Raad van Policie en Tucht in de gewone koloniën op den 25e November 1837


Alle leden zijn tegenwoordig.

Wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van Toezicht van Kolonie No 1 van den 16e dezer maand, houdende beschuldiging tegen den Kolonist Isaak Johannes Kok welke zich zoude hebben schuldig gemaakt aan dronkenschap.
De beschuldigde binnen geroepen wordende, blijkt het dat hij niet is verschenen waarom de Raad hem voor schuldig houdt.
De Raad gelet op Art 2 § c en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij van drie tot acht dagen opsluiting in de strafkamer wordt bepaald
Besluit
aan I.J. Kok de straf toe te wijzen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.

Verder wordt gelezen een Proces-verbaal van denzelfde Kolonie van den 24e dezer maand, houdende beschuldiging tegen Geertrui, dochter van den Kolonist Johannes Franken oud 20 jaren, van onzedelijk te hebben omgegaan met den bestedeling Johannes Scheffer (welke vroeger bij hun was ingedeeld, doch thans als Milicien in dienst is) ten gevolge waarvan zij zich in een zwangere toestand bevindt.
De beschuldigde Geertrui Franken binnen geroepen zijnde, bekent zij haar misdrijf.
De Raad gelet op Art 2 § f en Art 3 § 2 waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans op diergelijke misdrijven is gesteld,
Besluit
Geertrui Franken voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans te verwijzen, waarop de goedkeuring van de Permamente Commissie zal worden ingewacht.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt haar zulks kenbaar gmaakt.

Nog wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezicht van Kolonie No 2, van den 30 October 1837, houdende beschuldiging tegen Ruurt Bloksma, oud 37 jaren, bestedeling van Sneek, en ingedeeld bij den Kolonist H. Poelstra welke eigendunkelijk zonder bekomen verlof de Koloniën heeft verlaten.
Den beschuldigde binnen geroepen zijnde, bekent zijn misdrijf, gevende daarbij te kennen, dat hij heen was gegaan hoopende dat zij hem te Sneek zouden houden, waarin hij echter niet geslaagd is.
De Raad gelet op Art 2 § d en Art 3 § 2 waarbij overplaatsing naar de Ommerschans wordt bepaald en daarbij in aanmerking nemende, dat hij een zeer ongeschikt persoon voor de gewone Kolonièn is,
Besluit
Ruurt Bloksma voor eenen onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.
Den beschuldigde binnen geroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.

Verder wordt gelezen in het zelfde Proces-verbaal van den 30 October JL houdende beschuldiging tegen Jan Kleene oud 18 jaren, ingedeeld bij de Wed Brada, als hebbende een bewijs van den Adjunct-Directeur om aan hem  f 15.- door den Onder Directeur van zijne spaarpenningen uit te betalen eigendunkelijk verranderd op f 25.- welke laatste som hij dan ook van den Onder Directeur genooten heeft.
De Adjunct Directeur zegt dat hij, ofschoon strijdig met de bepaling van de Permanente Commissie die f 15.- aan hem had toegestaan, omdat hij te kennen gaf daarvoor eenig beddengoed tot ondersteuning van zijne pleegmoeder in de huishouding te willen koopen (waaraan hij echter niet voldaan heeft, daarbij in aanmerking nemende dat hij ruim f 100.- te goed had).
Den beschuldigde binnen geroepen zijnde, wil tot zijn verschooning inbrengen, dat hij begreep van die verandering geen kwaad te hebben gedaan, daar het zijn eigendom was.
De President brengt hem onder het oog, dat het zijn eigendom niet is voor dat hij 21 jaren oud wordt, en dus zulks als eene ontvreemding kan woden beschouwd.
De Raad, gelet op Art 2 § e en Art 3 § 3 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in den strafkamer benevens dubbele vergoeding van het ontvreemde is bepaald op diergelike misdrijven,
Besluit
Jan Kleene de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer en om het dubbelde van het vervalschte, dus f 20,- van zijne te goed hebbende spaarpenningen af te schrijven.
Den beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.

Verder wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezicht te Willemsoord van den 24 October JL, houdende de beschuldiging tegen Johanna, dochter van den Kolonist de Lange Hoeve 44 en Magdalena Maria, dochter van den Kolonist Mulder, Hoeve 48, welke elkander op het land zouden hebben geslagen.
Johanna de Lange wordt binnen geroepen, en verklaart dat zij dit gedaan had omdat M.M.Mulder haar gescholden had.
Magdalena Maria Mulder binnen geroepen zijnde, brengt hare onschuld in, waaruit de Raad gebleken is, dat Johanna de Lange geheel schuldig is, waarbij de President haar onder het oog brengt, dat zij zich, zoo zij al gescholden was, daarover bij de Directie had kunnen beklagen, maar niet een meisje dat met haar in jaren zoo veel verschilde, had moeten slaan.
De Raad, gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer is bepaald,
Besluit
Johanna de Lange de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer hetwelk haar zij daartoe binnengeroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt.

Verder wordt nog gelezen in hetzelfde Proces verbaal de beschuldiging tegen Vrouw van Jeveren welke den Opziener Pieter van der Veen zoude hebben gescholden.
Pieter van der Veen binnengeroepen zijnde, verklaart dat hij twee zoonen van van Jeveren welke op het land oneenig waren van elkander had gehaald en de vrouw van van Jeveren daarop was aangekomen, en hem gescholden had.
De vrouw van van Jeveren, binnen geroepen zijnde, wil zij nog veel tot hare verontschuldiging inbrengen; de Raad houdt haar echter voorgeheel schuldig
Daar nu vrouw van Jeveren vergeving wil vragen aan P. van der Veen voor hare driften en de Raad daarbij in aanmerking neemt dat zij drie kleine kinderen heeft, welke de dagelijkse hulp van de moeder noodig hebben,
Besluit
Vrouw van Jeveren voor dit maal vrij te stellen van de straf bepaald bij Art 2 § b en Art 3 § 1 van het Reglement van tucht, doch haar met eene ernstige vermaning heen te laten gaan hetwelk haar zij daartoe binnen geroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt.

Eindelijk wordt nog gelezen hetzelfde Proces verbaal de aanklagten van de Kolonisten A.M. Boas en B.L. Matteman, welke zich beiden beklagen van den eenen, door den anderene, onderscheidene malen beledigd te zijn geworden.
Den Raad, beiden Kolonisten gehoord hebbende, houdt ze beiden ook voor schuldig, waarbij zij echter in aanmerking neemt, dat Matteman met meerdere Kolonisten oneenig is geweest, en derhalve zeer lastig is, waarom zij besluit, Matteman naar eene andere hoeve te doen verhuizen en hun beiden verder met eene ernstige vermaning heen te laten gaan, om zich voortaan rustiger te gedragen hetwelk hun zij daartoe binnen geroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt.

Aldus gedaan in den Raad te
Frederiksoord den 25 November 1837
J. van Konijnenburg
(onleesbaar)
(onleesbaar)
(onleesbaar)
D.K.de Vries
dit + is de handteekening van H.Volkering
van Marle
secretaris
 

Bijlage 1: Raad van toezicht in Kolonie 1
Donderdag den 16 November 1837

Al de leden zijn tegenwoordig.
Voor den Raad zijn geroepen, als beschuldigd van onzedelijken omgang gehad te hebben met Hermina en Geurtje, oud 27 en 24 jaren, dochters van den kolonist Johan Hendrikus Bodenstaf, ten gevolge waarvan zij zich in zwangeren staat zouden bevinden; en worden, ieder afzonderlijk, binnen gelaten en gehoord:
Hendrik Willem Rietberg oud 24 jaren,
en Gilles Hahn, oud 22 jaren, zoons van de kolonisten van dien naam.-
Beiden belijden volmondig de waarheid van de tegen hun ingebragte beschuldiging, en wordt hun aangezegt om in de eerstvolgende zitting van den Raad van Tucht in de gewone koloniën, nader terecht te staan.-
De meisjes zijn verschoond om voor den Raad te verschijnen. Hermina wegens ziekte en Geurtje om hare beheptheid met zenuw-toevallen.-

Voorts is binnengeroepen en gehoord:
Isaak Johannes Kok, gewoon kolonist, oud 51 jaren, als beschuldigd van dronkenschap, om welk misdrijf hij reeds vroeger voor den Raad heeft teregt gestaan.-
Kok bekent zijn schuld en brengt in, dat hij, als getuige bij het op 29 October jl voltrokken huwelijk van den kolonist Adrianus van den Brink, wat lang in het gemeente-huis te Vledder is blijven zitten, omdat het aanhoudend regende, denkende de bui  te laten voorbijgaan en dat hij bij het heengaan door de gebruikte sterken drank is bevangen geraakt.- Hem wordt aangezegd om zich in de eerstvolgende zitting van den Raad van Tucht in de gewone koloniën, over zijn gehouden gedrag nader te verklaren.-

Aldus gedaan in den Raad en na voorlezing onderteekend te Frederiksoord ten dage als boven
H. Faaken
J. Visscher
J Mulder
D.K.de Vries
M Smit, secrt.

Bijlage 2: Raad van toezicht, gehouden in Kolonie N 1. Vrijdag den 24 November 1837

Al de leden zijn tegenwoordig en gezeten zijnde wordt binnengeroepen;

Geertrui, oud 20 jaren, dochter van den kolonist Johannes Franken, die, na daarover ondervraagt te zijn, de bekentenis aflegt, dat zij zwanger gaat, ten gevolge van gepleegden onzedelijken omgang met
Johannes Scheffer, mede oud 20 jaren, bestedeling van Schiedam, sedert 17 October ingedeeld geweest bij het huisgezin harer ouders en den 20 Julij jl als Miliciën in dienst getreden.-
Ten gevolge dezer verklaring wordt Geertrui Franken verwezen naar de Raad van Tucht
in de gewone Koloniën.-

En is hiervan opgemaakt proces verbaal, dat na voorlezing is onderteekend in den Raad,
te Frederiksoord, ten dage als boven.
H. Faaken
J. Visscher
J. Mulder
D.K. De Vries
M. Smit, secrt.

Bijlage 3: Raad van Toezicht gehouden in kolonie No 2 op maandag den 30 october 1837

Alle leden present zijnde, compareerde Ruurt Bloksma oud 37 jaarbestedeling van Sneek onder het bisNo 159, ingedeeld bij den kolonist H. Poelstra invalide van de 1e graad, wonende in de 2e wijk 1e sectie hoeve No 44.
Dat hij op donderdag den 19 october ll heimelijk de kolonie heeft verlaten
de reden die hij voorgeeft hiervan te zijn, bestaat dat hij met zijn huisvader in onmin leefde, dat hij zijne voeding niet konde verdienen. Zoo heeft hij zich na Sneek begeven om met zijn besteders hierover te spreeken, en is op zaturdagavond den 22 october vrijwillig weder in de koloniën terug gekomen, bij voorn. zijn huisvader.

Verders binnengeroepen Jan Cleeve oud 18 jaar wees van Utrecht ingedeeld bij de Wed: Brada valide koloniste wonende in de 2e wijk 3e sectie hoeve No 66.
Zich schuldig gemaakt hebbende aan het veranderen van een cijfferletter van de som welke hem toegestaan was van zijn tegoed hebbende spaarpenningen te ontvangen en een somma van f 15:- is door hem veranderd in f 25:- welke ook aan hem door den Onderdirecteur van kolonie No 2 zijn uitbetaald
Hem Jan Cleeve ondervraagd hebbende om welke redenen hij die verandering gemaakt had, heeft geantwoord
Dat hij volstrekt niet wist dat hij hier kwaad aan deed, vermits het zijn spaarpenningen waren, en in de spaarbank een tegoed had van f  (ruimte opengelaten) van welke gelden hij noch nimmer eenig geld gevraagd of ontvangen had.
Verders zegt geld benoodigd te hebben tot het aankoopen van kleedingstukken.
Zoo verzoek hij den Raad verschoning voor deeze door hem onweetend gedane misslag, als zijnde hij acht jaren in de kolonien en nimmer eenige straf gehad heeft.

De Raad geoordeelt hebbende deezen interrogatieve aan den Raad van Tucht te moeten mede deelen heeft den President den Raad gesloten op dag en jaar voormeld
Den OnderDirecteur A.H. Idserda
J. v. Hagen
Hoedt (?)
+ dat is het handmerk van H.Volgering welke niet anders kan teekenen
Morriën secr

Bijlage 4: Raad van toezicht gehouden in Kolonie N 3

Alle leden zijn tegenwoordig.
Wordt binnengeroepen Johanna dochter van den Kolonist de Lange H 44, welke de dochter van den Kolonist Mulder H 43, genaamd Magdalena Maria op het land waar zij beiden aardappelen rooiden, geslagen heeft, ten gevolge waarvan laatst genoemde buiten kennis is geraakt en daarna is ziek geworden.
Eerstgenoemde is 26 en laatst genoemde 15 jaren oud.
Zij brengt dit ter verontschuldiging in, dat M.M. Mulder haar heeft uitgescholden, waarop
haar wordt te kennen gegeven, dat zij daarom dat meisje wel had kunnen verklagen, maar zij
geen regt had haar te slaan.

Daarna worden achter een volgens binnen geroepen de Kolonisten M.M. Boas H 119 en B.L. Matteman H 122, Beide brengen hun beklag in, en verzoeken  dat hun regt zal worden gedaan.
Boas heeft Matteman ten aanhoren van anderen verweten dat hij te Amsterdam in het werkhuis heeft gevangen gezeten en Matteman wederkeerig aan Boas niet alleen hetzelfde maar ook dat hij aldaar op het schavot is gestraft geworden.
Ten einde aan deze dagelijksche twist tusschen deze beide jooden een einde te maken is het de raad voorgekomen en stelt zulks bij deze voor, Matteman naar een ander wijk overteplaatsen,
terwijl deze en zijne vrouw meer de aamleidende oorzaken, tot ongenoegen in de buurt zijn.

Nog komt binnen Pieter van der Veen H 9, welke zich beklaagt door de vrouw van den Kolonist van Jeveren H 10, grovelijk beleedigd te zijn.
Vrouw van Jeveren binnen geroepen zijnde, zegt dat van der Veen, zoo wel haar als zij hem heeft uitgescholden.
De Raad oordeelt daar niet onschuldig zijn en beiden gelijk meenen te hebben hieraan niet veel  te doen is.

Eindelijk nog wordt de vrouw van den Kolonist Scholte H 51 binnen geroepen, die de
vrouw van den wijkmeester Koppe geslagen heeft bij het ontvangen van brood, en haar toegevoegd gij zult buiten de Kolonie indien ge misschien niet te eten zult hebben, nog wel eens
aan de Kolonie, waar gij nu uit moet denken.
Genoemde koloniste vrouw zegt de wijkmeesters vrouw niet te hebben geslagen, hetgeen echter, door den bestedeling W.P.J. Scheffer uit H 159 is gezien geworden.

Aldus gedaan te Willemsoord 24 October 1837
P. Postema
A.C. Koppe
J.H. de Nekker
H. Klaassen
J. de Plot  secr.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag