Extract uit het verbaal van het verhandelde bij den raad van policie over de vrije kolonien
Zaterdag den 10 maart 1827


Present
de Heer Visser, President
de Heer Bersma,
de kolonist Gutsloo, Gemeensman
de kolonist Zwier, Gemeensman
de kolonist Hoffman, Gemeensman
en J H van Wolda, secr

Zijn gelezen, twee processen verbaal van den raad van toezigt over kolonie No 2, dd 9 dezer maand, betrekkelijk de navolgende personen en zaken

a  Van Margaretha Kerkena, huisvrouw van den kolonist Lubbert Jansen, van kol.2, beschuldigd van het verkoopen van eenen boezelaar, een jongenshemd en twee schepels aardappelen aan haren buurman den kolonist van Diest

b  Van Johanna Klinkenberg, wed. Midderhoff van kol. No 2, verdacht gehouden van eene beddeken verkocht te hebben aan Rheedijk, kroeghouder buiten de kolonie, wonende aan den weg naar Noordwolde, voor eenen daalder, en een misbruik te hebben gemaakt van de haar toevertrouwde aardappelen, als zullende daarvan een gedeelte hebben verkocht, of voor andere goederen verruild, aan den kolonist van Diest.

Deze beide kolonisten, alsmede de in het geval betrokkene van Diest, haarlieder buurman, voor dezen raad gedagvaard, en één voor één, alhier verschenen zijnde, hebben dezelve verklaard hetgene volgt:

1 Vrouw Jansen had den boezelaar en het jongenshemd voor eenen geruimen tijd aan van Diest gedaan voor drie halve dozijnen theegoed, eenige boorden en schotels
Dit gedeelte van haar huisraad was haar door eenen harde wind, in de kast aan stukken geslagen, zij had dit hoogstnoodig gedaan en het daarvoor verruilde goed was niet van de Maatschappij, maar van haar eigen geweest.
De twee schepels aardappelen had zij van Diest, op zijn verzoek gegeven, daar hij geklaagd had niets te eten te hebben.

2 De wed. Midderhoff, zegt de beddeken aan Rheedijk verkocht te hebben, om voor den koopprijs van eenen daalder een paar klompen en een hemd weder te koopen, waaraan zij volstrekte behoefte had gehad;
op hare deswege herhaalde aanzoeken, had men haar deze goederen echter niet willen geven. Uit nood was dit geschied.
En wat de vermiste aardappelen betrof, zij had den klagenden van Diest vier schepels aardappelen gedaan, en daarvoor te rug ontvangen de voor hare huishouding te kort komende hoeveelheid olie en zout.

3 Van Diest van Kol. No 2, bekent van vrouw Jansen ingeruild te hebben twee schepels aardappelen, een jongenshemd en eenen boezelaar, waarvoor hij had te rug gegeven drie halve dozijnen theegoed, eenige schotels en borden, alsmede dat hij van de wed. Midderhoff eenige schepels aardappelen niet geruild voor zout en olie, maar gekocht had voor vier stuivers het schepel.

De beide vrouwen en de getuige, zich, na dit verhoor wederom naar buiten begeven hebbende, is bij de leden van den raad in overweging genomen:

Dat de kolonisten, welke de hun toevertrouwde goederen verkoopen of verpanden, ingevolge de wetten en reglementen der Maatschappij niet in de vrije koloniën te huis behooren, maar naar eens de strafkolonie opgezonden moeten worden.

De onwaarschijnlijkheid van het gezegde van vrouw Jansen alsof het verruilde goed van haar zelven en niet van de Maatschappij geweest zoude zijn, daar dit huisgezin reeds zoo vele jaren in de kolonie heeft doorgebragt, en hoewel vele kleedingstukken ontvangen hebbende altoos armoedig en slordig gekleed bleef. 

Dat de kolonist van Diest ofschoon dezelve zich voorstelt, in dezen niets misdaan  te hebben en het besluit der Permanente Kommissie op de zoodanige geene straffen heeft vastgesteld, maar naar het oordeel van den raad zich echter aan eene groote misdaad gelijk aan die der anderen, heeft schuldig gemaakt, daar dezelve, zoo het schijnt, aanleiding tot de feiten heeft gegeven.

d Het gehouden gedrag van vrouw Jansen, de wed. Midderhoff en van Diest.
De eerste gaat gaarne dagelijks bij de huizen rond te praten, zonder veel acht op hare huishouding te geven;
Inzonderheid kwam zij dezen winter veel bij de tweede, die zwak genoeg was, haar voorbeeld op te volgen.
De derde zorgt nauwlettend voor zijne huishouding doch heeft ook, hoewel zwak van ligchaam zijnde, geene der minste lust voor het landwerk, houdt zich liefst in huis of in zijnen tuin op.heeft

Hierop de gevoelens van de leden van den raad ingewonnen zijnde, is gebleken, dat allen van oordeel waren, dat het huisgezin van Jansen bestaande uit man vrouw en vijf kinderen,(waarvan echter de eene reeds lang uit de kolonie is ontslagen), en dat van wed. Midderhoff hebbende vier kinderen, benevens van Diest met deszelfs huisgezin bestaande uit vier zielen, uit hoofde der bovengemelde misdaden, verplaatst dienden te worden naar eene der strafkolonien van de Maatschappij van Weldadigheid

Dan, daar zoodanige gevallen van koopen en verkoopen onder de kolonisten zelven nog niet eerder zijn ontdekt geworden, heeft de raad voor en aleer hieraan meer te doen, genomen het navolgende

Besluit.

De beide processen verbaal van den raad van toezigt van kolonie No 2, onder geleide van dit extract,  te zenden aan de Permanente Kommissie met het verzoek hieromtrent zoodanig te willen decideren, als zij zal goed vinden te behoeven..

Voor extract conform:
De Direkteur der Koloniën
Visser

Bijlage 1: Raad van toezicht Wilhelminaoord 9 maart 1827 met verhoor Johanna Klinkenberg


GEEN transcriptie


Bijlage 2: Raad van toezicht Wilhelminaoord 9 maart 1827 met verhoor Margaretha Kerkena


GEEN transcriptie


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag