Het onderstaande verhaal is tot stand gekomen in samenwerking met Frans Blatter uit Venlo die veel onderzoek heeft gedaan naar deze en andere voorvaders Blatter. Wie informatie over Blatters heeft wordt verzocht te mailen met fransblatter apestaartje planet.nl.
Citaten komen allemaal uit het Archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. Het proces verbaal, de brief van Van Konijnenburg, de verweerschriften van Blatter en een brief van ene Pieman die aan de Dedemsvaart woont in inv.nr. 144, een latere sollicitatiebrief van Blatter in inv. nr. 149. Verdere inv.nrs. staan tussen haakjes.




Ik verlaat de wagen niet ik blijf in de wagen, gij zijt allen Schelmen en afzetters




Naar alle waarschijnlijkheid komen de (groot)ouders van Jan Blatter oorspronkelijk uit Zwitserland. Dat Zwitsers onverschrokken en soms 'hoofdig' zijn is op de kolonie al bekend sinds de gebeurtenissen rond Joseph Baij (boek blz. 249-252), maar als Blatter eind september 1822 als werkzoekende op de Ommerschans komt, neemt Johannes van den Bosch hem meteen in dienst.
Jan Blatter maakt carrière op de Ommerschans. Maar uiteindelijk eindigt het - met pistool, Turkse sabel en stok - op een manier die overeenkomst vertoont met de gewelddadige confrontatie waardoor die vorige Zwitser de kolonie moest verlaten.


Dat Jan Blatter meteen een baan kreeg zal mede komen omdat hij goede referenties bij zich had. Van niemand minder dan R.A.L. Nobel, de man die in 1818 voor een zacht prijsje het landgoed Westerbeeksloot overdeed aan de Maatschappij waardoor Frederiksoord - en later elders op het landgoed Wilhelminaoord - gesticht kon worden. Maar ook had Johannes op dat moment dringend mensen nodig op de schans. Er woonden al een stuk of veertig kolonisten in de strafkolonie in de huisjes op de wallen, de nieuwbouw van het bedelaarsgesticht was nagenoeg gereed, de eerste transporten met veroordeelde bedelaars konden binnenkort verwacht worden en dan zou het een gekkenhuis worden.
In eerste instantie stelt Johannes hem aan 'als werkman - bij de paarden, waartoe hij geschiktheid bezit'. Een paar maanden later wordt Blatter veldwachter. Nog later wordt hij de eerste onder zijn gelijken als brigadier-veldwachter of 'opperveldwachter'.
Veldwachters zijn er op een gegeven moment genoeg. Bedacht is dat de van het Ministerie van Oorlog overgenomen veteranen dat werk ook beter kunnen doen dan gewone landarbeid (zie een stukje dat elders staat). Geleidelijk verschuift het takenpakket van Blatter, waardoor hij tenslotte 'meer als ordonnance dan wel als opperveldwachter dienst deed.'

Concreet betekent het dat hij regelmatig met een wagen naar Zwolle rijdt om daar geld en goederen op te halen. Daar zit een probleem aan: hij komt niet altijd nuchter terug. Er zijn 'van tijd tot tijd onderscheidene gevallen' geweest waarbij dat tot problemen leidde. Bij één gelegenheid had hij

'den Adjunct Directeur uitgescholden voor al wat schandelijk is, men was inderdaad verlegen met hem, want niet dan met groote moeijte heeft men hem de deur kunnen uit krijgen'

En nu gaat het helemaal mis.
Het is maandag 17 december 1833.
Tegen een uur of zeven 's avonds komt Blatter terug uit Zwolle en brengt hij de wagen tot stilstand voor de staldeur van de onderdirecteur van Ommerschans-buiten. Die laatste, Alle Jans Wijkstra, constateert:

'al dadelijk bemerkte men dat hij beschonken was, dat evenwel niet vreemd konde zijn, daar hij zints enigen tijd altijd in die situatie, van Zwolle terug is gekomen doch niet in zodanigen ergen graad'

Wijkstra en de stalknecht schieten toe om te helpen met het uitspannen van de paarden,

'doch Blatter bleef in de wagen zitten en verkoos er niet uit te komen zeggende “Ik verlaat de wagen niet ik blijf in de wagen, gij zijt allen Schelmen en afzetters”

Met zijn stok prikt Blatter gaten in het doek dat over de wagen gespannen is en het proces verbaal van de gebeurtenissen beschrijft dat hij nog verder gaat:

'ja zelfs werkte de drank zoo helsch in hem, dat hij zonder dat hem iemand iets in de weg had gelegd, zijn pistool nam en dreigde te zullen los branden, waarop men dan ook al spoedig het pistool hoorde kitsen, en eenige ogenblikken daarna viel het schot uit de wagen, doch gelukkig de kogel trof niemand'

Blatter blijft zitten schelden en tieren, 'verkoos (hoe zot) de wagen niet uit te komen' en dreigt dat hij iedereen die hem zou benaderen zou 'begroeten' met het andere pistool dat hij bij zich heeft. Het lijkt Wijkstra dan verstandiger om hulp in te roepen. Aan de hoogste gezagsdrager ter plekke, adjunctdirecteur Mulder, heeft hij niets want die verkeert in 'ziekelijke omstandigheid', dus hij gaat naar zijn gelijke in rang, de onderdirecteur van Ommerschans Binnen, Rensing.
Die gaat eerst kijken om met eigen ogen te constateren dat Blatter nog steeds in de wagen zit te schelden en dan trekken ze zich terug in het huis van Wijkstra voor overleg. Na 'eenige tijd' horen ze het schelden minder worden en daarna ophouden. Als ze voorzichtig gaan kijken zien ze dat Blatter weg is.

Het lijkt de heren onderdirecteuren een goed idee als de stalknecht even gaat kijken of Blatter in het donker de weg wel heeft kunnen vinden. Daar zal die stalknecht, een kolonist die Embdenaar heet, achteraf nog spijt van krijgen. Blijkbaar voelt hij de bui al hangen want hij

'nam tot verzekering van zijn persoon een stok mede om zich zoo mogelijk aangevallen wordende te kunnen defenceren, hij vertrok daarop doch kwam spoedig terug en bootschapte dat Blatter te huis was en heftig zat te drinken, waarop men dagt dat nu alles was afgelopen te meer daar het reeds negen uuren gepasseerdwas en hij afgemat wel in slaap zoude vallen.'

Ze hebben de conditie van de Zwitser onderschat. Anderhalf uur later, rond half elf dus, wordt er bij de onderdirecteur binnen op de deur geklopt. Als er is opengedaan komt Jan Blatter binnen voorzien van pistool, Turkse sabel en stok.

'Hij overhandigde eenige papieren die hij uit Zwolle had medegebracht, hij was door drift en nijd voor alle vermaning onvatbaar, zeggende onophoudelijk “Ik moet de stalknecht Embdenaar van avond nog zien, die met een stok gewapend in mijn huis is geweest”

De Onderdirecteur-Binnen, Rensing dus, probeert hem te kalmeren, wijst erop dat hij met zulke uitspattingen een vrouw en zeven kinderen ongelukkig kan maken, maar als Blatter weggaat is hij nog steeds ziedend van boosheid. Daarna doet de onderdirecteur helemaal niets, behalve misschien hopen dat het vanzelf zal overwaaien. Maar weer een half uur later melden stalknecht Embdenaar en een boekhouder zich bij hem. Blijkbaar is Blatters agressie inmiddels verschoven van de stalknecht naar de Onderdirecteur-Buiten Wijkstra. Die laat via deze boodschappers vragen of de Onderdirecteur-Binnen

'middelen zoude willen in het werk stellen, dat zijn woning beveiligt wierde tegen de aanvallen van Blatter, die nu reeds meer dan een half uur  met een stok hout of knuppel op de deuren en vensters had gehouwen om in huis te komen dat hij zoo verre gevorderd was het dat venster aan de oostkant in de midden gescheurd was, dat hij het uitbrulde van kwadaardigheid en zodanig geweld maakte dat de Predikant van Nes en den Adj-t Directeur Mulder in hunne woningen zich geen denkbeeld konden maken van het geen er voor viel'

Wijkstra's gezin was onder de schoorsteen gekropen om niet door een pistoolschot geraakt te kunnen worden. Blatter had dat wel geprobeerd, maar gelukkig voor iedereen was zijn kruit nat geworden.

Dapper stapt Onderdirecteur-Binnen Rensing daarop naar de

'wagt en gelaste dezelve, om Blatter te arresteren zijne wapens af te nemen, en in verzekerde bewaring te brengen'

De wacht zit ook niet op de klus te wachten en voldoet er slechts 'gedeeltelijk' en 'schoorvoetende' aan, wat hem achteraf op een schrobbering zal komen te staan. Maar al met al wordt er wel bereikt dat Blatter naar huis en naar bed gaat.
De Ommerschans komt tot rust.

Alle vorige akkefietjes mochten dan met de mantel der liefde bedekt zijn, dit kan niet ongestraft passeren. De beide onderdirecteuren stellen een proces verbaal van de gebeurtenissen op. De algemeen directeur van alle vrije en onvrije koloniën, J. van Konijnenburg, stelt een eigen onderzoek in en stuurt zijn conclusies naar de permanente commissie, vergezeld van het proces verbaal én twee brieven van Jan Blatter zelf.
Die laatsten zouden meer gewicht in de schaal geworpen hebben als ze enigszins begrijpelijk waren geweest. Volgens Blatter zelf is een probleem 'dat ik met de mond zo goed niet de Hollandse taal kun uitspreek', maar met de pen is het ook niet best. Het lijkt erop dat hij beterschap belooft en dat hij een beroep doet op clementie vanwege zijn 'onschuldige ja mijn onnosele schapen van kinderen met mijn gade'.
Daarmee heeft hij een punt. Dat 'talrijk en medelijdend huisgezin' (citaat uit een brief van een arbeider die aan de Dedemsvaart woont en die het voor Blatter opneemt) was ook de reden geweest om zijn eerdere misstappen te verexcuseren en zelfs nu heeft Van Konijnenburg er moeite mee

'dat het Huisgezin, indien het geheel uit de kolonien ontslagen wordt, aan volstrekte armoede zal zijn overgelaten'.

Maar hij kan niet anders. Zijn conclusie luidt toch dat

'ik mij genoodzaakt zie, UEdele het ontslag van dien ambtenaar voortedragen daar zulke snoode vergrijpen niet zonder gevaar, te verschoonen zijn.'

Een tijdje later bedenkt hij een tussenoplossing en doet hij de permanente commissie de suggestie om Blatter en de zijnen te plaatsen als arbeidershuisgezin in Veenhuizen. Daar gaat de permanente commissie in mee en per 15 maart 1834 vestigt het gezin zich in het derde gesticht met de status van arbeidershuisgezin. Maar na een paar maanden, en na enkele brieven van Blatter waarin hij verzoekt om weer als ambtenaar aangesteld te worden, gaat het gezin ook daar weg en verlaten de Blatters voorgoed de Maatschappij van Weldadigheid. Na enige omzwervingen in Zwolle en Ommen vestigen ze zich uiteindelijk in Dedemsvaart, in een klein huisje aan een vaartje of wijk welke later de Bladwijk zal gaan heten.






Nadere informatie over de betrokkenen