Raad van Policie en tucht in de Gewone Koloniën op den 7 October 1837


Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No 1 van den 20 September jl houdende beschuldiging tegen den kolonist Willem Adriaan Martijn, welke zich onderscheidene malen van dronkenschap en daaruit voortvloeijende oneenigheden met zijne medekolonisten zoude hebben schuldig gemaakt.

De Kolonist W.A. Martijn op den 27e September JL gedeserteerd zijnde is dus niet voor de Raad verschenen.

De Raad gelet op Art. 3 § 2 waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans op diengelijke misdrijven is gesteld

Besluit

W.A. Martijn met zijn geheele huisgezin te verwijzen naar de Ommerschans welke overplaatsing zal geschieden onder goedkeuring van de Permanente Commissie na zijne terugkomst.



Verder wordt gelezen een Proces vebaal van denzelfde Kolonie van den 29 September JL houdende beschuldiging tegen Catharina Ciri huisvrouw van den Koionist Franciscus Johannes Le Loux welke eigendunkelijk op den 19 September haar huisgezin zoude hebben verlaten en zich met de Kolonist P.J. Heijdt van Kolonie No 2 buiten de Kolonien heeft begeven, waarvan zij in den nacht van den 21e weder is  terug gekeerd.

De beschuldigde binnen geroepen zijnde, bekent zij haar misdrijf en geeft daarbij te kennen dat zij zulks zoude gedaan hebben uit vrees voor haar man, welke te veel zoude gedronken hebben en dan zeer ongemakkelijk was.

De Raad neemt in aanmerking dat het zeer hard zoude zijn voor man en kinderen bij eene verwijzing naar de Ommerschans van het huisgezin.

Besluit:

De vrouw van F.J. Le Loux met eene ernstige vermaning van den President voor het voor het gevolg heen te laten gaan, hetwelk haar zij daartoe binnen geroepen zijnde wordt kenbaar gemaakt.



Nog wordt gelezen in hetzelfde Procesverbaal de beschuldiging tegen Pieter, de zoon van den Kolonist Broer van Belkum oud 14 jaren, welke ongehoorde uitdrukkingen zoude gedaan hebben tegen een nichtje van de Adjunct Directeur Hulst betreffende genoemde Adjunct Directeur.

Den beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent hij zijn misdrijf, zonder verder iets tot zijne verschooning in te brengen.

De Raad gelet op Art 2 § a en Art 3 § 1, waarbij opsluiting van drie to acht dagen op diengelijke misdrijven is gesteld.

Besluit

Pieter van Belkum de Straf toe te wijzen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, het welk hem hij daartoe binnengeroepen zijnde wordt kenbaar gemaakt, met vermaning van den President om zich voortaan beter te gedragen.



Voorts wordt gelezen een Proces verbaal van den Onderdirecteur van Kolonie No 2 van den 21e September JL, inhoudende het doen van onderzoek naar het verblijf van den Kolonist Pieter Johannes Heijdt, welke op den 19e dier maand met de huisvrouw van den Kolonist Le Loux was weggeloopen.

Daarbij het doen van onderzoek te Vinkenga, de Onder Directeur hem heeft zien ontvlugten, doch het hem niet gelukt is genoemde Kolonist in handen te krijgen.

De Raad gelet op Art 2$d en Art 3$ 2 waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de ommerschans op diengelijke misdrijven is gesteld.

Besluit:

P.J. Heijdt bij zijne terugkomst met zijne geheele huisgezin naar de Ommerschans te verwijzen onder nadere goedkeuring van de Permanente Commissie.



Verder wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No 2, van den 21 September JL benevens eene aanklagt van den Adsessor L.A. Bovenkamp, houde beschuldiging tegen:
Leonard Zuurveld oud 13 jaren
Gerrit ten Hulscher oud 16 jaren
Frans Kemper oud 12 jaren
Jan Stoffels oud 18 jaren
Jan Zwaan oud 13 jaren
Jan Ruzon oud 15 jaren, en
Jan Wuderholt oud 12 jaren
welke allen baldadigheid zoude hebben gepleegd, met schreeuwen enz. bij het passeeren van de weg door de genoemde Adsessor met zijn rijtuig, waardoor de paarden aan het hollen zijn geraakt.

De beschuldigden allen binnen geroepen zijnde wil de eene de schuld nog wel op de andere schuiven.

De Raad houdt het er echter voor, dat ze allen even schuldig zijn, en gelet op Art 2 § b en Art 3 § 1, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen op diengelijke misdrijven is gesteld.

Besluit

Leonard Zoorveld, Gerrit ten Hulscher, Frans Kemper, Jan Stoffels, Jan Zwaan, Jan Ruzon en Jan Wuderholt, ieder de straf toe te wijzen van vijf dagen opsluiting in de Strafkamer, hetwelk hun, zij daartoe binnen geroepen zijnde, door den President wordt kenbaar gemaakt, onder de noodige vermaning om zich voortaan beter te gedragen.



Nog wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No3 van den 22 September JL houdende beschuldiging tegen Jan Bleessie welke de mest uit zijne stal in de nacht buiten de Koloniën zoude hebben vervoert op een stuk land, hetwelk hij van een boer zoude gehuurd hebben.

De beschuldigde binnen geroepen zijnde bekent hij zijn misdrijf, daarbij te kennen gevende, dat hij niet wist daaran zoo veel misdaan te hebben.

De Raad gelet  op Art 2 § 1 en Art 3 § 3, waarbij dubbelde veergoeding van het ontvreemde, benevens overplaatsing naar de Ommerschans op diengelijke misdrijven is gesteld.

Besluit:

Jan Bleessie met zijn huisgezin voor een onbepaalden tijd  te verwijzen naar de Ommerschans benevens dubbelde vergoeding van het ontvreemde gerekend tegen fl – het voer zullende het getal voeren door den Onder Directeur begroot worden en deze vergoeding gekweten worden uit zijne reserve.

De beschuldigde binnen geroepen zijnde wordt hem zulks onder nadere goedkeuring van den Permanente  Commissie kenbaar gemaakt.



Eindelijk wordt gelezen in hetzelfde Proces verbaal de beschuldiging tegen Martinus Pieter, zoon van de Kolonist M. Jasper welke den 25e Maart JL een verlof had bekomen in den Kleinen Raad om met zijne moeder voor een tijd van veertien dagen naar Leiden te gaan, en zich in dien tijd bij een boer te Soestdijk had verhuurd, alwaar hij tot de 14e September is gebleven.

De beschuldigde binnen geroepen zijnde , verklaart dat zijne moeder gedurende den verloftijd ziek was geworden en daar hij haar niet ziek wilde achterlaten, en het ledig loopende hem vervelende had hij zich aldaar verhuurd, waarvan hij niet weder was terug gekomen op het schrijven van zijn moeder uit hoofde zijn moeder ongesteld was geworden.

De Raad gelet op Art 2 § d & Art 3 § 2 waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans op diengelijke  misdrijven is gesteld.

Besluit

M.P: Jaspers voor eenen onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.
Den beschuldigden binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



Eindelijk komen nog binnen Evert en Sijmen van der Hulst van Kolonie No3, welk beide in den Raad van den 19 Augustus JL, niet zijn verschenen, maar in plaats van hen de Ouders.

De beschuldigden ondervraagd hebbende, is het de Raad niet genoegzaam bewezen dat zij zich aan het ontvreemden van aardappelen zouden hebben schuldig gemaakt.

De Raad in aanmerking nemende dat Bleessie ook wegens zijne eigene misdaden weinig geloof verdient.

Besluit

Evert en Sijmen van der Hulst met eene ernstige vermaning voor het vervolg heen te laten gaan hetwelk hun zij daartoe binnen geroepen zijnde door den President wordt kenbaar gemaakt

Aldus gedaan in den Raad te Frederiksoord, den 7 October 1837.


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 20-09-1837

Raad van Toezigt, gehouden bij Kolonie N1, op woensdag den 20 September 1837

Van eerste gedeelte zitting geen transcriptie

(...)

zich zouden schuldig maken aan het verruilen van rogge tegen sterken drank met den herbergier Schieboom te Nijensleek, over welk punt ook de kolonist Seelenhorst is gehoord en dat voorts door den Onderdirekteur is onderzocht geworden, die het er voor houdt dat het slecgts vuige laster van Martijn zoude wezen.

Martijn brengt het volgende ter zijner verschooning in:
1e  Dat de de twist met Seelenhorst niet zoo hooggaande is geweest als hem wordt ten lasten gelegd en dat hij ja wel een borrel gedronken had bij het koopen van eenige ververschingen voor zijnen vrouw, maar niet dronken kon genoemd worden;
voorts dat hij zoo zeer geen twist heeft gezocht of gemaakt, maar aan Seelenhorst en diens vrouw zijne gevoeligheid heeft te kennen gegeven, wegens het geven van verkeerde inlichtingen aangaande zijn huishouding van zijnen familie te ’s Hage, waardoor hij meent zich nog al benadeeld te zien.
2e  Dat C. Oosterveen hem niet dronken, maar van vermoeidheid, door het kwalijk gaan uitrustende en zittende aan de weg heeft gevonden en toen met hem naar huis is gewandeld en hem in het dragen van een pak met winkelwaren behulpzaam is geweest.
3e  Dat de weezen zeer ondeugend zijn en zich ongegrond over welverdiende bestraffingen beklagen.
4e  Dat zulks een verzonnen leugen is van Veldmeijer en allen die het meer zeggen.

Martijn wordt aangezegd om nader voor den Raad van Tucht teregt te staan.


Bijlage 2: Raad van toezicht van Frederiksoord 29-09-1837

Raad van Toezigt, gehouden in Kolonie N.1, op vrijdag den 29 September 1837

Al de leden zijn tegenwoordig.

Wordt binnen geroepen Catharina Ciri, oud 24 jaren, huisvrouw van den gewonen kolonist Franciscus Johannes Le Loux, die beschuldigd is van op de 19 dezer maand haar huisgezin te hebben verlaten en in den nacht van den 21e is teruggekomen.
Voorts gaat deze vrouw nog verdacht van in ongeoorloofde verstandhouding te staan met den kolonist Heijdt van Kolonie N2, die te gelijkertijd zijn huisgezin heeft verlaten en tot op heden niet is teruggekomen.

Catharina Ciri geeft als reden van haar wegloop op eene twist, die zij met haren man zoude gehad hebben, en die zoo hoog liep, dat zij het geraden oordeelde het huis te verlaten, te meer, daar haren man een borrel te veel gedronken hebbende, dan zeer knorrig en oploopende van drift is.
Zij ontkent voorts alle verstandhouding met den kolonist Heijdt, hoewel zij niet kan ontveinzen van met hem op den markt te Noordwolde te hebben gedanst, nog toen haar man reeds naar huis was gegaan.

Haar wordt aangezegd, om in de eerstvolgende zitting voor den Raad van Tucht teregt te staan.



Voorts wordt onderhouden de kolonistenzoon Pieter van Belkom oud 14 jaren, die zich niet geschaamd heeft van in de voorige week een meisje, die hij aanzag voor eenen dochter van den Heer Adjunct directeur C. Hulst, onder anderen op den weg toe te voegen, dat hij verlangde dat haar vader werd opgehangen aan den hoogste boom, die er in de kolonie stond.

Pieter van Belkom, een voorbeeld van ondeugendheid weet niets anders in te brengen, dan dat het waarheid is, dat hij zulke uitdrukking gedaan heeft.

Ook  deze jongen wordt aangezegd om voor den Raad van Tucht teregt te staan.

Ondertekening
H. Faaken
J. Visscher
D K de Vries
M. Smit Secr


Bijlage 3: Verslag door onderdirecteur Idserda

OP heden den 21 September des Jaars 1837 hebben wij Ondergetekende Onder Directeur van Kolonie No 2 ons begeven op bekomen informatie na de woning van den Kolonist Pieter Heidt, wonende in voorn. Kolonie in de 1e Wijk 3e Sectie hoeve No 35 ten einde ons te verzekeren of voornoemde Kolonist voortvluchtig was met de huisvrouw van den Kolonist Leloe, wonende in de 3e wijk van Kolonie No 1.

Vernomen hebbende dat zulks de waarheid was, hebben wij ingevolge bekomene orders van den Heer Adjunct Directeur, gelast den Wijkmeester Crol van Kolonie No 2 en den wijkmeester Mulder van Kolonie No 1 hun op te sporen, hetwelk door hun op dien dag geëffectueerd is doch vruchteloos en niets van hun op spoor hebbende kunnen krijgen.

Zoo vernomen wij dat P: Heidt des morgens van den 22e dezer in zijn huis was geweest en vandaar had mede genomen zijne beste kleedingstukken waarop wij ondergeteekende Onderdirecteur zelve vergezeld van den wijkmeester Crol ons op bekomen naricht dadelijk begeven na Vinkenga.

Een uur van deze kolonie gelegen en aldaar ons vervoegende eene Herbergier of Kroeghouder genaamd Sjerd, waar wij op aannadering van genoemde woning van verre zag wegloopen den gemelde Kolonist P: Heidt zonder de met hem weggelopene vrouw zelve.

Wij gingen in het huis, vroegen en zagen rond naar gemelde vrouw, doch vonden haar niet en kreegen tot antwoord van den kastelein, haar niet gezien te hebben, vernomen wij dat zij des nachts van 22 op 23 deze ll naar haar man was terug gekeerd en hier nu onderzoek gedaan hebbende bevonden wij zulks de waarheid was.
           
Aldsus naar waarheid opgemaakt en door ons ondertekend,
Frederiksoord 23 Sept 1837   
A.H. Idserda


Bijlage 4: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 21-09-1837


GEEN transcriptie


Bijlage 5: Brief van Bovenkamp

Aan den WelEdelen Heer Directeur van de Colonien der Maatschappij van Weldadigheid

Noordwolde den 13 september 1837

WelEdel Heer!

Op maandag den elfden dezer, des avonds ongeveer zes uren, na de veenderij geweest zijnde en vergezeld van mijn gewone voerman, met de wagen te huiswaards keerende, de weg in de oost vierde parten van oost- tot westwaards langs gereden, aldaar een weinig ten oosten der aanwezige school, een troep jongens, alle van het oosten komende, moesten voorbij passeren, en tot aan en nevens dezelve gekomen zijnde, dien jongens een geweldig geschreeuw en getier aanhieven, en als het waare pogingen deeden, om met geweld op de paarden aan te vallen, waarschijnlijk met oogmerk om dezelve aan het hollen te brengen, of ons met de wagen in het water te doen storten, hetwelk dan ook bijna had plaats gevonden, terwijl de paarden verschrikt, geheel zijdelings uit het span wijkende, wij in groot gevaar verkeerden, om met de wagen in de vierde parten dwarsvaart te zullen geraken, hetwelk evenwel, door het goed beleid van de voerman, gelukkig is voorgekomen.

Ik heb dit jaar een en andermaal, wanneer de oost vierde parten passeerde, dergelijke ontmoetingen met de schoolkinderen gehad, ten gevolge waarvan onlangs den schoolmeester aldaar, bij monde van zulks heb kennis gegeven, met verzoek dat zijnEd, door deszelfs invloed zoude gelieven te zorgen, dat dergelijke ongeregeldheden, waardoor zulke groote onheilen konden geboren worden, onder zijne leerlingen vervolgens geen plaats mogten hebben, - waarop zijnEd antwoorde aan mijn verzoek te zullen voldoen, dan zonder goed gevolg, terwijl zedert dien tijd het kwaad is verergerd.

Bij de laatste ontmoeting op maandagavond, als wanneer de paarden een weinig tot bedaren kwamen, heb de wagen doen stil houden, ten einde zoo mooglijk te vernemen, welke de namen waren, van de zoo even gepasseerde baldadigers – bij welk onderzoek mij twee werden opgegeven met namen Hermanus Terweij – ingedeelde wees bij Dammers – en Baschier(?) Zuurveld, ingedeeld bij Schouten.

Deze heb gisteravond bij mij ontboden, en gevraagd na de namen van hunne kameraden, die bij het gemelde voorval hadden tegenwoordig geweest, waarop dezelve hebben gedaan de volgende opgaaf als:

Leonard Zuurveld
Gerrit Jan ten Hulscher
Frans Kemper
Jan Stoffels
Jan Zwaan ingedeeld bij Willemse
Jan Ruzon ingedeeld bij Willemse
Jan Widerholt
Geert Marinus
Maarten Verberne, bij Schmid ingedeeld, en
Willem Stuiver.

Verklarende zij komparanten, zelve aan het voorgevallene geen schuld te hebben, zoo ook de drie laatstgenoemden, geen deel aan deeze baldadigheid te hebben genomen, doch inhoeverre zulks waarheid is, is mij ten eenenmaal onbekend.

Heb mij verpligt gevonden, UwelEd het voorgevallene te moeten kenbaar maken, niet twijfelende of UwelEd zal wel zodanige middelen weeten te beramen, om voor te komen, dat voortaan dusdanige ongeregeldheden, waarvan de gevolgen treurig kunnen zijn, in de colonie geen plaats zullen hebben.

Waarmede de eer heb met verschuldigde hoogachting en alle respect te zijn

WelEdel Heer!
UwelEd Dr Dienaar,
L. Bovenkamp,
Assessor in het Grietenij Bestuur van Weststellingwerf


Bijlage 6: Raad van toezicht van Willemsoord 22-09-1837


GEEN transcriptie




BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag