Juli 1827: De vrouw van zaalopziener Gosling Braaksma heeft stukken van nieuwe lakens geknipt en zo van vier lakens drie gemaakt

Samenvatting vonnis 611

Zitting van 25 juli 1827.

Beklaagden Geertruid ten Holte, huisvrouw van Gosling Braaksma, laatselijk gewoond te Beetsterzwaag, van daar voortvluchtig, niet aanwezig.
En Gosling Braaksma, oud 41 jaren, voorheen zaalopziener in de kolonie der Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen, thans zonder beroep, geboren te Bolsward, laatst gewoond te Beetsterzwaag, thans in depot in het Huis van Arrest te Assen, comparerende in persoon met een raadsman.

Beklaagde Geertruid ten Holte wordt beschuldigd van diefstal door in het laatst van het vorige jaar een aanzienlijk getal beddelakens ten bedrage van honderd een en veertig, die bestemd waren voor het gebruik der kolonisten in de zaal waarvan het opzigt aan haren man was toevertrouwd, met een vierde gedeelte te hebben verkleind of te laten verkleinen zoodanig, dat uit drie van die beddelakens die allen uit twee volle breedten bestonden, vier werden gemaakt van anderhalve baan breedte.

Gosling Braaksma wist van die strafbare handelingen zijner vrouw en heeft de verduisterde stukken lakens bij verschillende mensen verborgen en trachten te verbergen en is dus medepligtig geweest aan het door zijn vrouw gepleegde wanbedrijf.

Vonnis: Geertruid ten Holte vier jaar gevangenisstraf, Gosling Braaksma twee maanden gevangenis. Plus het gestolene moet worden teruggegeven aan de eigenaar. Plus de kosten van het geding (É 143,41).

Nadere informatie over betrokkenen

Gosling Braaksma wordt als zaalopziener aangesteld op een moment, 31 augustus 1823, dat de zalen in het eerste gesticht nog helemaal leeg staan, zie het besluit.

Twee jaar later, 22 oktober 1825, schrijft de directeur der koloniŽn echter over hem als wijkmeester, Drents Archief toegang 0186 invnr 76:

Braaksma / wijkmeester / É5,20 / Deze persoon sedert korte tijd met de functien van wijkmeester belast, schijnt voor die betrekking nogal geschikt≠heid te hebben, waarom den ondergeteekende bij deze voorsteld hem als wijkmeester voor de woningen der arbeidershuis≠gezinnen te benoemen en zulks in plaats van den hierbo≠vengem. geemploy≠eerde Kloekers op het gewoon salaris van É5,20 s weeks, terwijl omtrent de provisionele plaatsing dezer persoon der Heeren Leden der Permanente Kommissie reeds zijn bewust.

Naar aanleiding van dat advies stelt de permanente commissie hem aan als wijkmeester voor de arbeiderswoningen, 3 november 1825, zie het besluit.

Het jaar daarop blijkt hij dan weer zaalopziener, want op 9 december 1826, zelfde toegang invnr 82, schrijft de directeur der koloniŽn over hem:

Dat de zaalopziener Braaksma aan het 2e Etablissement beschuldigd is, van de nieuwe lakens in onbewoonde zalen onder zijn opzigt gesteld, eene halve baan te hebben afgenomen, of van drie lakens vier gemaakt, waar door hij de Maatschappij zoude hebben ontvreemd niet minder dan 40 stuks beddelakens van twee banen;
ik heb bij mijn verblijf deze week te Veenhuizen, een speciaal onderzoek omtrend die zaak gehouden, en hoewel de zaalopziener dit nog blijft ontkennen, genoegzame bewijzen voor de waarheid gevonden;
niet minder dan 22 nieuwe lakens, 2 dozijn nieuwe messen en 47 stuks vorken, alles blijkbaar uit de magazijnen der Maatschappij waren;
zoo in zijne eigene woning, als bij veteranen en arbeidershuisgezinnen door hem geborgen, en verklaarde de laatste in zijn tegenwoordigheid, die van Braaksma in bewaring te hebben genomen-

Dit kan gespeeld hebben in of het tweede of het derde gesticht, want die staan dan allebei nog grotendeels leeg. Het feit dat die gestichten langzaam bevolkt worden, zal de reden zijn dat Braaksma van wijkmeester weer zaalopziene ris geworden. Op grond van het bovenstaande schorst de directeur Braaksma, maar op 2 januari 1827, zelfde toegang invnr 83, meldt de directeur:

Dat de zaalopziener Braaksma zonder het bepaald ontslag der permanente kommissie aftewagten, spoedig na het ontdekken zijne misdaden van Veenhuizen is vertrokken;
de klagten tegen denzelve zijn niettemin bij de publieke authoriteit ingeleverd.

Als gevolg van dat laatste moeten Gosling Braaksma en zijn vrouw dus verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg in Assen, zie het vonnis hierboven. Omdat alles speelt vůůr het oudste bewaard gebleven personeelsregister wordt aangelegd (1828), heb ik geen nadere bijzonderheden (leeftijden, gezinssamenstelling) van het echtpaar.