Augustus 1843: Gijsbert van Rooi en Joost Broekhuizen hebben oud ijzer gestolen


Pro Justitia

N. 179

Provinciaal Geregtshof van Drenthe

Het Provinciaal Geregtshof van Drenthe, in Raadkamer vergaderd tot onderzoek van strafzaken.
-
Gehoord het verslag van den Advocaat Generaal namens den Procureur Generaal op de procedure door den Regter Commissaris bij de Arrondissements Regtbank te Assen, ter requisitie van den Officier van Justitie bij diezelfde Regtbank geinstrueerd.

            -tegen-

Gijsbert van Rooij, volgens opgave oud 19 jaren geboren te Amsterdam;

en Joost Broekhuizen, volgens opgave oud 15 jaren, blijkens geboorte acte geboren den 22 Mei 1827, geboren te Veenhuizen,

beide van beroep kolonisten wevers, en woonachtig te Frederiksoord, gemeente Vledder zijnde de voornoemde beklaagden thans gedetineerd in het huis van arrest te Assen.

Gehoord en gezien het requisitoir van den Advocaat generaal, namens den Procureur Generaal, door denzelve bij monde in Raadkamer toegelicht en onderteekend aan het Hof voorgelegd daartoe strekkende “dat het Provinciaal Geregtshof zal bevelen de teregtstelling van de beide beklaagden ter zake van diefstal in eene werkplaats, alwaar zij als werklieden gewoon waren te werken, en denzelven verwijzen naar de openbare teregtzitting van dit Provinciaal Geregtshof, met last, dat zij in de daartoe bestemde gevangenis zullen worden overgebragt;”

Gezien de stukken betrekkelijk deze zaak

Overwegende, dat de instructie dezer procedure genoegzame bezwaren oplevert, om de beklaagden verdacht te houden dat zij (beklaagden) in den morgen van den elfden Mei 1843 arglistig hebben weggenomen eene hoeveelheid van twintig nederlandsche ponden ijzerwerk van eene zolder behoorende tot de localen van de katoenweverij van de Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord gemeente Vledder, in welke weverij zij als wevers gezellen gewoon waren voor loon te werken en welk ijzerwerk aan bedoelde Maatschappij toebehoorde.-

Overwegende dat het feit waaraan de beklaagden worden verdacht gehouden zich te hebben schuldig gemaakt bij de wet wordt verklaard te zijn misdaad.

Gezien artikels 386 n: 3 van het wetboek van strafregt en artikels 135, 136, 119 en 141 tweede gedeelte van het wetboek van strafvordering

Regtdoende in naam en vanwege de Koning

Beveelt dat de beklaagden Gijsbert van Rooij en Joost Broekhuizen zullen worden teregtgesteld ter zake van diefstal in eene werkplaats alwaar zij als werklieden gewoon waren te werken.

Verwijst denzelven naar de Openbare teregtzitting voor criminele zaken van diefstal - en

Gelast dat de beklaagden zullen worden overgebragt naar de gevangenis van dezen Hove.-

Aldus gedaan en gewezen in Raadkamer op heden vrijdag den 21 Julij 1843 door en in tegenwoordigheid van de Heeren Mrs. Tonckens vice-President, Westra, Walraven, Kniphorst en Nijsingh raden in dezen Hove die allen dit arrest benevens den Substituut Griffier Mr. Willinge Tonckens hebben onderteekend.-

J.H. Willinge Tonckens subst Gr J. ?? . Westra, ??. Tonckens, G. Kniphorst, ??. Walraven, ??. Nijsingh




(Pro) Justitia

Provinciaal Geregtshof van Drenthe
N. 179

Arrest


Het Provinciaal Geregtshof van Drenthe op de teregtzitting voor crimineele zaken heeft gewezen navolgend arrest in zake van:

Den Heer Procureur Generaal bij het Provinciaal Geregtshof van Drenthe, Eischer

Tegen

Gijsbert van Rooij ook genaamd Gijsbert van Roi volgens zijne opgave oud 19 jaren, geboren te Amsterdam en

Joost Broekhuizen, volgens zijne opgave oud 16 jaren, geboren te Veenhuizen,

beide van beroep kolonisten wevers en woonachtig te Frederiksoord gemeente Vledder, thans gedetineerd in s Hofs gevangenis te Assen gedagvaard bij exploit van den tweeden Augustus jongstleden, beide persoonlijk tegenwoordig;

Gehoord het arrest van dit Hof, waarbij deze teregtstelling is bevolen, van den 21 Julij 1843 en de acte van beschuldiging ten gevolge van dat Arrest opgemaakt, beide op de teregtzitting door den Griffier voorgelezen, wordende, bij laatstgemelde acte Gijsbert van Rooij en Joost Broekhuizen beschuldigd “van diefstal in eene werkplaats, alwaar zij, als werklieden, gewoon waren te werken.”

Gehoord den Advocaat Generaal namens den Procureur Generaal zich voor ontwikkeling refererende tot de acte van beschuldiging

Gelet op de mondelinge verklaringen der getuigen,

Gezien de stukken van overtuiging in judicio voorhanden

Gelet op de opgave en antwoorden van de beschuldigden;

Gehoord het pleidooi van den Advocaat generaal namens den Procureur Generaal benevens zijn requisitoir, door hem voorgelezen en geteekend aan het Hof voorgelegd, strekkende daartoe

“dat de beschuldigden door dezen Hove zullen worden verklaard schuldig aan diefstal in eene werkplaats alwaar zij als werklieden gewoon waren te werken en zulks met betrekking tot den tweeden beschuldigde als hebbende gehandeld met oordeel des onderscheids hoezeer hij destijds den ouderdom van zestien jaren nog niet had bereikt,  en te dier zake bij het te wijzen arrest veroordeeld
 
de beschuldigde van Rooij tot eene opsluiting in een tuchthuis voor eenen tijd door den Hove te bepalen, doch niet minder dan vijf en niet meerder dan tien jaren, met eerloosverklaring

en de beschuldigde Broekhuizen tot eene opsluiting in een verbeterhuis voor eenen almede door den Hove te bepalen tijd doch niet minder dan drie jaren en vier maanden, en niet meerder dan vijf jaren
met verdere verwijzing van de beschuldigden, ieder voor het geheel, in de kosten der procedure, ten behoeve van den staat, desnoods executabel bij lijfsdwang;

alsmede met bevel, dat de gestolene goederen, welke in deze zaak als stukken overtuiging hebben gediend aan den eigenaar of andere regthebbenden zullen worden teruggegeven,

en eindelijk dat met betrekking tot de veroordeeling van den beschuldigde Gijsbert van Rooij voornoemd een Extract uit s Hofs condemnatoir arrest zal worden gedrukt en aangeplakt te Assen, mitsgaders te Vledder ter plaatse alwaar zulks te doen gebruikelijk is”

Gelet op de verdediging van de beschuldigden zoo door hen zelve, als door hunnen verdediger Mr. Bernard Jan Gratama, Advocaat bij dezen Hove, ingebragt;

Overwegende dat door Frederik Busscher smid te Wapserveen en deszelfs huisvrouw als getuigen gehoord is verklaard, dat de beide beschuldigden
op den dertienden Mei laatstleden ten hunner huize zijn gekomen eenig oud ijzer, dat door Broekhuizen in een zak werd gedragen, te koop aanbiedende, welk ijzer toen door getuigen ook werkelijk is gekocht en betaald aan van Rooij met vijf en zeventig cents, dat dat oud ijzer tusschen ander diergelijke is geworpen, doch dat daaronder behoorden de vier stukken welke aan getuigen zijn vertoond als stukken van overtuiging, wordende nog door een dezer getuigen verklaard dat het gekochte ijzer bij weging is bevonden te zijn twintig ponden en dat de beschuldigden bij opgemelde gelegenheid gevraagd zijnde, van waar zij dat ijzer hadden, deswege aannemelijke opgaven hadden gedaan;

Overwegende dat door diezelfde getuigen nog is verklaard, dat zij den volgenden dag een bezoek ontvingen van Gerrit Eman, Fabriekbaas in de weverij te Frederiksoord, welke vernemende, dat  getuigen oud ijzer hadden gekocht van twee kolonisten jongens, dat ijzer ziende onder hetzelve herkende de vier stukken, welke in den geregte voorhanden zijn, als afkomstig van den zolder zijner weverij en toebehoorende aan de Maatschappij van Weldadigheid;

Overwegende dat door Gerrit Eman Fabriekbaas in de weverij te Frederiksoord, als getuige gehoord, is verklaard, behalve hetgeen hem betreffende, door de twee eerste getuigen is opgegeven, dat hij op den veertienden Mei laatstleden van zijn bezoek bij den smid Busscher te huis gekomen zijnde zich naar den zolder van de weverij had begeven en bevonden had dat daar vermisten, de voorwerpen als stukken van overtuiging thans aan hem vertoond, en welke hij s’daags te voren bij genoemde smid had aangetroffen,

Overwegende dat door deze getuige nog is verklaard, dat de beide beschuldigden zijn arbeiders in eene onder toezigt van hem getuige staande weverij van de Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord, en aldaar wekelijks loon verdienen, dat zij, even als andere werklieden nu en dan zeker werk moeten  verrigten op den zolder boven die weverij welke ongesloten is en waartoe zij vrijen toegang hebben en dat op dien zolder is eene nederlage van oud ijzer, hetwelk aan de Maatschappij van Weldadigheid in eigendom toebehoort,

Overwegende dat door de Beschuldigden beide wordt erkend, dat zij zijn voor loon werkende arbeiders in de onder toezigt van Gerrit Eman staande weverij van de Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord, en dat zij als zoodanig toegang hebben tot den zolder van gemelde weverij, aldaar hebben weggenomen en zich toegeeigend het ijzer, hetwelk als stukken van overtuiging voorhanden is en hun is vertoond, en dat zulks heeft plaats gehad in den morgen van den elfden Mei laatsleden, omstreeks te acht ure;  dat zij twee dagen later dat ijzer hebben verkocht aan den smid te Wapserveen voor vijf en zeventig cents;


Verklaart dat wettig en overtuigend is bewezen, dat op den elfden, immers voor den dertienden Mei dezes jaars te Frederiksoord, in eene weverij van de Maatschappij van Weldadigheid is ontvreemd eenig oud ijzer, aan die Maatschappij toebehoorende, alsmede dat dat feit is bedreven door de beschuldigden Gijsbert van Rooij of van Roi en Joost Broekhuizen en vermits deze waren voor loon werkende arbeiders in die weverij dat daardoor is gepleegd, diefstal in eene werkplaats, waar de dader als werkman gewoon is te werken of de misdaad voorzien bij art.386 N. 3 van het wetboek van strafregt;

Verklaart dien ten gevolge de Beschuldigden Gijsbert van Rooij of van Roi en Joost Broekhuizen schuldig aan diefstal in eene werkplaats alwaar zij, als werklieden gewoon waren te werken,

Overwegende dat de Beschuldigde Joost Broekhuizen ten dage van de begane misdaad den ouderdom van zestien jaren nog niet had bereikt, maar dat ten volle is gebleken, dat hij heeft gehandeld met oordeel des onderscheids;

Overwegende dat de beschuldigde Gijsbert van Rooij ook nog is van zeer jeugdigen leeftijd zoodat hierin grond gelegen is om ook hem van eene onteerende straf te verschonen en eene mindere toetepassen, dan in het algemeen tegen de misdaad is bedreigd;

Gezien art. 386 aanhef en N. 3, art 66, 67 en 21 benevens 52 en 55 van het Wetboek van Strafregt, art. 12 der publicatie van den 11 December 1813 (Staatsblad N 10) en art 207 1ste lid, benevens art. 209 en 216 van het Wetboek van Strafvordering welke artikelen door den Heer President zijn voorgelezen en luiden:

Art 386 N. 3 van het Wetboek van Strafregt “Met het tuchthuis zal gestraft worden, al wie zich schuldig gemaakt heeft aan dieverijen, in een der navolgende gevallen gepleegd:
3e In geval de dief een huis of loonbediende is; zelfs wanneer hij den diefstal begaan mogt hebben bij lieden, die hij  niet diende, maar die zich, hetzij in het huis van zijnen heer, hetzij in het huis, waar hij met zijnen heer was, bevonden; of ingeval hij een handwerksman, gezel of leerknecht in het huis, de werkplaats of den winkel of het pakhuis van zijnen meester is of iemand, die in de woning, waar hij gestolen heeft, gewoon was te werken;”

Art 66 van datzelfde Wetboek “Wanneer de beschuldigde beneden de zestien jaren oud is, zal hij, indien het uitgemaakt is, dat hij zonder oordeel des onderscheids gehandeld heeft, vrijgesproken worden, maar hij zal, naar gelang der omstandigheden, aan zijne naastbestaanden teruggegeven, of in een verbeterhuis gebragt worden, ten einde gedurende zoo veele jaren als het vonnis bepalen zal, aldaar opgevoed en in hechtenis gehouden te worden; hetgene echter het tijdstip der volkomene bereiking van zijn twintigste jaar niet te boven zal  mogen gaan.”

Art 67 van datzelfde Wetboek “Zoo het uitgemaakt is dat hij met oordeel des onderscheids gehandeld heeft, zullen de straffen uitgewezen worden als volgt:
Indien hij in de doodstraf, de straf van eeuwigen dwangarbeid, of een wegvoering naar een oord van ballingschap vervallen is, zal hij tot de straf eener tien tot twintig jarige gevangenzetting in een verbeterhuis veroordeeld worden.
Indien hij in de straf van dwangarbeid voor eenen tijd of in die van het tuchthuis vervallen is, zal hij tot gevangenzetting in een verbeterhuis veroordeeld worden voor een derde op het minst en voor de helft op het hoogst, van den tijd waarvoor hij tot eene dezer straffen had mogen veroordeeld worden.
in alle deze gevallen zal hij, bij het vonnis, voor vijf jaren ten minste en ten hoogste voor tien jaren, onder het toezigt der hooge policie gesteld mogen worden. Indien hij in de straf van de kaak of van de uitbanning vervallen is, zal hij tot gevangenzetting in een verbeterhuis, voor den tijd van een tot vijf jaren veroordeeld worden.”

Art 21 van datzelfde Wetboek “Elke veroordeelde tot de straf van het tuchthuis, zoo van de eene als de andere kunne, zal in een tuchthuis opgesloten en gebruikt worden tot arbeid, waarvan de opbrengst gedeeltelijk ten zijnen bate zal mogen besteed worden, zoo als dat door de hooge regering zal worden geregeld. Deze straf zal ten minste vijf, ten hoogste tien jaren duren.”

Art 52 van datzelfde Wetboek “De veroordeelingen tot geldboete, tot teruggaven tot vergoeding van schaden en interessen en in de kosten, zullen ten uitvoering gelegd mogen worden bij wege van aantasting van persoon.”

Art 55 van datzelfde Wetboek “Allen, die wegens een dezelfde misdaad of wegens een en hetzelfde wanbedrijf veroordeeld worden, zullen ieder in persoon en voor het geheel voor de boeten, teruggaven, schaden en interessen en kosten, aansprakelijk zijn”

Art 12 van de publicatie van den 11 December 1813 (Staatsblad N. 10) “De regters zullen voortaan bevoegd zijn, om in misdaden van  mindere aangelegenheid, of ook wanneer de misdadiger, hetzij uit hoofde zijner jonge jaren, of wel wegens de verleiding van anderen tot het misdrijf, of om andere favorabele omstandigheden, eene aanmerkelijke mitigatie van straf mogt verdienen, alsdan den tijd van confinement ook beneden de vijf jaren, zelfs zonder te pronkstelling, te mogen bepalen daaromtrent handelende met de meest mogelijke omzigtigheid.-“

Art 207 1ste lid van het Wetboek van Strafvordering “Wanneer het Hof den beschuldigde schuldig oordeelt zal het de straf uitspreken door de wet op het misdrijf gestelde, zelfs in het geval dat uit het onderzoek op de teregtzitting gebleken mogt zijn, dat het misdrijf tot de bevoegdheid van eenen minderen regter behoorde en den beschuldigden voorts in de kosten van het regtsgeding veroordeelen.-“

Art 209 van datzelfde Wetboek “In de gevallen waarin de wet aan het Hof de bevoegdheid geeft, om uit hoofde van de jonge jaren van den beschuldigde de verleiding van anderen of de verzachtende omstandigheden op de begane misdaad eene zachtere straf toe te passen dan in het algemeen tegen die misdaad is bedreigd, zal het Hof den beschuldigde zelfs tot eene correctionnele gevangenisstraf kunnen veroordeelen, welke dan alleen het regtsgevolg eener correctionnele veroordeeling zal hebben.”

Art 216 van datzelfde Wetboek “Het Hof zal, in alle gevallen bevelen, dat de gestolene goederen en alle andere voorwerpen, welke in de zaak als stukken van overtuiging hebben gediend aan den eigenaar of andere regthebbenden worden teruggegeven”

Regtdoende in naam en van wege den Koning

Veroordeelt de schuldig verklaarden Gijsbert van Rooij of van Roi en Joost Broekhuizen tot opsluiting in een huis van correctie den eerstgenoemden voor den tijd van drie jaren en den laatstgenoemden voor den tijd van een jaar en negen maanden,

met verdere veroordeeling solidair in de kosten van de procedure ten behoeve van den staat, berekend op eene somma van veertig gulden veertig cents, des noods executabel bij lijfsdwang

en beveelt dat de gestolene goederen, die als stukken van overtuiging hebben gediend aan den eigenaar of andere regthebbenden worden teruggegeven,

Aldus gedaan en gewezen te Assen bij het provinciaal Geregtshof van Drenthe door Mrs. Gratama president, Tonckens vice president, Westra, Walraven, Nijsingh en Fabius raden in den Hove, die met den Substituut Griffier Mr. Willinge Tonckens, het oorspronkelijke arrest hebben onderteekend en uitgesproken in s Hofs openbare teregtzitting op den 18 Augustus 1843 in bijwezen van genoemde Heeren en van den Advocaat Generaal, benevens in tegenwoordigheid van den beschuldigden.

J. H. Willige Tonckens Subst Gr; S. Gratama, W. Tonckens, J. Walraven, ?? Nijsingh, W. Fabius, ?? Westra

Nadere informatie over betrokkenen