December 1825: Kolonist en bakkersbaas Scholten slaat kolonist en bakkersknecht Mollevanger de hele bakkerij door - globale samenvatting van de stukken

Vonnis 527

Deze kwestie wordt verhaald op pagina 91 van De strafkolonie.

Zitting van 21 december 1825

Op 25 oktober 1825 zendt de burgtemeester van Vledder S.J. van Royen het proces verbaal in, waarin hij meldt:
22 oktober 1825, des voordemiddags elf uuren, compareerden Jacob Mollevanger, benevens Cornelis van Oyen en Johannes Hermanus de Bruin, alledrie geemployeerden in de bakkerij te Frederiksoord,
klagende eerstgenoemde dat hij laatstleden woensdag des morgens omstreeks negen uuren in de bakkerij was gekomen, om vandaar op permissie van den Heer AdjunctDirecteur Falck eenige aldaar leggende muursteenen te halen,
dat de bakkersbaas Berend Scholte hem zulks niet willende toestaan, daarover tusschen hen eenige woordenwisseling was voorgevallen,
dat de genoemde bakker hem comparant daarop voor het hoofd hadde geslagen, en meer als een keer tegen den grond had geworpen, door de bakkerij gesleept, en zoo geweldig geslagen had, dat hij twee dagen daarna, ten gevolge daarvan, zijn bed had moeten houden,
de tweede comparant C. van Oyen zegt, dat hij door zijn makkers van voren was geroepen om den eerstgenoemden te helpen verlossen, dat hij daar komende, had gezien dat de meergenoemde bakkersbaas, den eerstgenoemde comparant op de grond leggende onderhad, en door Hendrik Peetzold er werd afgetrokken, terwijl de laatstgenoemde comparant Johannes Hermanus de Bruin verklaard bij het voorschreven geval van het begin tot het einde tegenwoordig te zijn geweest

Berend Scholte wordt gedagvaard.

Mollevanger, van Oyen en de Bruin worden gedagvaard.

En tenslotte het proces verbaal van de zitting.

Scholten komt met als verdediger jonkheer van der Wijck

Mollevanger vertelt dat de ramen in zijn woning te hoog geplaatst waren, had de stenen mee willen nemen, dat mocht niet van Scholten, en toe had Mollevanger een briefje van de adjunct-directeur gehaald.
Tegen Scholten had hij gezegd dat hij eerlijker was, want Scholten zou een keer stenen van de Maatschappij gejat hebben door ze mee te nemen in een mand met gras eroverheen.
Dat op dit gezegde Scholten hem op de mond had geslagen en hem in de aardappelmolen was vervolgd, waar hij hem had op den grond geworpen, getrapt en geslagen, totdat hij door zijne makkers was ontzet, doch dat Scholten daarna deze mishandeling nogmaals had herhaald, en hem bovendien door de bakkerij had gescheurd.
Hij geeft toe Scholten voor schelm en gauwdief te hebben gescholden, maar dat was pas na de mishandeling.

Verklaring van Oyen ongeveer hetzelfde, dat hij in de molen komende had gezien dat Mollevanger op de grond lag en Scholten daarbovenop, Verder weinig gezien, wel dat Mollevanger bij zijn vertrek had gebloed. Ook Scholten had bloed op zijn hand.

De Bruin heeft het over minimaal twee keer op de grond geworpen, geslagen en 'bij de benen door dem bakkerij gesleept'.

Scholten stelt, dat hij, driftig geworden zijnde, toen Mollevanger hem voor dief gescholden had,

Eis: 'gevangenis van zes dagen, boete van zestien gulden en in de kosten des procedure'.

Wordt schuldig verklaard. Overwegende dat in dezen omstandigheden aanwezig zijn welke het wanbedrijf schijnen te verkleinen ... en er geen grote schade is aangericht, volgen diverse wetsartikelen.

Vonnis, invnr 2605, nummer 527: vijftien gulden boete en de kosten van de procedure (15 gulden en 23 cent)

Nadere informatie over betrokkenen
Zie voor meer over Jacob Mollevanger op deze pagina.