Raad van Policie en tucht in de gewone coloniën den 20 july 1833


Tegenwoordig zijn al de leden, met uitzondering van L ten Broeke.

Wordt gelezen een procesverbaal van den raad van toezigt te Willemsoord, van gisteren, naar aanleiding waarvan wordt binnen geroepen

1 de kolonist P. Hertog, als door den onder Directeur zelven gevonden zijnde koren airen af te plukken.

Hertog hierover onderhouden wordende, kan zijne schuld niet ontkennen, hoewel hij voorgeeft, dat het slechts vertreden grep-airen zouden zijn geweest.

Hem weder buiten gelaten hebbende, overweegt de Raad, dat zulks eene beschadiging en ontvreemding wel zeker behoort te worden gestraft, en besluit dezelve mitsdien ingevolge artikel 2 Lid e, en art 3 § 3,
dat Hertog voor acht dagen in de strafkamer zal worden opgesloten, waarvan hem, nadat hij weer was binnengeroepen, kennis gegeven is.


Artikel 2
Voorts staan binnen Leendert Hertog, Jan Smit en Willem Gutslo, kolonistenkinderen van omstreeks 14 jare oud, die, volgens voornoemd procesverbaal, zich aan badadigheid hebben schuldig gemaakt.

Zij worden hierover ernstig onderhouden, en besluit de Raad wijders, naar Artikel 2, 3 & 16 van het reglement, hen voor drie dagen in de strafkamer te doen opsluiten dat den kinderen wordt medegedeeld.

Aldus opgemaakt te Frederiksoord den 20 july 1833

J. van Konijnenburg
H. Bersma
G. Toepoel
J: Steenmetz
H. Bolkesteyn
van Marle
secretaris


Bijlage: Raad van toezicht van Willemsoord 19-07-1833

Raad van Toezigt gehouden
te Willemsoord den 19 july 1833
Present alle de Leeden

Voor de Raad gesteld de navolgende personen

aldus

Hartog kolonist wonende op hoeve no 125 door den onderdirecteur op den 11 dezer geattrapeerd, dat hij midden op den dag des middags ten 12 uuren door de rog gaande zich schuldig maakte met het plukken van koornaren die dezelve in zijn zaks verborg en door hem onderdirecteur zijn afgenomen,

waar over dezelve is onderhouden heeft hij geantwoord,

dat de rog die bij hem gevonden is, de schuld genoeg bewezen was maar dat hij die genomen had zonder te weten dat dat niet mogt zijn doordien het airen waren welke in de grep vertrapt waren, zoo dat niemand hier eenige schade  aan leide,

verklaard den onderdirecteur daarentegen dat de gezegden van Hartog bezijden de waarheid zijn, want dat door hem gezien is hij de koornairen van het te veld staande koorn afplukte en dat alhoewel men hem niet verder kan beschuldigen is het echter gebleken dat het gewone pad, dat hij Hartog begaat van af de fabriek tot aan zijn woonhuis meest al de koornairen langs de greppen zijn afgeplukt



Leenderd Hartog, Jan Smet, en Willem Gutsloo alle konlonistenkinderen voor de raad gesteld wegens gepleegde baldadigheid op de onbewoonde Hoef no 132 zijn dezelve hier over ondervraagd & gehoord na de redenen welke hen hiertoe hebben bewogen, wisten zij niets te hunner verontschuldiging in te brengen en betoonde berouw te hebben over hunne gepleegde baldadigheden

De raad vermenende dat hier vooren omschreven niet van dien aard is het zelve onder zich te houden maar aan de raad van tucht kenbaar te maken
Willemsoord ten dage maand jaar als voornoemd

Schuurer
A.C. Koppe
H. Bolkesteyn
J.H. de Nekker
Schuurman


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag