Jan Dunnink, de derde huisverzorger uit Zwolle in hoeve 1 van Frederiksoord


Een huisverzorger past op een huis vol ingedeelde wezen. Het is een systeem waar de Maatschappij van Weldadigheid in 1820 heel enthousiast over was, maar waar ze vanaf ongeveer 1825 heel graag weer van af wilde. Alleen Zwolle zet door!
En niet zonder succes. Het lijkt allemaal harmonieus te verlopen op de Zwolse hoeve in Frederiksoord.


Jan Dunnink komt op 25 november 1837 aan in de kolonie Frederiksoord. Hij is geplaatst op grond van het contract B2 tussen de Maatschappij van Weldadigheid en het Armenbestuur der Hervormde Gemeente te Zwolle (zie deze pagina voor uitleg over contracten en klik door naar de B-contracten). Hij is de opvolger van de inmiddels overleden Zwolse huisverzorger Hendrik Roelof Bultman.

Jan Dunnink en zijn echtgenote worden net als hun voorgangers gehuisvest in hoeve 1 te Frederiksoord. Ze staan op pagina 2 van het stamboek Frederiksoord 1835-1841 met invnr 1349. Van deze plek neem ik de gegevens over:

Jan Dunnink is volgens de wat dit betreft lang niet altijd betrouwbare kolonieadministratie geboren op 6 december 1789. In de kolonieadministratie snoept men regelmatig de derde 'n' van zijn naam af, zodat hij soms als Dunnik in de boeken staat. Zijn echtgenote is
Hendrika Jansen, geboren 13 mei 1788. Ze hebben één dochter bij zich:
Gerretdina Jansen Dunnink, geboren 27 februari 1825.

De ingedeelden bij hun aankomst

Op de dag dat ze aankomen vertrekt de weduwe van Bultman plus de ingedeelde Helena Catharina Roebers. Die komen niet bij Jan Dunnink in huis dus die behandel ik niet hier, die staan op de al genoemde pagina van Bultman. Op die 25 november 1837 zitten er nog vijf Zwolse wezen in huis:

Jannette Henriette de Ruiter, geboren 24 augustus 1823, op 15 juni 1833 in de kolonie aangekomen.
Tiemen Meenhorst, geboren 2 mei 1825, ook op 15 juni 1833 in de kolonie gekomen.
Johannes Willemsen Vree, geboren 12 februari 1823 en sinds 27 juni 1835 in de kolonie. In de administratie komt hij ook voor als Johannes Willemsen.
Dina Gustavus, geboren op onbekende datum in 1821, sinds 27 juni 1835 in de kolonie. Soms staat haar voornaam als Diena.
Petrus van Coevorden, geboren 13 juli 1827, pas sinds 26 mei 1837 in de kolonie.

Allemaal dus uit Zwolle, allemaal gestuurd door het Armenbestuur der Hervormde Gemeente aldaar en allemaal hebben ze sinds hun aankomst in de kolonie gewoond op deze hoeve nummer 1 van Frederiksoord. Het huishouden van Dunnink begint de koloniale carrière dus met een dochter van twaalf, een ingedeeld meisje van 16, twee ingedeelden van 14, eentje van 12 en eentje van 10. Geslachtelijk verdeeld: 3 meisjes en 3 jongens.

De eerste mutaties

Na anderhalf jaar, op 22 mei 1839, gaat Dina of Diena Gustavus met drie maanden verlof. Dat is de regeling die voor alle jongvolwassenen geldt 'om een middel van bestaan te zoeken', zie hier de tekst van de verlofregeling. Blijkbaar lukt het haar want ze keert niet terug.

Twee maanden later, op 20 juli 1839, gaat Jannette Henriette de Ruiter met ontslag. Gezien haar leeftijd, ze is dan nog geen zestien, is er of familie die haar in huis wil nemen of hebben de armbestuurders in Zwolle een andere bestemming voor haar gevonden.

De lege plekken worden meteen opgevuld. Op 10 augustus 1839 arriveren
Johanna Scheene, geboren 10 april 1829, en
Gerrit Scheene, geboren 8 oktober 1826. Ook weer uit Zwolle en ongetwijfeld broer en zus en het is mooi dat ze samen in hetzelfde huishouden gehuisvest worden.

Jan Dunnink even in de fout

Dan is het 15 augustus 1840. Die zaterdagmorgen komt de Raad van Toezicht van Frederiksoord bijeen. Uit het verslag:

wordt voorgeroepen en gehoord de kolonist J Dunnik Hoeve No 1, omtrent het misbruik maken van sterke drank, zijnde hij nu eene maand verleden, den Heer Adjunctdirecteur in de nabijheid der kolonie ontmoet;
J. Dunnik brengt hier niets tegen in, en zegt met een zijner kennissen, een Zwolsche voerman, een borrel te hebben gedronken.

Dat soort dingen verwijst de Raad van Toezicht dan naar de Raad van Politie en Tucht die diezelfde 15 augustus 1840 in de middag vergadert. Die Raad behandelt de beschuldiging:

tegen den kolonist J. Dunnik welke zich heeft schuldig gemaakt aan dronkenschap. De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent zijn misdrijf en kan niets ter zijne verschooning inbrengen.

De Raad legt Jan Dunnink de straf op van drie dagen opsluiting in de strafkamer. Dat is coulant, meestal leidt een dronkenschap tot een dag of acht cel. Blijkbaar heeft men Jan Dunnink wel hoog zitten.

Vertrekkers

Ongetwijfeld zullen alle betrokkenen af en toe ook bij de Kleine Raad komen om het een of ander te vragen, maar daar heb ik meestal geen transcripties van. Wel toevallig van de zitting van 17 juli 1841, waarbij Jan Dunnink veertien dagen verlof voor zijn dochter komt vragen. Verder is het huishouden te volgen in het stamboek Frederiksoord 1841-1848, invnr 1350.

Daar zien we dat Jan Willemsen Vree, hier weer genoemd Willemsen, op 29 april 1842 met ontslag gaat. De opvolging komt er snel aan:

Antonia Johanna Bosch, geboren 18 september 1829, komt op 11 juni 1842 het huishouden aanvullen.

Vervolgens gaat op 11 augustus 1842 de volgende weg. Hoewel pas zestien jaar oud gaat Gerrit Scheene in militaire dienst. Opgevolgd door:

Hendrikje van der Kolk,geboren 17 augustus 1830, die op 17 september 1842 bij het gezin Dunnink arriveert.

Dochter Gerritdina Jansen Dunnink wil ook weg, maar dat lukt niet zo best. Ze gaat een dienstje zoeken op 19 augustus 1842 maar is op 3 september 1842 al weer terug. Ze probeert het opnieuw op 25 februari 1843 en dat lijkt te lukken, maar ze wordt 24 februari 1844 weer in het gezin opgenomen. Als ze dan 29 juni 1844 weer weggaat blijkt dat definitief te zijn.

Een desertie

In de tussentijd is Tiemen Meenhorst op 28 mei 1844 al van de kolonie vertrokken. Er zijn deze periode twee nieuwkomers:

Gerrit Jan de Kaste, geboren 2 februari 1831, komt er 20 april 1844 bij.
Roelof Scheene, geboren 29 juni 1834, komt 16 september 1844 aan. Hij is vast en zeker een broer van de inmiddels al weer vertrokken Gerrit Scheene en de nog hier wonende Johanna Scheene.

Dan volgt er een ander soort van vertrek. Op 17 augustus 1845 loopt Antonia Johanna Bosch van de kolonie weg. Twee dagen later, 19 augustus 1845, is ze weer terug maar ze wordt om verdere vluchtpogingen te voorkomen meteen overgebracht naar de strafkolonie op de Ommerschans. Er wordt melding van gemaakt bij de Raad van Politie en Tucht van 20 oktober 1845, zie ook bijlage 2.

Antonia Johanna is daarna terug te vinden in het register van strafkolonisten met invnr 1585, folio 9. Daar wordt gemeld dat zij op 15 juli 1847, na een kleine twee jaar detentie, weer wordt vrijgelaten en terugkomt naar huize Dunnink. Niet voor lang, op 22 oktober 1847 wordt zij van de kolonie ontslagen en gaat ze haar eigen weg.

Haar plek wordt een dag later ingenomen door:
Lucas Hendrik Jan Bomhoff, geboren 1 januari 1840, dus zeven jaar oud als hij 23 oktober 1847 bij de familie Dunnink komt wonen.

In en uit en in en uit, 1848-1850

Het gaat verder in het stamboek Frederiksoord 1848-1859, invnr 1351. Zodra ze groot zijn, vliegen ze uit. Op 19 april 1848 gaat Petrus van Coevorden met ontslag. Zijn opvolger was drie dagen eerder al gekomen:

Hendrik Jan IJsveld, geboren 11 juni 1837, arriveert op 16 april 1848.

Een maand later, op 6 mei 1848, gaat Hendrikje van der Kolk met ontslag. Haar opvolger komt dezelfde dag uit Zwolle.

Michiel Joseph Krans, geboren 15 februari 1836, komt 6 mei 1848 aan.

En op 22 augustus 1849 verlaat Johanna Scheene de hoeve en het gezin Dunnink. Na anderhalve maand is het:

Johanna Catharina van de Voort, geboren 15 oktober 1835, die op 6 oktober 1849 het huishouden komt versterken. Zij zal maar kort blijven. En een paar weken later nog een nieuwkomer:

Elisabeth Adriana de Jonge, geboren 21 december 1834. Zij komt 25 oktober 1849 aan en zij is afkomstig uit... Tholen. Hé, dat is vreemd, die hoort hier niet. Dat beseft de kolonieleiding ook, het was blijkbaar een tijdelijke regeling, op 24 januari 1850 gaat zij naar een andere hoeve.

In 1850 gaan er twee weg. Gerrit Jan de Kaste vertrekt op 28 augustus 1850 en Johanna Catharina van de Voort gaat na slechts elf maanden op hoeve 1 op 10 september 1850 weg. Vanuit Zwolle komen op 14 september 1850 aan:

Jannegien Bomhoff, geboren 5 maart 1838. En
Johanna Geertruida Wilhelmina Bomhoff, geboren 16 februari 1836. Het zullen de oudere zussen zijn van Lucas Hendrik Jan Bomhoff die er al drie jaar woont.

Het einde van de Zwolse hoeve

En dan is het 1852 en vinden er voor het eerst overplaatsingen plaats. Wat is er aan de hand? Dit is nooit eerder nodig geweest? Een mogelijke verklaring is dat er sprake is van ziekte bij Jan Dunnink en/of zijn echtgenote, waardoor ze het niet meer zo goed aankunnen. Op 26 februari 1852 gaan Lucas Hendrik Jan Bomhoff, Roelof Scheene en Michiel Joseph Krans over naar andere hoeves.

Het is het begin van het einde van de Zwolse hoeve. Op 4 november 1853 wordt ook Johanna Geertruida Wilhelmina Bomhoff overgeplaatst. De hoeve is bijna leeg. Om de boel op poten te houden wordt op 7 september 1854 een 22-jarige jonge vrouw uit Den Haag toegevoegd. Maar als op 15 september 1854 zowel Hendrik Jan IJsveld als Jannegien Bomhoff met ontslag gaan, is er behalve die Haagse vrouw geen ingedeelde meer in huis.

Dan gebeurt wat er al leek aan te komen. Op 12 mei 1855 overlijdt Jan Dunnink. Op 15 mei wordt die Haagse vrouw overgeplaatst en trekt een nieuw gezin in de woning en al snel, op 13 juni 1855, overlijdt ook Hendrika Jansen weduwe Dunnink.

Achttien jaar

Het echtpaar Dunnink heeft een kleine achttien jaar als huisverzorgers gefungeerd. Ze hebben in die tijd achttien weeskinderen in huis gehad. Opvallend in vergelijking met andere koloniale huishoudens is dat er daarvan slechts eentje een keer weggelopen is, alle andere zijn op reguliere manieren vertrokken. Vaak na een jarenlang verblijf en dat duidt erop dat ze tevreden waren en dat Jan Dunnink en zijn vrouw best goed hebben gezorgd voor de hen toevertrouwde wezen.