Oktober 1843: De opstandelingen bij het tweede gesticht te Veenhuizen van mei 1843 komen voor de rechter - samenvatting van de stukken

De opstand van mei 1843 is beschreven in De strafkolonie pagina's 252-255 en valt ook te volgen via de desbetreffende stukken op deze pagina. De stukken hieronder komen uit het archief van het Gerechtshof, zie toegang en invnrs bovenaan. De kwestie komt 4 september 1843 in de raadkamer en wordt dan 'ten criminele' verwezen.

De verdachten zitten dan nog allemaal in het Huis van Arrest in Assen.

De aanklacht luidt: gewelddadige en feitelijke wederstand jegens veldwachters handelende ter uitvoering der bevelen van het openbaar gezag, gepleegd door een gewapende vereeniging van meer dan twee personen, de zesde beklaagde daarenboven nog ter zake van het toebrengen eener kwetsuur, behoorende tot diegene, welke het kenteeken van doodslag dragen aan eenen agent van de gewapende magt ter gelegenheid der waarneming zijner bediening - en den tiende beklaagde ter zake van medepligtigheid aan voormelde gewelddadige en feitelijke wederstand door het bezorgen van wapenen welke tot het plegen derzelve hebben gediend,

Tegen de 6e beklaagde Roelof Laagland wordt geŽist: op een schavot aan de galg te worden opgehangen tot dat er de dood na volgt.

Ze worden voor de zitting overgebracht naar de gevangenis van het gerechtshof.

Die 'opentlijke teregtzitting in Criminele zaken' van het Provinciaal Gerechtshof vindt plaats op 12 en 13 oktober 1843.

Eerst worden een heleboel getuigen gehoord:

1e getuige Cornelis Wilhelmus Rensing, van beroep Adjunct Directeur van de Maatschappij van Weldadigheid in het tweede gesticht te Veenhuizen, gemeente Norg, wonende in gemeld gestigt,

2e getuige Gerhardus Johannes Hendriks,  onder-directeur bij het tweede gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen, gemeente Norg en wonende aldaar.

3e getuige Abraham Meijer Foltijn, van beroep veldwachter van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen  gemeente Norg en wonende aldaar

4e getuige Pieter(??) Laurens de Vries, van beroep brigadier veldwachter in het tweede gesticht van de Maatschappij van weldadigheid gemeente Norg en aldaar woonachtig.

5e getuige Adrianus Timmermans, veteraan en onder-brigadier veldwachter in het tweede gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen gemeente Norg en aldaar wonende

6e getuige Johannes Hermans, kolonist veldwachter, wonende in het tweede gesticht te Veenhuizen gemeente Norg. Is volgens de beschuldigden vroeger crimineel gestraft, maar daar is geen bewijs voor. Hij blijkt drie jaren kruiwagenstraf te hebben gehad. Dat is een militaire straf en geen onterende straf, dus mag hij gewoon gehoord worden dus onder ede.

7e getuige Jan Geldersblom, van beroep arbeider wonende te Haarlem, vroeger te Veenhuizen, ook tot kruiwagenstraf veroordeeld, mag ook toch getuigen.

8e getuige Johannes Kraaijvanger, van beroep kolonist-veldwachter te Veenhuizen gemeente Norg

9e getuige Koenraad Johannes Schunlau, geneesheer chef van de geneeskundige dienst te Veenhuizen en aldaar wonende

10e getuige Christiaan van den Berg, kolonist in het 2e gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen, is wegens onpasselijkheid niet in staat aanwezig te zijn,

11e getuige Johannes Petrus van der Leest, is barbier, wonende te ís Hertogenbosch, vroeger in het tweede gesticht te Veenhuizen gemeente Norg

12e getuige Cornelis van Es, van beroep kolonist in het tweede gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen; zegt dat de beschuldigde Blom onder de opschudding met de majoor Mensing had staan praten op een afstand van twee zalen. Op verzoek van de verdediger wordt hiervan aantekening gemaakt bij het proces verbaal

13e getuige Gerrit van der Wal, schoenmaker, wonende te Veenhuizen gemeente Norg

14e getuige Luitje Jansen, zaalopziener in het tweede gesticht der kolonie te Veenhuizen gemeente Norg en aldaar woonachtig

15e getuige Johannes Bruins, kolonist in de kolonie te Veenhuizen, kruiwagenstraf gehad, dus net als Hermans

16e getuige Hendrikus van Boekhoven, is inderdaad crimineel gestraft en mag dus wel een verklaring afleggen maar niet onder ede. Van beroep wever, wonende te Rotterdam, vroeger in het tweede gesticht te Veenhuizen

17e getuige Gerhardus Koops, van beroep smid te Amsterdam, wonende vroeger in het tweede gesticht te Veenhuizen; zegt dat de beschuldigde van der Spek aan den onder directeur gezegd had, jij bent al te maal smeerlappen. De beschuldigde van der Spek zegt hierop dat hij dat gezegde wel gebezigt had, doch dat hij zulks niet wou volhouden, doch dat de Adjunct Directeur Rensing en de onder directeur Hendriks dieven waren, dat wilde hij hen bewijzen, van welke uitval de president, op verzoek van de advokaat generaal,  aantekening gelast in het proces verbaal

18e getuige Everhardus Hendericus Duvivaux(??), kolonist veldwachter in het tweede gesticht te Veenhuizen en wonende aldaar

19e getuige Theodorus Luiben, adsistent veldwachter in het tweede gesticht der kolonie te Veenhuizen, en wonende aldaar

20e getuige Hendericus Jacobus Mulder, adsistent veldwachter in het tweede gesticht der kolonie te Veenhuizen en aldaar wonende.

Daarna wordt aan de tien verdachten gevraagd te reageren op die getuigen:

1. Frans van der Spek; 26 jaar, geboren 's Gravenhage; ooit correctioneel gestraft wegens diefstal, heeft voldaan aan de Nationale Militie, verklaart nadat alles hem is voorgelezen door de President:
Dat hij bij gelegenheid der opschudding in het tweede gesticht te Veenhuizen een mes in zijne mouw had gehad maar niet op den rug, dat hij met dat mes niet heeft gestoken, verder nog dat hij eene lat in zijne handen heeft gehad, alsmede ook  nog een kantschup. Voor het overige ontkent de beschuldigde de hem ten laste gelegde feiten. (krijgt 7 jaar)

2. Huibrecht Cornelis Bos; 23 jaar, geboren te Tholen, nooit voor de regter gestaan en aan de Nationale Militie voldaan.
Hij zegt dat hij zich tegen zijn arrestatie heeft verzet, dat hij destijds ook eene lat in zijne handen heeft gehad, doch ontkent den brigadier veldwachter te hebben geslagen. (krijgt 6 jaar)

3. Johannes Schutt; 28 jaar, geboren te Geertruidenberg; nooit voor de regter gestaan en aan de Nationale Militie voldaan.
Hij zegt dat hij een sabel op de grond heeft gevonden, welke hij aan een der veldwachters heeft overgegeven, dat hij ook nog een bezemstok in zijne handen heeft gehad, alsmede, dat hij den veldwachter Geldersblom heeft teruggeduwd, doch ontkent eenig deel aan de opschudding te hebben genomen. (krijgt 6 jaar)

4. Albertus Rijnhoud; 22 jaar, geboren te Deventer; nimmer voor de regter gestaan en aan de Nationale Militie voldaan.
Hij zegt dat hij niets in zijn handen heeft gehaad, noch mes, noch lat, noch iets anders, als mede dat hij niet gezegd heeft, pak aan jongens. (krijgt 6 jaar)

5. Lodewijk Petrus Bruggeman; 24 jaar, geboren te Amsterdam; nimmer voor de regter gestaan en aan de Nationale Militie voldaan.
Deze beschuldigde zegt in het geheel niet te hebben geslagen en gestoten. (krijgt 5 jaar; doet later gratieverzoek)

6. Roelof Laagland; 23 jaar, geboren te Groningen; nimmer voor de regter gestaan en aan de Nationale Militie voldaan.
De beschuldigde erkent den veldwachter Hermans in de borst te hebben gestoken omdat hij hem met een stok sloeg, alsmede dat hij in het rond heeft geslagen. (krijgt 10 jaar + geseling; doet later gratieverzoek)

7. Marijn Allemans; 19 jaar, geboren te Bergen op Zoom; eens voor de regter en veroordeeld wegens bedelarij, aan de Nationale Militie voldaan.
De beschuldigde zegt, dat hij een mes in zijn zak had, hetwelk hij gewoonlijk bij zich droeg, doch beweerdt in het geheel geen deel aan de opschudding te hebben genomen. (krijgt 5 jaar)

8. Cornelis Blom; 30 jaar, geboren te Amsterdam; eenmaal voor de regter (Leiden) 1 jaar correctionele gevangenisstraf; aan de Nationale Militie voldaan
De beschuldigde ontkent alle de hem ten laste gelegde feiten en beweerdt onschuldig te zijn.
Zou volgens de beschuldiging hebben geroepen: 'Wij moeten ze maar dood slaan, pak maar aan jongens.' en na zich met een lat te hebben gewapend 'Als zij nu allemaal waren zoo als ik dan zouden wij ze hier al te maal neerleggen' (krijgt 5 jaar)

9. Johan Heidenreich; 24 jaar, geboren te Amsterdam; nimmer voor de regter gestaan en voldaan aan de Nationale Militie.
De beschuldigde zegt dat hij een stok heeft gehad en dezelve van een aldaar zijnd hek heeft afgebroken. (krijgt 5 jaar)

10. Derk Roelen; 28 jaar, geboren te Loosdrecht; eenmaal wegens bedelarij veroordeeld, aan de Nationale Militie voldaan.
De beschuldigde zegt, dat hij een lat van het hekwerk heeft afgebroken, doch voor het overige niets te hebben misdreven.
Medepligtig door latten van een aldaar aanwezig hekwerk te hebben afgebroken en aan zijne medekolonistente hebben toegeworpen opdat dezelve zich daarmee zouden wapenen
(krijgt 5 jaar; doet later een gratieverzoek)

De rechtbank doet op vrijdag 20 oktober 1843 om 13.00 uur uitspraak:


De president spreekt het arrest N 184 uit en geeft de veroordeelden te kennen dat ze cassatie kunnen vragen tegen het arrest:
1. Frans van der Spek te pronkstelling en 7 jaar tuchthuis;
2. Huibrecht Cornelis Bos te pronkstelling en 6 jaar tuchthuis;
3. Johannes Schutt te pronkstelling en 6 jaar tuchthuis;
4. Albertus Rijnhoud te pronkstelling en 6 jaar tuchthuis;
5. Lodewijk Petrus Bruggeman te pronkstelling en 5 jaar tuchthuis;
6. Roelof Laagland geseling en 10 jaar tuchthuis;
7. Marijn Allemans te pronkstelling en 5 jaar tuchthuis;
8. Cornelis Blom te pronkstelling en 5 jaar tuchthuis;
9. Johan Heidenreich te pronkstelling en 5 jaar tuchthuis;
10. Derk Roelen te pronkstelling en 5 jaar tuchthuis.


De veroordeelden gaan 23 oktober 1843 in cassatie bij de Hoge Raad. De stukken worden 4 november 1843 daarnaartoe gezonden en het dient op 6 februari 1844. Een verslag daarvan staat in 'De Regtzaal, bearbeid door Mr J.B. Vos, vierde deel Strafrecht, bevattende de jurisprudentie van af October 1838 tot en met December 1855, Utrecht 1857', wat ik heb gebruikt voor de pagina's 263-264 van De strafkolonie.

De uitspraak wordt door de Hoge Raad - op zeer dubieuze gronden - bevestigd. Daarna dienen op 14 februari 1844 de veroordeelden 5, 6 en 10, oftewel Lodewijk Petrus Bruggeman. Roelof Laagland en Derk Roelen een gratieverzoek in, maar volgens mij is daar ook niets uitgekomen.