Jacob Mollevanger, vrije kolonist van 18 mei 1820 tot 18 mei 1839

De regenten van het Aalmoezeniersweeshuis Alkmaar sluiten een contract met de Maatschappij van Weldadigheid voor de plaatsing van zes weeskinderen en twee gezinnen in de vrije koloniŽn. Zie hier voor afbeeldingen van dat contract en er komen nog pagina's met uitleg over dit soort contracten.
In het kader van dat contract arriveert Jacob Mollevanger op 18 mei 1820 in het stukje nieuwe kolonie dat dan nog Frederiksoord-2 heet, maar een paar jaar later gewoon bij Frederiksoord hoort. Hij is vergezeld van echtgenote Neeltje Boendermaker, die weduwe is van ene Looijens en uit dat eerste huwelijk ťťn kind heeft, Neeltje Looijens..Die is bij aankomst bijna 11 jaar en verlaat na zes jaar de kolonie. Samen hebben Jacob en Neeltje vier kinderen en op de kolonie komen er nog drie bij.
Op 20 mei 1820 schrijft directeur der koloniŽn Benjamin van den Bosch, invnr 55:

De opgezondene kinderen met t huisge≠zin van Jacob Molle≠vanger uit Alkmaar zijn heden aangekomen. Uitgezondert Sijtje Ver≠dwaald, die bij het vertrek vermist is, en Maarten de Vos, ziek achtergebleven.

Het gezin vestigt zich volgens de staat op deze pagina op hoeve 13 (zie aldaar), maar volgens invnr 1346 (Frederiksoord tot 1828) op hoeve 66, tegenwoordig Koningin Wilhelminalaan 63. Zie dit kaartje voor de locatie.
Na een jaar komen er klachten vanuit de kolonieleiding. De nieuwe directeur der koloniŽn Wouter Visser schrijft op 26 juli 1821, invnr 58:

De kolonist Mollevanger in kol. N2 zich telkens schuldig makenden aan het versprei≠den van valsche de zaak der kolonien nadelige berigten, zoo onder de nieuw aankomende kolonisten, als bij menschen welken de kolonie bezoeken, en elders waartoe het volgende ten bewijze verstrekt.
1. met kolonisten van N4 arbeidende zijde hij "waarvoor zullen wij zoo veel werk doen? Men bekomt daar voor slegts 13 stuivers daags. Dit is te veel om te sterven en te weinig om te leven. Zoo maakt men het hier altijd met ons en nu gaat het ons goed, maar wagt eens tot de winter komt. Dan lijden wij hier gebreken enz."
2. Voorgis≠teren eenige borg(?)leden uit het armbestuur van Alkmaar bij hem komende verklaarde hij bijna het bovenstaan≠de, er nog bij voegende dat men nu weder een nieuw bewijs gaf van de willekeurige handelswijs met de kolonisten, door hun te verpligten maande≠lijks voor 8 gulden goederen te ontvangen, en hem 30 schepels aardappe≠len - zaaikoorn - in rekening bragt, waar hij slegts 15 schepel had genoten; al het welke de onbeschaamdste leugentaal in zich bevat:
Het is met overleg van den Heer 2e adsessor, dat ik de eer heb de Perm. Kommissie voorte≠stellen om ook deze kolonist uit de kolonie te verwijderen en door een ander te vervangen.

De 2e adsessor is Johannes van den Bosch, die zich drie dagen later, 29 juli 1821, invnr 58, ook over deze kwestie aan de permanente commissie schrijft. Ook hij wil het gezin van de kolonie afsturen, maar in het PS-je bedenkt hij hoe het anders kan:

Het word meer en meer noodzakelijk het gezamelijke gezin van Molle≠vanger van Alkmaar te verweideren. Er zijn eenige van dit soort van knapen die de nieuw aankomelingen indisponeren. Ik durf geloven dat een voorbeeld van dien aard een einde maken zal aan een intrigue die ons veel kwaad doet.
Misschien zelfs kiest Mollevanger zelf eijeren voor zijn geld en bid van te blijven. Dit zal dan het beste bewijs zijn van de onwaarheid van zijne gezeg≠dens.
Reeds heb ik een paar leden van de subkommissie van Alkmaar geinformeerd dat wij zouden eindi≠gen met zulk een onvergenoegde schepsels weg te jagen. Tijmes en Ocker, beide mede van Alkmaar, hadden hun de kolonie hoog gevoerd. Mollevanger daar en tegen dezelve als een poel van ellende afgeschil≠dert.

P.S. Het zal mij aangenaam zijn, zo de beoordeling van het geval met Mollevan≠ger geheel aan mij word overgelaten. Ik verbeeld mij dat de zekerheid van niet weggestuurd te zullen worden de geheele grond van zijn gedrag oplevert.

Blijkbaar werkt de aanpak van Johannes, want het gezin blijft op de kolonie. Het gemopper van Jacob Mollevanger verstomt als hij op de broodbakkerij van Frederiksoord werkzaam is. Al krijgt hij in die bakkerij op een gegeven moment een verschrikkelijk pak slaag. Dat verhaal komt nog te staan op deze pagina onder het kopje 'Bakkeleien in de broodbakkerij'.
Inmiddels is het gezin verhuisd. Invnr 1346 meldt: 'naar hoeve 32 den 1 oktober 1825'. Zie dit kaartje voor de locatie.
Daar blijft het gezin heel lang wonen. Af en toe verschijnt een van de kinderen voor de raad van politie en tucht, invnr 1615, wegens baldadigheid. Zoals op 2 maart 1833 en op 3 november 1834 als Arij Mollevanger betrokken is bij een vechtpartij. Voor alle tuchtzittingen geldt dat transcripties die ik heb op de site komen, maar dat is een operatie die nogal even zal vergen, dus check via deze pagina of de betreffende zitting er al opstaat.

Dan, in 1835, wordt Jacob Mollevanger betrapt op diefstal uit de bakkerij. Invnr 1349 bij hoeve 32 meldt: 'J. Mollevanger uitgeleverd aan de justitie 3 oktober 1835'. Het levert Jacob een veroordeling en verblijf in het tuchthuis in Leeuwarden. Kort nadat hij bij justitie is afgeleverd, wordt de rest van het gezin verplaatst naar Wilhelminaoord: Ook invnr 1349: 'N. Boendermaker en gezin naar kol 2/2 den 31 oktober 1835'.
Volgens invnr 1355 komen ze in hoeve 2, zie dit kaartje voor de locatie. Twee jaar later, nog steeds volgens invnr 1355, worden ze weer verplaatst, nu naar hoeve 22, zie dit kaartje voor de locatie.

Het is daar dat Jacob Mollevanger na zijn detentie terugkeert. Er daar speelt ook het conflict rond de ene ingedeelde die Jacob in huis aantreft. Hendrik van Elst, geboren 28 oktober 1819, aankomst in de kolonie 9 juli 1828,  op contract A27 voor 12 kinderen en 4 huisgezinnen met Burgemeesteren van 's Gravenhage.
De problemen worden beschreven in de raad van toezicht van Wilhelminaoord van 24 december 1838 die wordt behandeld bij de raad van politie en tucht van 19 januari 1839, invnr 1616. Ook voor deze tuchtzittingen geldt: check via hier of ze er al opstaan.
De uitvoering van dat vonnis lukt niet. Dat blijkt uit een brief van directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg aan de permanente commissie op 1 februari 1839, met als bijlage een schrijven van 31 januari van onderdirecteur Anne Hendriks Idserda van Wilhelminaoord, invnr 205 scans 015-017:

Ik heb de eer UwEdG het volgende te berigten.

Blijkens het bij mijnen brief van den 26 januarij JL N. 221 ingezonden proces-verbaal is den kolonist J. Mollenvanger, hoeve N 22 van Kol. N. 2, zes dagen opsluiting in de strafkamer opgelegd, ter oorzake van weigering van gehoorzaamheid in de opname of eigenlijk het behouden van eenen ingedeelden.

Ik leg hierbij over een Schriftelijk rapport van den Onder Directeur aan den Adjunct Directeur, waaruit blijkt dat hij weigert dien straf te ondergaan,- volhoudt bij de weigering eens ingedeelden met bedreigingen tegen mijn persoon.-

UwEdG vernemen hieromtrent nog, dat Mollenvanger, in het najaar van 1835, ter zake van ontvreemding met braak uit de bakkerij, met 3 jaren gevangenis straf is gestraft geworden en dat hij, al dadelijk na zijne te huis komst, vůůr eenige maanden, uit het tuchthuis te Leeuwarden, getoond heeft, in plaats van te zijn verbeterd, alle redelijk gevoel te hebben verloren en in de gevangenis slechts eene wraak te hebben gevoed tegen mijn  persoon, die hem om zijne misdaad, aan den gewonen Regter heeft moeten overgeven.

De zorg van zijn huisgezin gedurende zijn afwezen, de dienst zijner dochter in mijn huis,- die niet f 15.-, maar f 35.- vast loon genoten heeft en dan ook vreedzaam vertrokken is, met het voornemen, om binnen eenige maanden een huwelijk aantegaan;-
mijne pogingen in den Raad, om hem zijne verpligtingen te doen  gevoelen, ook de vermaningen zijner huisgenoten: niets kan hem tot betere gedachten brengen en is hij alzoo, in der daad, een zeer gevaarlijk mensch waarvan ik zelf kwalijk meer zeggen  kan, dan alleen, dat de Adjunct Directeur mij dit heden zeer nadrukkelijk onder de aandacht heeft gebragt.

Ik heb in beraad gestaan, om, ingevolge het, bij UwEdG brief van den 28 December 1837 N3 ontvangen Koninklijk Besluit van 16 december 1820 N. 86, de hulp der plaatselijke Policie in te roepen, om Mollenvanger in de strafkamer te brengen; maar ben daarvan terug gekomen, omdat de koloniale Directie zulks met geweld zelve wel doen kan;
- omdat Kol. N2 in de Grietenij Weststellingwerf gelegen is, aan welks Bestuur dat besluit niet is medegedeeld;
 - omdat zoodanige hulp in mijne dienst tijd nog nimmer heeft behoeven te worden ingeroepen;
- omdat de zaak daarmede nog geenzins zoude zijn afgeloopen, daar Mollenvanger zich tegen de indeeling blijft verzetten met uitdrukkingen, die op zich zelve wederom zeer strafbaar zijn.

Beter heb ik het dan geoordeeld de uitvoering van de straf nog uit te stellen, tot dat UwEdG mij zullen hebben doen kennen, hoe hierin het voorzigtigste en doelmatigste gehandeld zal wezen.

Het komt mij voor, dat er alle termen bestaan voor eene verwijzing naar de Ommerschans, hetzij reeds dadelijk op bepaalde last van UwEdG, mij op deze mededeeling te geven, het zij, na een Besluit van den Raad van tucht, welks bekrachtiging door UwEdG, in dat geval, ik nu voor als dan reeds van UwEdG verzoeken zou, omdat zijne boosheid wel niet verminderen zal.

Tevens gelieven UwEdG mij te onderrigten of ik dan geweld zal kunnen gebruiken ter zijner overbrenging  naar de Ommerschans, dan of ik hem, bij verder verzet, op staande voet met zijn huisgezin uit de kolonien zal kunnen ontslaan; doch, daar hij dan, in den Winter, in volstrekte armoede gedompeld, ligtelijk door de kolonien zal rondzwerven, is zulks noch wenschelijk voor hem noch voorzigtig ten opzigte zijner booze gedachten.

Het komt mij daarom beter voor, hem, na het Besluit van den Raad, terstond naar de Ommerschans te doen overbrengen, zijn huisgezin na te zenden en hem daar de gelegenheid te laten, pogingen tot zijn ontslag aan te wenden.

UwEdG gelieven mij hieromtrent wel eenigzins spoedig te onderrigten.

In de kantlijn bijgeschreven door de permanente commissie: Mollenvanger en gezin op contract met regenten van het Aalmoezeniershuis te Alkmaar, hij is in Oct 1835 uitgeleverd aan de Justitie teruggekomen Nov 1838

En zoals in de brief aangekondigd, zit er als bijlage een brief bij, gedateerd 31 januari 1839, van de onderdirecteur van Wilhelminaoord, Anne Hendriks Idserda aan directeur Van Konijnenburg, invnr 204 scan 673:

Frederiksoord den 31 Januarij 1839

Weledele Heer!

    Ten gevolge bekomen aanschrijving van UwEd heb ik mij heden met den wijkmeester Kroll begeven naar de woning van den kolonist Mollevanger, met het voornemen om hem naar de Provoost te brengen, daar hij echter niet te huis was, maar op het werk, begaven wij ons derwaarts, en vonden hem ten huize van David Schouten hoeve no. 61, Mollevanger met het doel onze komst bekendt makende, hadt de Brutaliteit, zich nagenoeg, op de volgende wijze uit te laten.
    Ik verdom het om met uw naar de Provoost te gaan ik wil mij liever dood laten schieten, ik wil niet door de Directie van de Maatschappij gestraft worden, laat den Directeur mij voor den Rechtbank te Leeuwarden roepen om daar gevonnist te worden.
    Verder heeft hij gezegd, als den Directeur mijn vrouw en kinder ongelukkig maakte, hij op den Directeur zoude loopen, of was het over tien jaren, om deszelfs vrouw ook ongelukkig te maken, hij heeft gezegd den Directeur zoekt mij, om redenen ik mijn dochter niet voor vijftien guldens in ít jaar bij hem laten dienen wil
    Verders ging hij voort met de Directie te lasteren en te beschimpen, te veel om hier te melden.
    Willende volstrekt geen indeeling van eenig persoon hoegenaamd in zijn huis gedogen, volgens zijn eigen gezegdens, als liever te willen sterven, eer hij zulks gedoogde.
    Ik heb hem trachten te neder te zetten doch alles vruchteloos, en niets hielp om zijn woede tot bedaren te brengen. Met een woord gezegd ik beschouw hem als een zeer gevaarlijk mensch in de maatschappij.
    Ziende dat genoemde Mollevanger niet anders door middelen van geweld, naar de Provoost te krijgen was, heb ik ingevolgde UEd last, van onze magt of kracht, geen gebruik willen maken, zonder door een Ambtenaar van politie geadsiteerd te zijn. Welke volgens UEd zeggen, in geval van verzet gevraagd zoude worden.
Ik zal UEd order hier om trent nader blijven inwachten.
Ik heb de eer met achting te zijn.
De OnderDirecteur van Kol 2
A.H. Idserda

De permanente commissie buigt zich over de kwestie op 11 februari 1839 onder agendapunt N3, invnr 483. Ze besluit aan de directeur te schrijven:

In antwoord op UwEd brief van den 1 dezer N281 hebben wij de eer UwEd te magtigen om den kolonist J. Mollevanger voor de Raad van tucht te regt te stellen, en hem, ingeval hij naar den strafkolonie wordt verwezen, onmiddellijk derwaarts te doen overbrengen, des noods met behulp der policie, kunnende het vonnis nu voor alsdan bekrachtigd worden beschouwd.

Aldus geschiedt. Jacob Mollevanger komt in de strafkolonie aan op 19 februari 1839, hij wordt daar ontslagen op 23 april 1839, invnr 1585, strafkolonisten 1836-1847, folio 6. Het hele gezin verlaat de kolonie op 18 mei 1839, exact negentien jaar na hun aankomst.