Raad van Policie en Tucht in de Gewone Kolonien op

Woensdag den 11e September 1839


Alle leden zijn tegenwoordig met uitzondering van den Secretaris die om familiezaken afwezig is.

Wordt gelezen een proces-verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No. 1 van Dingsdag den 10 September 1839, waarbij ten laste wordt gelegd aan Cornelis Kok, Adrianus Soer en Christiaan van Eek, respectivelijk oud 15, 14 en 17 jaren, wortelen te hebben gestolen uit den tuin van den bij de Algemeene Directie geêmployeerde J: C: van Ledden Hulsebosch.

De beschuldigden worden binnen geroepen en op de aan hen gedane vragen of zij het bedoelde feit hebben bedreven, geven zij een ontkennend antwoord, voorwendende, dat zij een jong haasje hetwelk in een grep nabij het huis van Hulsebosch had gezeten wilden vangen.

De Raad gelet op de verklaring van Rika Aukes, die hen op de daad heeft betrapt
Overwegende, dat laatstgenoemd meisje alle geloof verdiend, houdt de genoemde jongelingen schuldig  aan het gepleegde feit en gelet op Art 2 § e en Art ?? § a van het Reglement van Tucht, waarbij opsluiting in de strafkamer van drie tot acht dagen op dat feit is gesteld.

Besluit

C: Kok, A: Soer en C: van Eek drie dagen opsluiting in de strafkamer op te leggen, hetwelk hun, zij daartoe binnen geroepen zijnde, wordt kenbaar gemaakt.



Vervolgens worden binnen gelaten Hannes Oostmeijer oud 18 jaren, Gabe Hoekstra oud 16 jaren en Lourens Augustijn oud 17 jaren, ingevolge vorenstaand proces- verbaal van den Raad van Toezigt beschuldigd van op Zondag morgen den 1e dezer maand te zijn ingebroken in het Algemeen Magazijn en woning van den Algemeen Magazijnmeester en voor zoo verre men heeft kunnen nagaan te hebben medegenomen een tarwen brood.

Gehoord de beschuldigden welke volstandig ontkennen aan de hun ten laste gelegde daad eenig deel te hebben.

De Raad, overwegende, dat de drie genoemde jongelingen op den bewusten Zondag morgen bij het huis van den Algemeen Magazijnmeester Lindeman gezien zijn,
Overwegende dat een op dien dag ondergaan verhoor nopens het door hun verrigte in den morgen van Zondag welke wegen zij waren gegaan en waar zij zich hadden opgehouden, niet overeenstemde, vooral wat de verklaring van Augustijn betrof in vergelijking van die der beide anderen
Overwegende dat onderscheidene voorwerpen, in het magazijn en in de woning van den Magazijnmeester Lindeman met bloed waren bevlekt
Overwegende dat Augustijn wonden van meerder of minder belang aan zijn hand had en zijn broek met bloed besmet;
Overwegende eindelijk dat Augustijn een bekende deugniet is, die meermalen voor den Raad heeft teregt gestaan en wel op den 21 Julij, 27 October en 10 December 1838 en Gelet op Art 2 § e en Art 3 § 3 van het reglement van tucht, waarbij overplaatsing naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit

Lourens Augustijn voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans te verwijzen, onder nadere goedkeuring der Permanente Commissie, terwijl Oostmeijer en Hoekstra worden vrijgesproken.



Daarop verschijnt voor den Raad volgens meermalen genoemd proces-verbaal Gerrit Tjalling Gerritsma oud 30 jaren, die op den 25 April JL voor den Raad was geroepen, wegens het kappen van een Dennenboom in het Sterrenbosch, doch toenmaals bij afwezigheid niet verschenen.

De beschuldigde ontkent immer eenig hout in het bosch te hebben gehakt.
Gehoord de getuigen Meijer van den Bosch, Verboom en Bresler, allen boschwerkers, welke verklaren gezien te hebben, dat den beschuldigde en geen ander, daar zij zelfs met hem hadden gesproken, de bedoelde boom heeft gehakt.
De Raad, overwegende, dat er geen de minste reden bestaan, om den afgelegde verklaring der genoemde getuigen in eenige twijfel te trekken, houdt het gepleegde feit  voor bewezen.
Gezien Art 2 § e en Art 3 § 3 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit

Gerrit Tjalling Gerritsma de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem, hij daartoe binnen geroepen zijnde, wordt kenbaar gemaakt.



Wijders wordt gelezen een Proces-verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No. 3 van den 5e dezer maand, houdende

1e klagte van Elias Godschalk Pothuis van te zijn geslagen door Abraham Ruben van Emden.

De Raad gehoord den beschuldigde, welke niet ontkent eenige mate handgemeen te zijn geweest met Pothuis, doch van weinig beteekenis – dat zulks in drift was geschied en hem daartoe door Pothuis aanleiding was gegeven, - dat hij met Pothuis verzoend was en zoo iets nimmer meer zou gebeuren.
Gehoord Elias Godschalk Pothuis wiens verklaring met die van van Embden overeenstemt.
Overwegende, dat de twist van weinig beteekenis moet zijn geweest, vermaand beiden om zich in het vervolg van zulke verkeerdheden te onthouden en laat hen hiermede, zonder verdere straf op te leggen, heen gaan.



2 Beschuldiging tegen Gosse Jager van zonder verlof de kolonien te hebben verlaten voor den tijd van drie dagen.

De Raad gehoord den beschuldigde, welke tot zijne verschooning inbrengt, den Onder-Directeur om een verlof pas te hebben gevraagd, die hem dezelve geweigerd had, als daartoe niet bevoegd zijnde.- dat zijn reis naar Groningen noodzakelijk was geweest te gevolge van de dood zijnen stiefvader.

Overwegende, dat hoewel de Raad wel genegen zou zijn, om Jager die zich anders goed gedraagt en wiens verklaring haar niet ongelooflijk voorkomt, van verwijzing naar de Ommerschans vrij te spreken, het reglement echter geen andere straf op zoodanige overtreding stelt.
De Raad dan gelet op Art 2 § d, en Art 3 § 2 van het Reglement van tucht, waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd  naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld.

Besluit

Gosse Jager met zijn huisgezin, onder nadere goedkeuring van de Permanente Commissie, voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans te verwijzen, hetwelk hem, hij daartoe binnen geroepen zijnde, wordt kenbaar gemaakt.



3. Beschuldiging tegen Evert Pronk, welke zich zonder bekomen verlof naar Veenhuizen heeft begeven.

De Raad gehoord den beschuldigde, welke verklaart niet te hebben geweten van een verlof pas te moeten zijn voorzien, van de eene Kolonie naar de andere, dat hij ook niet voornemens geweest was zoo ver te gaan, wanneer niet zijne moeder die hij eene eind weegs zoude brengen, ongesteld was geworden.

Overwegende, dat Pronk een nieuw Kolonist zijnde wel niet aan een verlofpas zal hebben gedacht, daar hij een zeer ondergeschikt kolonist is;
De Raad spreekt Pronk voor dit maal vrij, met hem even wel te doen opmerken, dat hij wel degelijk een verlof behoeft, om van de eene Kolonie naar de andere te gaan, waarnaar hij zich voortaan zal hebben te gedragen.



4: Beschuldiging tegen S: Lezier Balen van zonder bekomen verlof voor den tijd van 12 dagen zich te hebben begeven naar Rotterdam.

De Raad gehoord den beschuldigde, welke tot zijnen verschooning inbrengt, dat zijne reis geen uitstel had gedoogd en onvermijdelijk was geweest, ten gevolge de dood van een oom van hem, in wiens nalatenschap hij deelen kon en om meer andere famielle zaken van belang,- tot staving van zijn verklaring wordt door Balen overgelegd het hierbij gevoegd certificaat.

Overwegende, dat het Reglement geen vrijheid laat, om, in geval als het onderhavige, een andere straf dan verwijzing naar de Ommerschans op te leggen( hoewel zij daartoe anders, de bijzondere omstandigheden van het huisgezin van Balen in aanmerking nemende, wel genegen zou zijn.
Gelet op Art 2 § d en Art 3 § 2 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld.

Besluit

S. Lesier Balen met zijn huisgezin, onder nadere goedkeuring der Permanente Commissie voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans te verwijzen, hetwelk hem, hij daartoe binnen geroepen zijnde, wordt kenbaar gemaakt.

Aldus gedaan in den Raad voornoemd den 11e September 1839
J. van Konijnenburg
C. Hulst
Feskens
?????
S: Soevereijn
S. Bollen


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 10-09-1839

Raad van Toezigt gehouden in Kolonie No. 1

Dingsdag den 10 September 1839

Alle leden zijn  tegenwoordig.

En worden voorgeroepen:

Cornelis Kok, Adrianus Soer, en Christiaan van Eek, oud 15, 14 en 17 jaren, de eerste kolonisten zoon en de beide laatste bestedelingen, waartegen de klagte is ingekomen dat zij, in den morgen van den 2e dezer maand, zich hebben schuldig gemaakt  aan ontvreemding van wortels uit den tuin van den geemployeerde bij de Algemene Directie J. G. Hulsebosch.
Zij ontkennen het feit en geven voor, dat zij een jong haasje hetwelk in de nabijheid der woning van Hulsebosch in een grep zat, wilden vangen.
Rika Aukes getuigt echter hen op de daad betrapt te hebben.-



De onderstaande kolonistenzonen zullen gehoord worden omtrent het doordringen in de woning van den Algemeen magazijnmeester J. Lindeman, en in het Algemeen Magazijn, op zondag morgen den 1e dezer maand, door het breken eener glazen ruit, zijnde de deur der woning als die van het magazijn gesloten geweest, daar de magazijnmeester en zijn gezin naar de kerk waren gegaan.

Hannes Oostmeijer oud 18 jaren geeft op de daartoe gedane ondervragingen te kennen op zondag morgen, den 1e dezer van zijne woning, Hoeve 74 naar zijne zuster te Nijensleek te zijn gegaan en wel om 7 uur, het voetpad voor den kolonist Bijlaart zijne woning op, door het Sterrebosch en de drooge kom voorbij het logement en zoo vervolgens naar Nijensleek omstreeks 9 uur of half tien zegt hij weder naar huis te zijn gegaan langs de woning van den bakkersbaas Seelenhorst en het algemeen magazijn tot achter uit naar de brug bij Limbeek, en zoo vervolgens bij van Herpen om, waarna hij te huis gebleven is.-

Gabe Hoekstra oud 16 jaren zegt met Hannes Oostmeijer en Laurens Augustijn, des morgens om 7 uur naar Nijensleek gegaan te zijn en vandaar met hun om half 9 of 9 uur terug gekeerd te zijn, den weg nemende in het heengaan door het sterrebosch langs de drooge kom en het logement en in de terug reis voorbij de woning van Seelenhorst en langs het algemeen magazijn naar de brug bij Limbeek en van daar naar huis.

H. Oostmeijer wordt gevraagd naar de reden waarom hij telkens bij de strafkamer was geweest alwaar Laurens Augustijn in verzekerde bewaring was geweest, ter zake van her onderhavige geval, waarop hij antwoord om het een en ander met hem te spreken.-

Laurens Augustijn oud 17 jaren, zegt evenals de beide vorige om 7 uur naar Nijensleek gegaan te zijn van waar zij tusschen half 9 en 9 uur zijn teruggekeerd en het heen en terug gaan langs den zelfden weg – een half uur na de terugkomst van Nijensleek zijn zij bij Oostmeijer weder bij elkander gekomen en aldaar gezamenlijk op stroo gaan leggen.-



Nog wordt gehoord Gerrit Tjalling Gerritsma, zoon van de vrijboerin, de weduwe Gerritsma, die op donderdag den 25 April JL voor den Raad was geroepen, wegens het kappen van een dennenboom, hetwelk door de bosch werkers is gezien, doch toenmaals niet is hij verschenen.-
Hij ontkent de daad en op aanzegging van den president, dat hij, te dezer zake, op morgen middag ten 12 uur voor den Raad van Policie en Tucht moest verschijnen, geeft hij tot antwoord het daartoe veel te druk te hebben met zijn werk en hij zich weinig met zulke complimenten ophield waarop hem gelast wordt zich te verwijderen.-

Aldus gedaan in en Raad als boven

H. Faaken
J. Uhl
J. Visscher
S. Bollen
L. Mensink secrt


Bijlage 2: Raad van toezicht van Willemsoord 05-09-1839

De Raad van Toezigt gehouden in kolonie N 3

Alle leden zij tegenwoordig.

Wordt binnengeroepen Elias Godschalk Pothuis van Hoeve No. 108, die zich belaagt door van Emden in zijn huis te zijn geslagen.

Abraham Ruben van Emden kolonist van hoeve No. 117, daartoe binnen geroepen, verklaart met den kolonist Gutseloe van hoeve No. 87 naar Pothuis te zijn gegaan om dat Pothuis tegen een en ander Israëliet gezegd had dat hij bij Gutseloe varkensvleesch of spek zou gebruikt hebben,
en om deze zoo hinderlijke gezegde voor den Israëliet te doen ophouden is hij met Gutseloe (bij wie hij volgens zeggen het gebruikt zou hebben) naar hem gegaan die dit vertelde,
in plaats echter van elkander te verstaan, geraakten zij in twist, en wel dat van Emden eenige malen door Pothuis op de borst geslagen werd,
waarna eindelijk Van Emden hem tegen den grond gesmeten heeft;
Gutseloe die erbij tegenwoordig was heeft hun in deze drift gestuit en tegen gegaan dat ze elkander geen slagen meer konden toebrengen,
dat Pothuis nog weder beproefde om van Emden met een vuurtang te slaan.

Zoo dat volgens getuigenis van Gutseloe, die het gebruik van spek in zijn huis door van Emden, voor laster verklaart, Pothuis van dit voorgevallene de meest schuldige persoon is.



Daarna wordt binnen geroepen Gosse Jager hoeve No. 113, dei zonder verlof niet alleen, maar tegen verbod van den Onder Directeur drie dagen naar Groningen gegaan is, zonder den Adjunct Directeur wiens huis hij passeren en van wien de Onder Directeur gezegd had, dat hij verlof vragen moest, gevraagd te hebben en er zich nu brutaal op beroept, dat andere kolonisten wel eens verlof van den Onder Directeur bekomen hebben, dat ook wel naar Ommerschans als Veenhuizen of dergelijk klein verlof geschied is.



E. M. Pronk van hoeve 41 die zonder bekomen verlof zich twee dagen buiten de kolonie begeven heeft naar Veenhuizen, brengt ter verontschuldiging in, dat zijne Moeder wien hij op den weg zou brengen naar Veenhuizen (waardoor hij weinig of niets zou verzuimd hebben in zijn gewone werkzaamheden) hem verzocht had haar verder te vergezellen daar zij vreesde alleen niet goed over te komen, als zijnde dien weg haar geheel onbekend.
Zijne Moeder alleen te laten  gaan kon hij niet wel en is derhalve met haar naar Veenhuizen gegaan van waar hij den volgende dag terug gekomen is.
Pronk is een zeer geschikte kolonist om dien reden stelt de Raad deze zaak in gunstige overweging.



Eindelijk wordt nog binnen geroepen S. Lesier Balen, van hoeve N. 67 die zonder bekomen verlof de kolonie verlaten heeft, gedurende den tijd van 12 dagen en zich naar Rotterdam begeven.
Wel heeft hij den Onder Directeur om een verlofpas gevraagd die ochtend toen hij vertrokken is, doch ten antwoord bekomen deze van den Adjunct Directeur te moeten vragen, waarop Lesier Balen antwoorde die dag te moeten vertrekken,
dat hem door den Onder Directeur is afgeraden te doen, doch niet tegenstaande is genoemde persoon vertrokken met verzoek zijn pas na te zenden.
Het zoo verlaten der kolonie als ook van dat Balen voor eenige dagen den Adjunct Directeur te kennen gegeven had, geen verlof te verlangen, en hij nu vertrokken was zonder af te wachten of hem door den Raad verlof werd verleend, is hem door Z. E. geen pas kunnen worden nagezonden.
Balen hieraan herinnerd wordende, geeft te kennen dat na dien tijd een Oom van hem te Rotterdam overleden is, in wiens nalatenschap hij deelen kon en des vrijdags zonder uitstel aldaar tegenwoordig moest zijn, waarom hij beleefdelijk verzoekt zijn begaan misdrijf in gunstige overweging te nemen.

Aldus gedaan te Willemsoord, den 5 September 1839

J.L. Hoving
J: H: de Nekker
??
Feskens
S. de Plot


Bijlage 3: Verklaring over de noodzaak voor Lezier Balen om naar Rotterdam te gaan


L.S

De ondergetekende verklaard, dat den Adsistent Boekhouder der Colonie van Weldadigheid Willemsoord S. Lezier Balen.-

Om Famielje & zijne Coloniale belangen als mede ter verzekering eener storting van f 250,- ten zijnen behoeve benodigd indien hij met den Winkel begunstigd wierdt, alhier is geweest.-

Welke Storting door den WelEd Geb Heer M:  A. C. Juijnboll. zoude gedaan zijn.-

Rotterdam den 24 Augustus 1839
Joh. Seepers


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag