September 1826: drie personeelsleden uit Veenhuizen vallen een veldwachter aan

Vonnis 582

Vonnis


De Regtbank van eersten Aanleg zitting houdende te Assen, provincie Drenthe, in het eerste ressort, oordeelende in materie correctioneel.

In zaken van den Heer officier bij de Regtbank ambtshalve agerende eischer kracht dagvaarding geexplooiteerd den 16 September 1826

tegen:

Thomas Holstein, oud 32 jaren, boekhouder van het eerste Etablissement van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen, sergeant in werkelijke dienst bij de 9e Afdeeling Infanterie, guarnisoen te 's-Gravenhage, doch gedetacheerd bij de Maatschappij voornoemd, geboren te Rotterdam, wonende te Veenhuizen,

tegen:

Loog ten Broek, oud 33 jaren, onderdirecteur der fabrieken in gemeld Etablissement, geboren te Nijkerk,provincie Gelderland, wonende te Veenhuizen en

tegen:

Johan Andreas Bergner, oud 54 jaren, boekhouder bij gemeld Etablissement, geboren te Aurich in Oostfriesland, wonende te Veenhuizen.

Gehoord de voordragt van den Heer officier, houdende dat de gedaagdens zouden worden gevonnist, terzake zij in den avond van den vijfden September jongstleden ten huize van den tapper Boele Tijmens te Norg, een persoon van Jan van Oosten, veldwagter van het tweede Etablissement van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen, gezamentlijk hebben aangevallen, buiten de deur op de grond geworpen, en aldaar geschopt of geslagen, tengevolge waarvan gezegde Jan van Oosten wonden en kneuzingen heeft bekomen.

Gezien het Proces-Verbaal van aanklagte gedaan aan de Burgemeester van Norg,

Gehoord de mondelinge depositien der getuigen ter requisitie van het Openbaar Ministerie gedagvaard, alsmede de getuigen tot decharge.

Gehoord de opgaven der gedaagdens,

Gehoord het requisitoor van den Heer Officier, strekkende tot absolutie van den eisch tegen de beklaagdens genomen.

Overwegende dat uit de instructie dezer zaak niet genoegzaam is gebleken dat de beklaagdens zich hebben schuldig gemaakt aan het feit hun bij dagvaarding der 16 September ten laste gelegd, ontslaat de beklaagdens Thomas Holstein, Loog ten Broek en Johan Andreas Bergner van de beschuldiging  welke tegen hun is ingebragt.

Aldus gewezen te Assen in de gewoone gehoorzaal den vierden Oktober achttienhonderd zes en twintig, tegenwoordig de Heeren Gratama, Regter Loco Presides, A.Homan plaatsvervangend Regter, H.Vos, advocaat, ingevolge Artikel 49 van het decreet van den 30 Maart 1808 geassumeerd. Servatius, officier; H.Vos; A.Homan; S.Gratama; G.W. Van der Feltz, griffier.

Nadere informatie over betrokkenen
Voor de benoeming van Holstei(j)n zie hier, de bevordering van Bergner staat hier, over de broers Ten Broek(e) volgt later nog een pagina.