Johannes Bernardus Greven, boekhouder in diverse koloniŽn 1820-1834

De eerste activiteiten van Johannes Bernardus Greven binnen de koloniŽn zijn mij niet helemaal helder. Volgens de kolonistendatabase, die is gebasserd op de gegevens die mevrouw Kloosterhuis heeft verzameld, zou hij op 4 april 1820 in dienst getreden zijn. Dat wordt bevestigd door deze brief uit september 1830 waarin Greven zelf dat als datum van indiensttreding noemt. Net zoals hij dat doet in deze vraag op 20 augustus 1829 om loonsverhoging dus die datum van 4 april 1820 zal wel kloppen. Die loonsverhoging krijgt hij overigens niet, dus dan helpt hij zichzelf maar.

Maar dat is op het eind, eerst het begin. Hoewel ik geen aanstellingsbesluit heb gezien denk ik dat Johannes Bernardus Greven net als alle nieuwe employťs eerst een tijdje proef draait op het Algemeen Bureau. Dat duurt niet lang want eind 1820 is hij de boekhouder van de Ommerschans. In 1821 is regelmatig sprake van hem. Zo wordt hij genoemd in het proces verbaal tegen Heintje van Vliert (komt nog op de site) en wordt hij genoemd in een brief van de strafkolonist Johannes Bosch, 20 december 1821, invnr 59. Die schrijft: Aan de adjunct-directeur 'en de Heer Greven, een Amsterdammer, hebben wij ons leven te danken. Want indien wij volgens hunne instruksies behandeld waren, geen onzer was meer.'

Vooral echter komt hij voor in de brieven van de eind 1822 ontslagen onderdirecteur Fenner, wiens wonderlijke epistels ook nog op de site komen. Volgens Fenner spant Greven met de adjunct-directeur Von Hoff samen om hem buitenspel te zetten, 'Den boekhouder eigende zich nu de Heer Adjunct naar en naar meer en meer toe. (...) Alles wat nieuwigheeden waaren de kollonie angaande, wier≠den niet met den Onder Directeur maar met den boekhouder onderhan≠delt.' Fenner noemt Greven de 'Minister van Staad' van de adjunct.

Als gezegd verdwijnt Fenner, Greven blijft. Er zijn geen personeelsregisters uit die tijd bewaard gebleven, dus voor persoonlijke informatie moeten we zijn bij registers van veel later. Greven en gezin staan op folio 4 van het register 1828-1834, invnr 997, maar dat is weinig informatief, en op folio 10 van het register dat in 1834 begint, invnr 998. Volgens dat laatste register is Johannes Bernardus geboren op 4 januari 1784 en 'Roomsch' van geloof.

Hij is getrouwd met Anna Hendrina Ootmar, geboren 14 december 1784. Het stel heeft de volgende kinderen:
● Anna Gerarda Greven, geboren 8 mei 1805; zij zal in 1836, als haar vader al niet meer voor de Maatschappij werkt, te Vledder trouwen met de kolonistenzoon Paulus van Os.
● Jan Antonius Greven, geboren 11 juli 1811; hij gaat in 1833 in militaire dienst.
● Catharina Maria Greven, geboren 20 mei 1815.
● Antonius Franciscus Greven, geboren 13 februari 1818.
● Hendrikus Gerardus Greven, geboren 20 of 27 november 1820 op de Ommerschans.
● Johanna Maria Greven, geboren 26 december 1821 op de Ommerschans en daar ook overleden 29 mei 1822.
● Gerardus Wilhelmus Greven, geboren 12 juli 1824 te Vledder, dus waarschijnlijk in Frederiksoord.

Dat dat laatste kind in Frederiksoord geboren is en niet op de Ommerschans, komt omdat de boekhouding van de schans Johannes Bernardus te veel is. Op 10 november 1822 schrijft directeur der koloniŽn Wouter Visser zorgelijk over de vertraging die de boeken van de Ommerschans hebben opgelopen, invnr 63 en hij wil het makkelijker maken door een aparte boekhouder voor binnen het gesticht (Greven) en een extra boekhouder voor buiten het gesticht (kolonie 5: Morrien):

Ter voorkoming van diergelijke vertragingen van de zijde des boekhou≠ders Greeve, zal het nodig zijn een boekhouder voor kol. no.5 aantestellen, en ten gevolge daar van heb ik de eer daar toe de Permanente Kommissie voor te dragen MorriŽn, boekhouder van kol. no.7 en in deszelfs plaats de geemploijeerde Oosting voortestellen. Ik heb intusschen no≠dig geoordeelt MorriŽn provisioneel naar de Ommerschans te detacheeren.

Als directeur Visser een maand later de verantwoording over de maand oktober klaarmaakt voor verzending, is die van de Ommerschans er nog niet. Visser kan dat wel begrijpen, brief van 8 december 1822, invnr 63:

Tevens met inzending der verantwoor≠ding voor october daar aanvol≠gende welke van alle koloniŽn, de O.S. uitgezondert tot dat einde gereed ligt;
hierbij moet ik nu even≠wel de Permanente Kommissie verzoeken in aanmer≠king te nemen, dat de werkzaamhe≠den voor den boekhouder dier kolonie nieuw en wijdlopig zijnde, volgens schrijven van de Heer Adjunkt Direkteur von Hoff, het niet aan traagheid of onattentie is toeteschrijven, dat hij weder met zijnen stukken agterlijk is:
in≠tusschen zal den heer Adjunkt Direkteur Falck zich derwaarts begeven, ten einde de werkzaamheden aldaar te bespoedigen.

De permanente commissie lijkt het met die verontschuldiging eens te zijn. Als ze op 30 januari 1823 besluit over 'de definitieve aanstelling van ambtenaren in de kolonie de Ommerschans en bepaling van het vast traktement van alle dezelve', krijgt Johannes Bernardus Greven een loon van zeven gulden per week toegekend.

Maar een half jaar later krijgt Greven toch de schuld van de gebrekkige boekhouding van de Ommerschans. Op 24 juni 1823 schrijft directeur der koloniŽn Visser aan de permanente commissie, invnr 65:

De Heer Adjunct Directeur von Hoff heeft het retard in Zijn WE Gestr. administratie lang en misschien met eenig regt aan de nieuwheid en menig≠vuldige werk in de administratie toegeschreven.
Thans schijnt ZWEdGestr. met mij van gevoelen te worden dat de grootste schuld in dezen bij den boekhouder Greven te zoeken is.
Ik neem dus de vrijheid de Permanente Kommissie voortestellen, om zoo dra een geschikt boekhouder op het Algemeen Bureau voorhanden is of wel een ander mogt aangekomen zijn, om Greven te remplaceren, zulks te doen plaats hebben; en ten einde hem met zijn talrijk huisgezin niet geheel zonder bestaan te laten, hem op het Bureau te emploijeren, alwaar hij onder gedurig en strenger opzicht van den Heer Falck geplaatst, misschien aan zijn bestemming zal voldoen.

De heer Falck is Gijsbertus Falck, adjunct-directeur voor de administratie. Toch aardig dat Visser voorstelt om Greven ondanks zijn faln niet te ontslaan. De permanente commissie is ook aardig en neemt 30 juni 1823 het voorgestelde besluit, innr 960, het mapje 1823:

Besluit der Permanente Kommissie van de Maats. van Weldadigheid van den 30 juny 1823

Den boekhouder der kolonie binnen de Ommerschans, J. Greeven, als zodanig van zijne funktie te ontslaan; zoodra zich een geschikter persoon tot zijne vervanging zal hebben opgedaan en deze daartoe aangesteld zal zijn.

De Heer J. Greeven zal nogthans in dienst van de Maatschappij blijven, en als adsistent op het Algemeen Bureau, op het gewone traktement worden geŽmployeerd.

En dus werkt Johannes Bernardus Greven voortaan op het algemeen bureau in Frederiksoord. Volgens de aantekeningen van mevrouw Kloosterhuis is hij daar 'belast met het bijschrijven van de stamboeken'. Hij verdient nog steeds zeven gulden per week en dat verandert ook niet. December 1824 behoort hij tot de zieken, blijkt uit een brief van Visser op 5 december 1824, invnr 71:

Door het overlijden van den Heer van Lochem, de zware ziekte der geemploijeerden van Riemsdijk en Greeve, en de nodige verplaatsing van Josserel hier voren gemeld, geen genoegzame personen op het Bureau aanwezig zijnde om de werkzaamheden geregeld te kunnen bij houden, zoo heb ik nodige geoordeelt, zeekere jongeling uit Meppel, genoemd Poulie, die zich vroeger tot het bekomen van eene administratieven post bij de Maat≠schappij aan mij heeft geadresseert, provisioneel aantenemen;

In tegenstelling tot de hier genoemde Van Riemsdijk herstelt Johannes Bernardus Greven. Op 18 december 1824 schrijft directeur Visser, invnr 71:

(...) terwijl op het Algemeen Bureau thans weder door de aankomst van Poulie en de van zijne ziekte herstelde boekhouder Greve geen geemployeer≠den mankeren.

Volgens invnr 997 folio 4 wordt Johannes Bernardus per 1 augustus 1832 overgeplaatst van het algemeen bureau naar kolonie 1. Als boekhouder van Frederiksoord zit hij ook bij de raad van toezicht van die kolonie en notuleert hij de zittingen. Zie bijvoorbeeld de raad van toezicht van 5 maart 1834. Maar dat is al vlak voor het einde van zijn carriŤre.

Op 25 maart 1834 schrijft de opvolger van Wouter Visser als directeur der koloniŽn, Jan van Konijnenburg, over 'verregaande schurkerij' van boekhouder Greven en wijkmeester Jan de Jong. Zie deze brief. Ze hebben samen de Maatschappij opgericht door te knoeien met de rekeningen voor vervoer met paarden en met de koloniale kas. Van Konijnenburg stelt voor Johannes Bernardus Greven op staande voet te ontslaan. Dat doet de permanente commissie op 5 april 1834, dus na een dienstverband van veertien jaar en ťťn dag. En dan verlaat Greven met zijn gezin de kolonie.