Mei 1827: Veldwachter bij het tweede gesticht te Veenhuizen Andries Erlie heeft bij Vries een kastelein en zijn vrouw met een stok geslagen

Vonnis 604

Zitting van 23 mei 1827

Andries Erlie, oud veertig jaren, geboren te 's Gravenhage, veldwagter bij het tweede gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid in de kolonie te Veenhuizen, gedaagde comparerende in persoon.

Verdacht van mondelinge voorwaardelijke bedreiging en het toebrengen van slagen.

Eis: tien maanden gevangenis, boete van twintig gulden en de kosten van de procedure.

Op de veertiende laatsleden in een herberg bij Vries verregaande baldadigheid en de kastelein en diens vrouw ieder een slag met een stok op het hoofd toegebracht.

Vonnis acht maanden gevangenis, boete van dertien gulden en kosten van de procedure
( 9,29)

Nadere informatie over betrokkenen
Andries Erlie is herkenbaar aan 'een sabel houw over de neus en lip'. Hij komt op 25 oktober 1822 met het mannentransport uit het gesticht in Hoorn en krijgt bedelaarsnummer A141. Hij wordt ontslagen, maar geeft zich dan op 15 mei 1825 zelf aan als bedelaar bij het gemeentebestuur van Nieuwleusen. Nu niet alleen, maar in gezelschap van de 31-jarige Maria Harmsen.

Andries Erlie krijgt bedelaarsnummer A1245 op folio 494 van boek A en Maria Harmsen krijgt bedelaarsnummer A1246 op folio 495. Ze gaan later in mei naar Veenhuizen. In een brief van de directeur op 3 juni 1826, invnr 79 verklaart hij dat Erlie en Harmsen van goed gedrag zijn.

Erlie zal in zijn latere leven nog eens aan de rechtbank worden uitgeleverd en nog twee keer terugkeren in het bedelaarsgesticht.