Archiefstukken komen uit het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. Onderstaande is gebaseerd op achtereenvolgens notulen pc (inv.nr. 38), staatscourant 8 april 1819, bijlage met inschrijvingen bij een brief van Benjamin aan de pc dd 21 december 1819 (inv.nr. 53), brieven met moppers van Johannes en Visser december 1821 (inv. nr. 59) en verslagen raad van tucht (inv.nr. 1616).

Dat plaggensteeken leverd geene behoorlijke verdiensten op


De Maatschappij van Weldadigheid heeft bij haar start een ge-wel-di-ge pers. Van Zierikzeesche Courant tot Provinciale Groninger Courant wordt juichend meldig gemaakt van deze 'verbroedering, welker doel zoo edel en pligtmatig is'. Het spreekt zich rond. Of je nu zelf kunt lezen of niet, het kan je niet ontgaan dat er in Zuidwest Drenthe iets wordt ondernomen tegen de armoede.
In het boek wordt aangestipt (blz. 134) dat de kolonie daardoor ongewenste bezoekers krijgt. Mensen die door een stadsbestuur op de bonnefooi die kant opgestuurd zijn of die op eigen initiatief binnen komen wandelen. Hier licht ik een zo'n initiatiefrijke werkzoekende pauper eruit, eentje die er zelfs in slaagt op de kolonie opgenomen te worden!


Hij heet Huibert van der Griend, wat ook wel voor komt als Grind, Grint en Grient, en dan hebben we het nog niet eens over de variaties in voornaam (Hubert, Hubrecht) en in de tussenvoegsels. Hij is vermoedelijk rond de 53 jaar, hij komt uit Giessen Nieuwkerk in de buurt van Sliedrecht en hij is vergezeld van vrouw en kinderen als hij ergens eind 1818 of begin 1819 brutaalweg naar de kolonie komt. En... de directeur van de kolonie, Benjamin van den Bosch, ziet het gezin best zitten.
In maart 1819, een half jaar na de start van het experiment, is ook Johannes van den Bosch in Frederiksoord. En direct na diens terugkeer in Den Haag wordt de kwestie van der Griend besproken in de vergadering van de permanente commissie. Op 3 april wordt besloten de directeur te laten weten dat hij desnoods het gezin mag laten deelnemen aan de spinarbeid op de kolonie, maar dat hij ze beslist niet als kolonist mag aannemen.

Er is immers net een nieuwe financieringsopzet bedacht. Een hoeve wordt verbonden aan een subcommissie die in zestien jaar de stichtingskosten van zo'n hoeve moet afbetalen om er een kolonist te mogen plaatsen. En Sliedrecht heeft nauwelijks betalende leden van de Maatschappij. En maar drie abonnementen op het maandblad. Al heeft n abonnee wel een hle mooie naam: 'De Sliedrechtse leesvereniging met de Spreuk: Wij zoeken in deez' Broederkring, Verlichting en Verbetering'

Om het den volke nog eens goed duidelijk te maken, wordt er een paar dagen later een advertentie in de krant gezet:

''s Gravenhage, den 7 april.
De Permanente Commissie van Weldadigheid acht het noodig, alle schouten en leden der plaatselijke besturen, vooral ten platten landen, op het dringendste te verzoeken, om voortaan geene personen of huisgezinnen, eigener gezag, en zonder hare voorkennis en consent, naar de kolonie van Frederiks-oord op te zenden, dewijl de directeur, ingevolge haar besluit, niemand der zoodanigen in de kolonien opnemen, maar allen onverwijld naar de plaats hunner woning terug zenden zal.'

Desalniettemin blijft Huibert van der Griend het proberen. En met succes! Als eind 1819 het aangrenzende Frederiksoord-2 bevolkt wordt, krijgt het gezin een hoeve. Vermoedelijk heeft Johannes van den Bosch, die eind november-begin december ook ter plekke is, over zijn hart gestreken en zijn broer toestemming gegeven. Benjamin schrijft ze in ieder geval op 19 december 1819 in als bewoners van de nieuwe kolonie:




Het is niet echt secuur. Van zowel de echtgenote als de oudste dochter is uit andere bronnen bekend dat ze Ariaantje of Adriaantje heten in plaats van Johanna. De leeftijden zullen gebaseerd zijn op de eigen opgaaf van Huibert. Verder is er volgens onderzoekers ook nog een dochter Cornelia. Onderaan het vel noteert Benjamin nog:


Hoedanook, vanaf dit moment zijn de van der Griendts kolonisten. En dan wordt ook duidelijk waarom de directeur het wel in hun zag zitten: het zijn goeie werkers. Uit een jaarstaat die ik binnenkort nog op de site zal zetten, blijkt dat ze meer produceren dan de meeste andere kolonisten.
Maar het blijft wel een wankele basis. Bij die andere kolonisten is er een subcommissie die hun verblijf bekostigt, de Van der Griends hebben niemand die voor hun betaalt. En die status breekt ze na twee jaar ook op. Het is 3 december 1821 als Johannes aan de pc schrijft:

'Van der Grient heeft zich onbetamelijk gedragen. Deze man is uit barmhartigheid in de kolonie opgenomen dewijl hij niet voor rekening van eenige subkommissie geplaatst is. (...)  Van de zulke althans behoren wij geene inbreuk op onze wetten te dulden.'

Hij laat het aan de directeur, inmiddels is dat Wouter Visser, over om uit te leggen wat er precies gebeurd is en die schrijft de volgende dag:

'dat de persoon van van der Griend, kolonie no.2, hoeve no.1 aan den wijkm: Ollart geweigert hebbende plaggen te steeken, ik den zelven op het daar van bekomen rapport heb ondervraagd, dat, toen ik hem op zijne volmondige bekentenis des zaak, voorstelde dat hij een dubbelde en onverdiende gunst der Maatschappij genoot, en derhalve de eerste moest zijn, die zonder eenige tegenspraak de gegeven order observeerde, hij mij antwoorde, dat plaggensteeken leverd geene behoorlijke verdiensten op'

Visser beschrijft dat hij vervolgens begon te dreigen dat hij de familie van de kolonie af zou laten gooien, waarop Huibert van der Griend als enige reactie

'dat met het is goed, beantwoorde.'

Zulke brutaliteiten worden niet gepikt van kolonisten en al helemaal niet van kolonisten die zonder betalende subcommissie 'uit barmhartigheid' geplaatst zijn. Ze moeten de kolonie verlaten, maar... blijkbaar blijven ze wel in de omgeving. Een aantal jaren later trouwt dochter Ariaantje vlakbij de kolonie, in Vledder, met een kolonistenzoon.

Jan Smies komt uit Zeeuws-Vlaanderen en is in 1818 op de kolonie gekomen met het gezin van zijn stiefvader, proefkolonist De Ruiter (zie onderaan). Hij is 27 en Ariaantje is 22 als ze september 1827 trouwen. Op de kolonie is geen plek voor ze en ze zullen zich in het huttendorp op het Nijenslekerveld gevestigd hebben. Daar wordt in ieder geval oktober 1827 een zoontje geboren die de naam Jan krijgt, wat later tot gevolg zal hebben dat hij in de kolonie-boeken terechtkomt als Jan Smies jr.
Ook te Nijensleek wordt in 1830 een kind geboren dat maar kort leeft en dan moet Ariaantje vr 1836 overleden zijn. In dat jaar verwerft Jan Smies zich alsnog een koloniale hoeve. Hij huwt als 'weduwnaar Jantje van der Griend' de weduwe van proefkolonist Krabshuis, een van die jonge kolonistenzoon-oudere kolonistenweduwe huwelijken die vaak voorkomen, zie hier. Hoeve nummer 29 van Krabshuis wordt op zijn naam overgeschreven.

Niet voor lang, vier jaar later overlijdt hij. De zoon van hem en Ariaantje, Jan Smies jr., blijft met zijn stiefmoeder en haar kinderen op de hoeve wonen. Later wordt hij opgenomen in huis bij zijn grootmoeder, Levina Lamare weduwe van Smies en weduwe van proefkolonist Hubrecht de Ruiter. Met enige regelmaat komt hij in botsing met de discipline op de kolonie. Juli 1838 bijvoorbeeld moet hij met enkele kameraden terechtstaan op beschuldiging

'een gedeelte des muurs van het secreet bij de katoenweverij te hebben afgebroken'.

Dat kost hem twee dagen opsluiting in de strafkamer op de kolonie.
En dag meer, dus drie dagen opsluiting, krijgt hij een maand later aan zijn broek. Samen met drie anderen zou hij het te veld staande gewas hebben beschadigd door er doorheen te lopen. Een van de mede-daders die ook drie dagen strafkamer krijgt is de n jaar oudere Agnes Versluis uit Amsterdam, met haar ouders gevestigd op hoeve 24 in Frederiksoord.

En met die Agnes Versluis trouwt hij in 1850. De subcommissie van weldadigheid Amsterdam benoemt hem als opvolger van Agnes' vader en als zijn grootmoeder overlijdt kan hij 'uit de contributie van Amsterdam' haar hoeve overnemen. Alsnog is een nakomeling van Huibert van der Griend kolonist geworden.

Jan Smies jr. zal altijd op de kolonie blijven. Hij wordt zelfs 'opziener' van net zo'n katoenweverij als waarvan hij in zijn jeugd het toiletmuurtje had gesloopt. Hij overlijdt oudejaarsdag 1893 in Wilhelminaoord.







Nadere informatie over de betrokkenen
 Wordt nog uitgebreid:Vet is een externe link, bij een niet-vette link blijf je op deze pagina's.


Huibert van der Griend ...
Op de site wordt hij ook genoemd bij de eerstaankomenden in Frederiksoord-2 , als bewoner van die kolonie (op hoeve nummer 1), en elders bij de donaties voor de watersnoodramp. Later schijnt hij zich met echtgenote en dochter Cornelia te bevinden in Schoonebeek, zie de site van werkgroep Sconebeck, Op die vermelding is zijn vermoedelijke leeftijd gebaseerd.
Die dochter Cornelia of Neeltje trouwt later te Hasselt met ene Peter Vesterink, zie de kwartierstaat Van Hengel.

Jan Smies sr.
Het huwelijk van zijn ouders staat in het trouwboek Hoek 1700-1796 op de-wit.net.  Volgens de akte van zijn tweede huwelijk is zijn vader december 1810 te Axel overleden.
Zie voor de gezinssamenstelling van zijn stiefvader het file van proefkolonist de Ruiter en voor die van zijn tweede vrouw de pagina Krabshuis. Dat tweede huwelijk wordt ook genoemd op de pagina Gewilde weduwen.

Jan Smies jr.
De acht kinderen van hem en Agnes Versluis komen voor in diverse genealogien, die ik hier nog een keer moet verzamelen.
Zie voor hem ook verhaaltje nr. 4 op deze pagina