen
P Soeverijn
Morriën


Bijlage 3: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 11-10-1839

Raad van Toezicht gehouden in kolonie No 2 op Vrijdag den 11 October 1839

Alle leden present.

Compareerde voor deze raad de kolonist Josephus van der Lugt woonende in kolonie No 1 hoeve No 90.
Zich beklagende dat hij met vrouw op Zondag den 29 september jl, des nademiddags, de westvierdeparten doorgaande op eene geweldige manier met aardappelen gesmeten,
en op onbetamelijke wijze gescholden is geworden en wel zodanig dat de vrouw van van der Lugt, aan het hoofd gekwetst is geworden,
hetwelk door den OnderDirecteur dezer kolonie onderzocht en naar waarheid bevonden is. -
en waar van, van der Lucht opgeeft de daders de navolgende

Josephus van der Staai de Melger oud 15 jaar ingedeeld bij Horst
Pier Piebes Haitsma oud 17 jaar ingedeeld bij van Duuren
Cornelis Onrust oud 16 jaar zoon van den kolonist J. Onrust op hoeve No 20
Adriaan van Dalen oud 17 jaar zoon van den kolonist van Dalen op hoeve No 23
Willem Lagcher oud 15 jaar zoon van den kolonist Lagcher op hoeve No 19

Na hun allen een voor een, en daarna tegen elkander ondervraagd en gehoord te hebben, is gebleken en door de getuige verklaard dat de schuldigen zijn
Josephus van Staai de Melcher
Cornelis Onrust
Willem Lagcher
Baan Metzelaar oud 12 jaar bij Horst ingedeeld
Arij van Gerfsum oud 18 jaar bij Boddedijk ingedeeld

En als geheel onschuldig verklaard
Pier Pijbes Haitsma
Adriaan van Dalen



Verders binnengeroepen Jan van Ham, zoon van den kolonist van Ham op hoeve No 14
Klaas Kraan zoon van den kolonist Kraan op hoeve No 12
als hebbende beiden zonder bekomen verlof van den kolonie geabsenteerd, en na de Dwingelo's kermis op de viool gaan speelen.
Hebbende zij beiden geantwoord dat zij niet gedagt hadden hier eenig kwaad mede te hebben gedaan.


Bijlage 4: Raad van toezicht van Willemsoord 16-10-1839

Raad van Toezigt
gehouden in kolonie N3.

Alle leden zijn tegenwoordig met uitzondering van wijkmeester van Buiten die ziek is


Wordt binnengeroepen Martinus Baas, voorkind van de vrouw van Machgielsen van hoeve No 154, die voor vier jaren geleden van kolonie No 2 is weggeloopen en in deze kolonie terug gekomen is; brengt ter verontschuldiging in dat eene zuster van hem ziek was, wien hij gaarne wenschte te spreeken, en die te Goes in Zeeland woont en waarheen hij geen pas kon bekomen.


Daarna worden binnengeroepen den kolonist Kramer van hoeven N147 en de vrouw van den kolonist Friess hoeve N146, waarvan eerstgemelde, door de laatste beschuldigd wordt, knollen van de Maatschappij die op de door hem bewoonde hoeve geteeld waren des nachts met een kruiwagen zijn weggebragt, hetgeen door Kramer ontkend wordt, dat ook wel geloof verdiend, uit hoofde men geen spoor dienaangaande heeft kunnen vinden en ook in knollen niet heeft kunnen ontdekken dat van dezelve onrvreemd waren.


Eindelijk komt nog binnen den kolonist A. Brinkman van hoeve N35, die beschuldigd is stroo te hebben verkocht, waarvan eene vrouw uit het heideveld achter Brinkman wonende (vrouw de Roode genaamd) verklaart gezien te hebben dat het stroo uit de woning van Brinkman weg gedragen is, en waarvan des ochtends de spooren van het weg gedragen stroo te vinden waren.
Brinkman ontkend zeer sterk zulks gedaan te hebben, maar de getuigenis van genoemde vrouw en stroo halmen die op zijn hoeve lagen, bewijzen genoegzaam dat hij zich wel aan de verkoop heeft schuldig gemaakt.

Aldus gedaan te Willemsoord den 16e October 1839
J. Hoving
J.H. de Nekker
Feskens
de Plot




BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag