Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen





De carrière van Noach Scheffener: wees in Veenhuizen, kwekeling, militair, kwekeling, hoevenaarsknecht, vrachtrijder, huisknecht, zaalopziener


Als Noach Scheffener in de kolonie aankomt wordt slechts zijn geboortejaar 1811 vermeld. Later wordt dat gepreciseerd tot 2 januari 1811 en nog later wordt duidelijk dat die geboorte te Veere plaats heeft gevonden. Hij komt op 23 september 1824 aan als onderdeel van de grote groepen weeskinderen die Amsterdam naar Veenhuizen stuurt na de sluiting van het Aalmoezeniersweeshuis. Zie de aankomsten in het kindergesticht op deze pagina.

Hij komt in het eerste gesticht of Veenhuizen-1. Hij staat ingeschreven als 'Scheffner' en is met weesnummer 632 te vinden in de registers
- Veenhuizen-1 met invnr 1571, klik hier, en
- wezen 1829-1830 met invnr 1410, klik hier.

Hij behoort tot de veelbelovende jongens die worden uitverkoren voor een vervolgopleiding in het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren. Zie hier voor de opzet van dat Instituut en hier voor een plaatje ervan. Hij is te vinden in het kwekelingenregister met invnr 1610 (helaas niet gedigitaliseerd) op folio 4 met kwekelingennummer 33. Er komt een eind aan als hij op 3 oktober 1830 'tot de Militaire Dienst opgeroepen en ingelijfd' wordt.

De terugkeer

Dat duurt vijf jaar. Dan is er op 31 december 1835 een brief van de directeur der koloniën Jan van Konijnenburg aan de permanente commissie, invnr 166, klik hier en vul rechtsonder het paginanummer 460 in om de scan van de brief te zien:

Ik heb de eer UWEdG: hierbij in te zenden copie eener Missive van den Instituteur van gisteren N257, houdende verzoek, om te mogen weder opnemen onder de kweekelingen, Noach Scheffener, vroeger onder N632, van de contrôle der kinderen van het Gouvernement overgenomen, bekend gestaan en thans, na 5 jaren dienst voor de Nationale Militie, met groot verlof terug gekomen;

op grond dat er van hem een geschikt ambtenaar zou kunnen worden, bij welk uitzigt UWEdG: bij Resolutie van den 14e Augustus 1833 N20 bepaald hebben, dat zulk eene wederaanneming, waarvoor ik in dit geval, wel termen meen te vinden, zal kunnen plaats hebben.

De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg

Het besluit van 14 augustus 1833 waaraan hij refereert is te vinden op deze pagina. Bijgevoegd is een brief van de Instituteur Jan Hessels van Wolda, gedateerd 30 december 1835, ook invnr 166 en vul rechtsonder het paginanummer 450 in om de scan te zien:

Wateren den 30 December 1835

Noach Scheffener vroeger 5 jaren Kweekeling aan dit gesticht en in 1830 voor de Nationale Militie opgeroepen, is nu met onbepaald verlof van zijn corps terug gekomen, vriendelijk verzoekende wederom als kweekeling te worden aangenomen.

Deze jongeling, van eene rijzige gestalte, te voren bestedeling van Amsterdam, heeft altijd het plan gehad, om, zoo mogelijk, na zijnen dienst tijd, wederom tot de Kolonien terug te keeren, in de hoop van eenmaal ambtenaar te zullen worden.

Reeds vóór mijne dienst de Kweekschool verlaten hebbende, weet ik van zijn vorig levensgedrag niets anders, dan zijne oude kennissen, de Onder Directeurs buiten en binnen, mij zeggen, namelijk, dat hij altijd een gewillige, zedige en brave jongen is geweest, en met deze getuigenis kan ik mij, ten aanzien van zijn uiterlijke voorkomen, best vereenigen.

Ik neem alzoo de vrijheid UWEDGste te verzoeken, dezen jongeling, die hier nog van ouds te goed heeft f.    (bedrag is opengelaten) wederom onder het getal kweekelingen te mogen opnemen.

Het is bij mij eene uitgemaakte waarheid en ik twijfel niet of UWEdG zal zich in dezen wel met mij vereenigen kunnen, dat kweekelingen, zullen er nog eenige ambtenaren uitvoortkomen, na eene 5 jarige landsdienst, en dus op den ouderdom van 25 a 26 jaren, tot dat oogmerk regt geschikt moeten zijn, dan namelijk, wanneer zij onbedorven zijn wedergekeerd, hetgene mij voorkomt met Scheffener het geval te wezen en bewezen is met den verleden voorjaar wederom aangenomen A: Hendrikse zeker te zijn, die eerlangs eene uitmuntende Wijkmeester zal wezen.

De Instituteur
(get) J: H: van Wolda

Voor Copie Conform
De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg

Uit bovenstaande brief wordt geciteerd op pagina 213 van De kinderkolonie. De erin genoemde Adriaan Hendrikse is een wees uit Tholen die het zal schoppen tot onderdirecteur in Wateren. De permanente commissie heeft op de brief geschreven dat zij een besluit hierover heeft genomen op 27 januari 1836 onder agendapunt N32. Dat moet zitten in invnr 444, maar dat heb ik niet gezien en dat hoeft ook niet want het vervolg maakt duidelijk dat Noach weer in genade is aangenomen door de koloniën.

Weg uit Wateren

Hij staat nu in het kwekelingenregister met invnr 1582 met kwekelingennummer 30 en achter zijn naam 'P.K.', wat inhoudt dat hij op kosten van de permanente commissie gevestigd is. Als opnamedatum staat vermeld 1 maart 1836. Aangetekend wordt dat hij op 11 april 1837 uit Wateren vertrekt en wordt tewerkgesteld bij de hoevenaar Verwer op hoeve nummer 8 bij de Ommerschans.

In het register van hoevenaars 1836-1847, ook invnr 1582, zien we hem inderdaad bij Johannes Verwer in huis staan, zie de transcriptie op www.bonmama. Op 26 april 1838 volgt de volgende overplaatsing: Noach Scheffener gaat naar de vrije kolonie Frederiksoord.

Hij is nu te volgen in het stamboek van Frederiksoord 1835-1841 met invnr 1349, klik hier en zoek op hoevenummer. Hij begint op hoeve 2, ondergebracht bij de kolonist Teunis Verboom. Al op 28 juni 1838 gaat hij over naar hoeve 8, bij de kolonist Pieter Jan Pennings in huis. Daar blijft hij lang. Ook in het volgende stamboek van Frederiksoord, met invnr 1350, klik hier, woont hij nog op hoeve 8.

Volgens een notitie in de kolonistendatabase is hij deze periode 'vrachtrijder in dienst der Mij van Weldadigheid'. Maar als Jan Hessels van Wolda op 23 februari 1841 een overzicht maakt hoe het ex-kwekelingen in hun verdere leven vergaat, is Noach Scheffener 'knecht bij den Heer Direkteur der Koloniën'. Dat is nog steeds de hiervoor genoemde Jan van Konijnenburg.

Zaalopziener

Het is tijd voor een volgende stap: een eigen huishouden. Op 22 oktober 1842 onder agendapunt N1 neemt de permanente commissie een besluit over hem. Dat heb ik niet gezien - voor liefhebbers invnr 533 - maar het lijkt me dat ze hem aanstellen als zaalopziener te Veenhuizen.

Zaalopzieners moeten gehuwd zijn, maar dat plan was blijkbaar al rond, want op 19 november 1842 trouwt Noach Scheffener, 'oud 31 jaar, van beroep dienstknecht, geboren te Veere (Zl), woonachtig te Frederiksoord' te Ommen met Joanna Jans Dorenkamp (hier Janna Dirks genoemd), geboren 12 augustus 1811. Ze woont in de buurt dus hij zal haar hebben leren kennen toen hij op de hoeve bij de Ommerschans werkte. Zie de uitgeschreven huwelijksakte op www.bonmama.nl/

Per diezelfde datum wordt Noach uit Frederiksoord ontslagen en begint hij zijn werk als zaalopziener in het derde gesticht te Veenhuizen. Uit dat gesticht zijn juist de meeste weeskinderen vertrokken en het is nu voornamelijk bedelaarsgesticht. Het gezin staat op folio 78 van het personeelsregister met invnr 998 en daar worden drie kinderen vermeld:

Krina Magdalena Scheffener, geboren 17 januari 1844,
Jan Dirks Scheffener, geboren 4 oktober 1845, en
Frederik Willem Scheffener, geboren 18 januari 1847.

Overlijden en de weduwe

Dan komt een einde aan Noach Scheffeners carrière. Hij overlijdt op 20 juni 1848. Drie dagen later sterft ook het jongste zoontje, blijkbaar is de familie door een besmettelijke ziekte getroffen. Een notitie in het personeelsregister meldt dat de permanente commissie op 26 juli 1848 onder agendapunt N8 - dat zou moeten zitten in invnr 616 - een besluit neemt  om 'de weduwe Scheffener' aan te stellen als 'knipster in de fabriek' en om 'de weduwe Scheffener en twee kinderen' per 1 augustus als arbeidersgezin te plaatsen.

Daarna valt in het boek van Albert Piel, dat op de site van de historische vereniging Avereest staat, te lezen dat er op 26 januari 1849 een volgend besluit is - dat zou moeten zitten in invnr 629 - houdende: 'Benoeming van de weduwe Scheffener als waschvrouw te Ommerschans in plaats van de door ouderdom en zwakte ontslagen weduwe Meeuwisse'.

Halverwege deze pagina is te zien dat de weduwe in mei 1849 een bovenkamer in het derde gesticht ontruimt en vanaf dat moment is zij tientallen jaren de wasvrouw van de Ommerschans.