Raad van Policie en Tucht in de Gewone Kolonien van

den 18e Mei 1839


Deels transcriptie, deels (cursief) samenvatting.


Nav raad van toezicht van Frederiksoord van 15 mei:

- kolonist Dirk van Hoogmoed (K1H94): turf gestoken --> 8 dgn strafkamer

- ingedeelde Gradus Patings (K1H79), 21 jaar, 2 dagen weg geweest, want te Nijensleek gaan werken --> 3 dgn strafkamer



Voorts wordt gelezen een Proces-Verbaal van den Raad van Toezigt van kolonie No 2, van den 16e deze maand, houdende beschuldiging tegen den kolonist P. van der Korst hoeve no 75, als onderscheidene schulden te hebben gemaakt bij zijn verlof, goederen welke hem voor de ingedeelde Putto waren mede gegeven, zoek heeft gemaakt, en eindelijk dat zijn beddengoed door den Onderdirecteur in eenen zeer slegte staat is bevonden.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde kan hij niets tot zijne verschooning inbrengen.

De Raad in aanmerking nemende dat dat huisgezin zeer slordig en ordeloos is, en daarbij gelet op Art: 2 § g en Art. 3 § 4 van het Reglement van Tucht
Besluit
P. van der Korst met zijn huisgezin voor eenen onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, hetwelk hem hij daartoe binnengeroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: Gratis uit Zwolle overgenomen - Als ik mij niet bedrieg heb ik dit huisgezin bij mijn laatst ?? zeer slordig genoemd.


- kolonist Klaas Loenen (K2H81), beddegoed ook erbarmelijk en huisraad verdwenen. In onderzoek



Bijlage 1: Raad van toezicht Frederiksoord 15-05-1839


GEEN transcriptie


Bijlage 2: Raad van toezicht Wilhelminaoord 16-05-1839

Raad van Toezigt gehouden in kolonie No 2 op Donderdag den 16 Mei 1839

Alle leden présent.

Wordt binnengeroepen om voor den Raad te compareren den kolonist Petrus van der Korst, wonende in de derde wijk op hoeve no 75.
Wegens door hem in Zwolle gemaakte schulden blijkens een hierbij overgelegde brief van de weduwe Baden.
Hem ondervraagd hebbende, heeft geantwoord dat deze schulden door zijn zoon zijn gemaakt in der tijd toen dezelve in Zwolle in garnizoen lag.

Verder hem ondervraagd hebbende na de goederen en geld welke hij heeft mede gekregen van de zuster van den ingedeelden M Putto volgens hier bij overgelegde brief als toen ter tijd bij hem ingedeeld:
Heeft geantwoord dat hegeen hij had mede gedragen bestond
in 3 à 4 pekelharingen welke hij onderweg had weggeworpen
een stukje kaas hetwelk hij onderweg had opgegeten
en f 1.-  aan geld waarvoor hij volgens verlangen van de zuster van M. Putto vleesch zoude kopen zulks gedaan heeft en van Meppel een schapebout had medegebragt die bij zijn 't huiskomst zaamen door hun is gebruikt geworden.

Wijders wierd hij ondervraagd, welke redenen er bestonden, dat den Onderdirecteur bij onderzoek gebleken is, het beddegoed bij hem van der Korst in zoo een geringe en slegte staat was, daar zij sterk zijn 7 zielen er er slechts aan beddegoed in zijn huis aanwezig is:
- 1 ½ beddezak
- 1 slecht laken en
- 1 ?? 2 dekens welke niets waardig waren
Hierop heeft hij niets weten in te brengen.


Wierd wijders binnegeroepen den kolonist Klaas Loenen, wonenden in de 3e wijk No 61.
Bij welke evenals bovengemeld het beddegoed aan hem als 1e mise bij zijn aankomst in novemb 1836 uitgereiktmet meerder huisraad niet meer voorhanden word gevonden.
Om welke redenen hij reeds vroeger door het verkopen van huisraad voor den Raad heeft moeten compareeren, en toen gestraft is geworden met opsluiting in de strafkamer.-
het bij hem aanwezig zijnde beddegoed bestaat tans in een zeer slegte deken, zonder beddezak, nog kussens nog lakens, met een woord: er is niets voorhanden.


Bijlage 3: Brief van de weduwe Baden uit Zwolle


Op de envelop:
Aan De WelEdele Heeren de Heeren de Heeren opzienders van het Gestigt Frederiksoort Agter Steenwijk

Zwolle, den 12 April 1839

Zeer Waarde Heer!

De ondergetekenne moet ik UEd bekend maken, dat alles UEd de persoon en vrouw bekend is, namelijk Piet van der Kost aarbeider op Frederiksoort, daar zij onderscheiden maalen de vrouw of de man kwam om pension te halen, en bij de ondergetekenne kwam met groote beloften om haar te betalen naar haar zegen te Zutphen,

haar of haar man verversching hebbende gegeven, en ik een arme en ongelukkige weduwe zijnde die een Kroegje heeft, daarbij 3 Gulden verteerd hebbende,
en al op den beloften voort gegaan zijnde, op voorwentzels dan dit en dat te moeten betalen,
niet alleen aan vertering en melkanderen te behelpen met slapen, maar daar en boven 63 slokjes ieder van 3 Cent opgenomen hebbende,
ook geleend geld de som van 15 stuivers, en soms ook met een half oort of oort meede genomen hebbende,-
alweer op de ontvangst van het geld van Zutphen, maar ik zou UEd wel meer kunnen schrijven, dat zal ik maar tot nader order zwijgen, namelijk zoo als zulken afzetters gaat, of zij het maar van rijk of arm kunnen krijgen,

Gedenk eens een ongelukkigen Wed zoo te behandelen is hart, die van zulken kleingheden moet leven, en met mooije woorden gepaaide en afgezet te worden,

Ik zou dan UEd wel meer kunnen schrijven als ik maar zelf in staat was, hoe de vrouw mij behandeld heeft, zeerderd rijkelijk 7 maand heb ik haar man niet gezien of gehoord, omdat zij mij en haar familie slecht behandelt heeft, weten zij zich niet nauwelijks ergens onder dak te begeven,
als het mogelijk is zoo doet UEd u best dat ik doch iets mogte vergoed worden, want ik bin er grootelijks om verlegen,
gedenk onbekend aan een ongelukkige weduwe, die de ouderdom van 71 jaar bereikt hebbende en bijkans blind zijnde en dan van zulke menschen zoo slegt behandelt te worden is zeer onaangenaam.

Blijve in verwagting te noemen,
X bekenne niet kunnen schrijven dit is mijn handtekenne

Mijn Adres is
Aan
de Wed Baden
buiten de diezerpoort
in de Molenstraat
te Zwolle


Bijlage 4: Brief namens voormalig ingedeelde Jacomina Johanna Putto


Op de envelop:
Aan De Raad van het 7e gestig te Vrederig oord


Acht Bare Heere
Met Eer bied moet ik u mijn Zaak Open baren daar ik Zoo aan te Kort Bend gekomen Van Van der Korst die in 1838 na Zutphen is geweest om Zijn penssoen te halen 

En over Deventer is gegaan bij mijn familie

En daar aan hem Voor mijn geeven Een Stuk Kaas van Der dalf pond, 9 pekelhezeren
En aan geld 1 gulden 75 Cents en daar niet Van gekregen

Zoo Zouwe Wij u Vriende Lijk Voor Zoeken om dit aan mijn Zuster door hem en Zijn vrouw die Beijde het ontfangen hebben Weer mogen te Vergoeden

ik blijf U onder daniege diennaar
J: de Bode politie Bediende


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag