Extract uit de notulen van het verhandelde bij den raad van policie over de vrije kolonien
Zaterdag den 1 November 1828

Tegenwoordig:
de Heer Visser, President
de Heer Brouwer
de Heer Bersma,
de kolonist Zwier, gemeensman
de kolonist Hoffman, gemeensman
de kolonist Gutsloo, gemeensman
en van Wolda, Secr.

Bij den raad van policie is gelezen een proces verbaal van den raad van toezigt over Kol No 3, in dato 31 October JL houdende:

1: Beschuldiging tegen de huisvrouw van den onlangs aangekomene kolonist Haze, wonende op hoeve no 38, welke zich in de eerste plaats recht onderscheidene malen op eene verregaande wijze had schuldig gemaakt aan dronkenschap,
en in de tweede plaats verkocht, verzet of verpand zoude hebben, de navolgende koloniale goederen, als: 1 bultzak, 1 peuluw, 2 bedlakens, 1 tafellaken en handdoek, 1 wollen deken,  zullende er eene andere in de groep zijn verloren, 1 mans grijze broek, 1 stoof, 1 meisjeshemd en nog 1 bedlaken, waarop bij Trijn Metselaar 14 stuivers was geleend.
Van welke goederen door den Onderdirekteur Schuurer van Jan Velkens vrouw buiten de kolonie is te rug ontvangen: 1 mans grijze broek, 1 stoof, 1 meisjesborstlap, alsmede een vrouwenschoudermantel, zonder te weten waar het overige gebleven is.

2: Eene beschuldiging tegen de drie ingedeelde jongens van de wed. Kuiper, op hoef no 67, mede in kol. Willemsoord, met name Gijsbert van Zuilekom, oud 21 jaren, Johannes Beckman en Hermanus Brink, beide omstreeks 17 jaren, welke gezamenlijk (volgens hun zeggen) aan de wed. J. Zwaan, op hoef no 101, verkocht zouden hebben 12/4 Nederl. mudden aardappelen, 15 centen het ¼ mud, doch onder de bedstede van den wed. Zwaan was door den wijkmr. niet 12/4 maar 21/4 Nederl. mudden aardappelen gevonden, welke de wed. verklaarde van deze jongens te hebben aangekocht.

Deze beschuldigde kolonisten opgeroepen en alhier verschenen zijnde, zijn dezelve, één voor één, over de aangeklaagde misdaden, ondervraagd en onderhouden, en kwam ieders getuigenis in substantie hierop neder:

a Vrouw Haze had de hiervoren gemelden goederen niet verkocht of verzet, maar uit vrees voor de Ommerschans waarmede de wijkmeester haar had bedreigd, in bewaring gegeven aan hutbewoners, bij de kolonie Willemsoord,
ook was zij wel eens onmatig geweest in het gebruik van sterken drank, maar dit zoude het geval niet geweest zijn, indien zij daartoe niet door slechte menschen ware verleid geworden. Voorts wenschte zij de hierdoor veroorzaakte schade bij wekelijksche uitkeering wederom te vergoeden, belovende ten allersterkste zich nooit weder aan deze misdrijven schuldig te zullen maken. Haar man was van dat alles onkundig gebleven.

b Haze zelf. Deze had niet geweten, dat zijn vrouw de goederen weggebragt, en sints verscheidene dagen had zij in het geheel geen sterken drank gebruikt, hij geloofde dat het berouw over hare misdaden haar van alle verdere vergrijpen  te rug zoude houden, verzoekende dus dat de raad gunstig over zijne huisvrouw mogte oordeelen.

c Gijsbert van Zuilekom zegt, geen aardappelen gestolen, maar wel in de schafttijden, als anders, op de akkers opgezocht te hebben met het oogmerk, om, wanneer zij een partijtje bijeen hadden, er kermisduiten uit te maken. Hij had met zijne beide makkers 12/4 Nederl. mudden aardappelen verkocht en daarvoor ontvangen f. 1,35, welke gelden nu vloed waren berustende bij den Onderdirekteur Schuurer.

d en e Johannes Beckman en Hermanus Brink verklaren hetzelfde dat Gijsbert van Zuilekom gezegd heeft.


Nadat deze lieden zich wederom verwijderd hadden en in de raad in
 overweging genomen was:

1: De inhoud van het besluit van de Permanente Kommissie van den 29 Mei 1821, waarbij de dronkenschap en het verpanden of wegmaken der koloniale goederen, op straf van naar de Ommerschans veroordeeld te worden, verboden is.

2: Dat er in de eerste dagen der dronkenschap van vrouw Haze, eene proef is genomen of haar dit ook door middel der gewonen cachotstraf kon worden afgeleerd, dat echter mislukt is.

3: Het doorgaande gedrag der jongelingen Johannes Beckman en Hermanus Brink, welke zich wel gedragen hebben, tot den tijd dat Gijsbert van Zuilekom, bij allen waar hij geweest is, als een stoute jongen bekend, bij dit huisgezin is ingedeeld geworden.

Is bevonden dat de gevoelens der leden van den raad waren als volgt:

a Omtrent Vrouw Haze
Gutsloo en Hoffmann: Men moet het nog 14 dagen aanzien, omdat het nog jonge lieden zijn, 4 dagen tot straf in de kas, zoo dat niet helpt, dan  de vrouw opzenden naar de Ommerschans, de man niet, omdat deze onschuldig is.
Zwier: De straf op zoodanige overtreding is bepaald naar de Ommerschans namelijk, kan het echter gemakkelijker, afloopen, ik mag het lijden
Brouwer: De vrouw alleen voor drie maanden naar de Ommerschans
Bersma, van Wolda en de Heer Visser: Haze, zijne vrouw en kind voor eenen onbepaalden tijd te verplaatsen naar de Ommerschans

b omtrent de bovengenoemde jongelingen
Gutsloo, Zwier en Hoffmann, voor drie etmaal in de kas opsluiten om hen geene kermis te laten houden, welke invalt op aanstaande maandag en dingsdag, te Steenwijk.
Brouwer en Bersma: Hen alle drie te veroordeelen naar de Ommerschans tot een voorbeeld voor anderen.
Van Wolda: Gijsbert van Zuilekom, bekend als een ondeugende knaap, te veroordeelen naar de Ommerschans, de twee anderen, die jonger en minder bedorven zijn, voor 8 dagen op te sluiten in de cachot.
De Heer Visser Allen naar de Ommerschans, gevende echter de Kommissie in bedenking of de twee laatste ook op eene andere wijze, bijvoorbeeld 4 of 8 dagen met de cachot zouden kunnen gestraft worden, omdat deze anders als goede jongens bekend staan.

Waarop eindelijk besloten is:

De beslissing deze straffen over te laten aan het wijze oordeel der Permanente Kommissie.
En zal hiervan, bij afschrift dezes, worden kennis gegeven aan de Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid.

Voor extract conform,
De Direkteur der Kolonien
Visser

Bijgeschreven door de secretaris van de permanente commissie Jan van Konijnenburg: Besloten naar de Ommerschans te verwijzen, het huisgezin van den kolonist Haze en den bestedeling Gijsbert van Zuilekom, en Johannes Beckman en Hermanus Brink met acht dagen opsluiting te straffen
Den 25 Nov. 1828 art 29
vK


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag