Extract uit het verhandelde bij den raad van policie over de vrije Kolonien

Zaterdag den 27 mei 1826


Present
de Heer Visser, Direkteur en President
de Heer  Bersma,
Hoffman, gemeensman
de kolonist  Gutsloo id.
de kolonist  Zwier id. en
van Wolda, Secr.

De kolonist van Ham, van Kol. No 2, blijkens proces verbaal van dezen raad, in dato 20 dezer, door den daarbij naar de Ommerschans veroordeelden Albertus van Schagen, beschuldigd zijnde geworden, van aan laatstgemelden, vóór zijne desertien reisgeld te hebben gegeven en alzoo tot het wegloopen behulpzaam te zijn geweest, en voorts van de kolonisten van Duren en Westhoff rog te hebben gekocht, en zulks insgelijks beproefd te hebben met den kolonist Mulder, doch vruchteloos,

Zoo is dezelve door de raad van toezigt over kol.2 blijkens procesverbaal, in dato 25 dezer, na van Ham daarover gehoord te hebben, verwezen tot den raad van Policie, heden denzelven verschenen, en op hem gedane vragen, heeft hij het navolgende tot antwoord gegeven.

Hij had noch van Westhoff, noch van van Duuren immer eenige rogge gekocht, bij den kolonist Mulder wel pogingen daartoe aangewend, doch beroept zich hierbij op den wijkmeester Schnell, welke hem daartoe had uitgenoodigd om de eerlijkheid van Mulder op de proef te stellen.

Voorts verklaart hij, Albertus van Schagen, toen dezelve voor de eerste keer deserteerde geen dubbeltje, zoo als de jongen zegt, te hebben gegeven, en ook niet had kunnen geven, aangezien dezelve in stilte des nachts was weggeloopen;
dat hij hem op de 26 maart JL, bij gelegenheid, dat er drie andere geaccrediteerde jongens met hem buiten de kolonie gingen, op zijn gezegde van den Onderdirekteur Bosma voor 4 dagen verlof te hebben om naar Leeuwarden te gaan, twee dubbeltjes reisgeld had medegegeven;
dat de jongen overigens traag en lui was en zich aan geenen leugen stoorde.

Uit het schuldboekje van van Ham is gebleken, dat de jongen zeer weinig heeft verdiend.

Vervolgens in den raad geroepen en over het koopen en verkoopen der rogge gehoord hebbende, de kolonisten Westhoff en Mulder, is bevonden dat de verklaring van Ham met de waarheid was overeenkomende.

Waarop de raad, na in overweging genomen te hebben:

a De ongegrondheid der gezegden van Albertus van Schagen,
b De verdediging van den beschuldigden, instemmende met de getuigenis van Westhoff en Mulder

Heeft besloten:

Van Ham te verklaren voor onschuldig

En zal afschrift van dit proces verbaal worden gezonden aan de Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid.

Voor extract conform:
De Direkteur der Koloniën,
Visser

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag