Extract uit het verhandelde van den raad van policie over de vrije kolonien, van de 18 februarij 1826

Present:
de Heer Visser, President
de Heer  Bersma,
de kolonist Zwier, Gemeensman
de kolonist  Hoffman id
de kolonist  Haverkort id en
van Wolda, secr,
zijnde alzoo de Heer.Brouwer afwezend.

De wed. van Sent, huisverzorgster in kol.No 3 op hoef No 100, is, blijkens proces verbaal van den raad van toezigt dier kolonie, dd 17 dezer beschuldigd van op den 10 dezer, eenen zwarten vrouwenrok, in de bank van leening te Steenwijk gebragt, en daarop eenen gulden ontvangen te hebben; alsmede dat zij gedurende eenen geruimen tijd, wekelijks twee of meer brooden verkocht zoude hebben, aan menschen buiten de kolonie wonende, en eindelijk, dat zij de bij haar ingedeelde weezen slecht behandeld, geen boter op het brood gegeven en des avonds uitgezonden zoude hebben, om brandhout uit het bosch te kappen.

De wed. van Sent voor den raad verschenen zijnde, verklaart waarheid te zijn, een vrouwenrok te Steenwijk in de bank van leening te hebben doen brengen, en daarop één gulden ontvangen te hebben; dat zij dit geld echter met hare kinderen in de huishouding had gebruikt, doch zegt dat zij slechts twee keer brood heeft verkocht, en zulks alleen geschied zoude zijn, terwijl zij ziek was geweest.

De vrouw het vertrek verlaten hebbende, is in den raad over de misdaden door haar bedreven geoordeeld en bleek het gevoelen der leden hierop neer te komen.
De gemeensmannen Haverkort, Hoffmann en Zwier, in hunne denkbeelden overeenkomende, zijn van gevoelen, dat de oude vrouw van 53 jaren, geenzins naar de Ommerschans verwezen, maar tot straf harer misdaden, voor eenige dagen in de cachot opgesloten moet worden.
Bersma en van Wolda begrijpen, dat vrouw van Sent, wegens de bedrevene misdaden, die zij gedeeltelijk zelve bekent, volgens de wetten der Maatschappij, de strafkolonie Ommerschans verdiend heeft; doch kan haar genade bewezen worden, hier zouden zij niets tegen hebben.
De Heer President is insgelijks van gevoelen dat de vrouw wegens hare misdaden, al ware dezelve minder dan die, waarvan zij beschuldigd wordt, regtstreeks verwezen moet worden naar de strafkolonie Ommerschans, zoo, om de wetten der Maatschappij te handhaven, als om anderen hierdoor een voorbeeld te geven.

Aangezien derhalve,nu het gevoelen der drie gemeensmannen niet overeenstemt met dat van de drie overige leden van den raad, zoo is goedgevonden en verstaan:
a De beslissing dezer zaak aan de Permanente Kommissie over te laten, en de huisverzorgster zoolang in hare bezigheden te doen voortgaan,
b De Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid, bij afschrift dezer, hiervan kennis te geven

Voor extract conform,
De Direkteur de Koloniën
Visser




BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615