Het onderwijs in de koloniŽn van weldadigheid

Natuurlijk is onderwijs een speerpunt voor de Maatschappij van Weldadigheid. Dat hoort bij het Verlichtingsdenken waar de koloniŽn uit voortgesproten zijn. De armen moeten niet alleen door arbeid īopgebeurdī worden uit de īzedelijke verbasteringī waar ze door hun jarenlange armoede in terechtgekomen zijn, maar ook door vorming.
Daarom een aantal pagina's over het koloniale onderwijs en de mensen die het in praktijk brachten. Ik hoop dat veel scriptieschrijvers hierin inspiratie vinden, want het koloniale onderwijs verdient een heleboel aandacht en bestudering. Om dat te bevorderen noem ik hieronder ook besluiten en verslagen over onderwijs (voor zover ik er weet van heb) waar ik geen transcriptie van heb.
Er worden anno nu (april 2019) nog steeds pagina's toegevoegd, dus kom later nog eens kijken.


In het maandblad de Star van april 1819 een artikel over het instituut Hofwijl van Fellenberg, waar de Maatschappij Kornelis Mulder naar toe gestuurd heeft.
SchoolmeesterDe in 1820 aangekomen ondermeester van Willemsoord Christiaan Auberlť verlaat verliefd zijn post. Zie onder het kopje Zonder haar kan ik niet leven' op de pagina Appingedam.
Een afvaardiging van de commissie van toevoorzicht doet oktober 1820 verslag van haar bezoek aan de school in kolonie 1 (onderaan de pagina).
December 1821/januari 1822: Johannes van den Bosch verspert de Drentse inspecteur voor het onderwijs resoluut de weg, hij heeft zich niet met het koloniale onderwijs te bemoeien.
In het maart-nummer van de jaargang 1822 van de Star doet Jan Hessels van Wolda als 'algemeenen Schoolopziener' twee keer verslag van de stand van zaken in het koloniale onderwijs.
Tussen de ingekomen post van 1822 zitten af en toe door Van Wolda gebundelde verslagen van de onderwijzers in Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord. Maart, april, juli en augustus. Met mooie uitspraken.
Tijdens de besmettelijke ziekte die in 1822 over de kolonie trekt, overlijdt ook de jonge schoolmeester van Frederiksoord Hendrik Hendriks Middelboer, afkomstig uit Diever.
Fragment uit het rapport over de scholen in 1822, gedateerd 19 februari 1823. 's Avonds zitten de scholen meestal wel vol, maar overdag ontbreken veel leerlingen. Plus een lijst van kinderen die veel vorderingen maken.

Alle stukken over de medio 1824 startende vervolgopleiding voor koloniejongens, het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren, zijn bereikbaar vanaf een Wateren-pagina.

● Eind november 1824 komt de nieuwbakken adjunct-directeur voor het onderwijs Jan Hessels van Wolda met het plan voor een 'winterschool' in het noordelijkste gedeelte van Willemsoord. Mťt financiŽle onderbouwing.
Op 3 januari 1825, een half jaar na zijn aantreden als adjunct-directeur voor het onderwijs, maakt Jan Hessels van Wolda de balans op van zijn eerste half jaar in die betrekking. Er zijn enkele verbeteringen doorgevoerd.
Het oorspronkelijke plan voor het kinderetablissement Veenhuizen-1 voorziet in ťťn onderwijzer. Dat kan natuurlijk niet, beseft de permanente commissie en ze past het 8 februari 1825 aan.
SchoolmeesterAls gevolg van het hierboven genoemde besluit wordt Harmen Abel Zwarts vanuit Wilhelminaoord overgeplaatst en de eerste hoofdonderwijzer van het kindergesticht.
Van Wolda wijst de permanente commissie er in september 1826 op dat het beter zou zijn om in alle scholen 'Engelsche lampen' te gebruiken in plaats van kaarsen. Met inhoudelijke en financiŽle onderbouwing.
Ook september 1826 doet Van Wolda verslag van zijn inventarisatie van de salarissen van de onderwijzers. Er zijn er de nodige 'wier bestaan eenige verbetering behoeft'.
En ook september 1826 wordt het muziekkorps van het derde gesticht te Veenhuizen in het leven geroepen door de hoofdonderwijzer Albert Schuurman.
Een belangrijke mijlpaal zijn  de 'Verordeningen nopens het schoolonderwijs', door de permanente commissie bekrachtigd op 18 december 1827 en ingaande per 1 januari 1828.
Een overzichtje van de bezoldiging van het onderwijzend personeel. Hoe onoverzichtelijk het vůůr 1828 was, het loongebouw vanaf 1 januari 1828 en alle latere ontwikkelingen.
Er is altijd wat met de onderinstituteurs te Wateren, februari 1829 moet de tweede vertrekken, die keer niet wegens onzedelijk gedrag maar wegens dronkenschap.
Op 8 februari 1830 komen er 'nadere bepalingen nopens het schoolonderwijs' die er vooral op gericht zijn schoolverzuim te bestrijden en het 'gezet ter schoole gaan' te bevorderen.
12 november 1830 N18: Reglement voor het schoolonderwijs in de gestichten en regeling van het godsdienstig onderwijs te Veenhuizen. Geen transcriptie.
16 maart 1831 N5: Bepaling nopens den aankoop van schoolbehoefte, invnr 969. Geen transcriptie.
Op 15 april 1831 stelt directeur Van Konijnenburg voor om Instituteur Mulder adjunct-directeur van de Ommerschans te maken en adjunct-directeur voor het onderwijs Van Wolda het Instituut te Wateren te laten leiden.
De onderwijzers van Willemsoord doen september 1831 hun beklag hoe zij door kwaadwillende jongens gehinderd worden op de avonden dat de meisjes school hebben. Zie vooral bijlage 2 van dit verslag.
● De bijschoolhouder in Doldersum heeft zich schuldig gemaakt aan 'wangedrag', maar kan nog wel lesgeven op de Ommerschans. Er gaat meer schuiven in juni 1832.
Als gevolg van het geschuif begint Daniel Was, vondeling uit Amsterdam, twintig jaar oud, op 8 juni 1832 zijn carriŤre in het onderwijs als bijschoolhouder in Doldersum.
Augustus 1832: Als de 2de onderwijzer van het derde gesticht in militaire dienst gaat, kan er bezuinigd worden op het loon van zijn opvolger. Die is pas negentien.
Besluit 27 augustus 1832 N45 van de permanente commissie: Wijziging in de verdeeling in klassen der Schoolonderwijzers, invnr 970.
27 augustus 1832 N46 De benoeming der onderwijzers van de 6e en 7e klasse aan den Directeur overgelaten, invnr 970. Geen transcriptie.
12 februari 1833 N11 Nadere bepalingen nopens de bezoldiging der ondermeesters bij de gestichten, invnr 971. Geen transcriptie.
Veelbelovende kwekelingen raakt men kwijt aan de militaire dienst. Op 14 augustus 1833 wordt besloten dat ze daarna mogen terugkeren.
10 januari 1834 N26: Wering van vreemde kinderen op de koloniale scholen en verbod aan de onderwijzers tot verkoop van schrijfbehoeften
invnr 972. Geen transcriptie.
● September 1834 doet Jan Hessels van Wolda verslag van zijn bezoeken 'in het laatste der vorige en het begin dezer maand' aan de scholen in de vrije koloniŽn.
Per 1 april 1835 wordt de voormalige wees Janus Meijer Drees onderwijzer in dienst van de Maatschappij. Te Wilhelminaoord, Veenhuizen en tenslotte Willemsoord.
Juli 1835 brengt Van Wolda verslag uit van zijn bezoek aan de scholen in Veenhuizen. In het eerste gesticht zijn dan vier leslocaties. Hij beoordeelt ook de onderwijzers.
Januari 1836 schrijft Van Wolda het jaarverslag over het koloniale onderwijs in 1835. Na wat algemene opmerkingen loopt hij alle scholen en onderwijzers langs. Ook Wateren.
Per 1 april 1836 verlaat 'de verdienstelijke J.J. Witzier', in 1823 als wees uit Dokkum gekomen, de kolonie na vijf jaar als onderwijzer te hebben gewerkt om hetzelfde te gaan doen in Westzaan.
Op 7 april 1836 schrijft de adjunct-directeur voor het onderwijs dat Witzier is vertrokken en dat hij daarom met onderwijzers moet gaan schuiven, invnr 170 scan 095-096 en 133. Geen transcriptie.
Er schijnt sprake van te zijn dat kinderen van veteranen niet naar school hoeven. Dat is tegen het zere been. Mei 1836 geeft directeur Van Konijnenburg een duidelijk advies hierover aan Den Haag.
Een verslag van de schoolonderwijzersvergadering te Veenhuizen van 13 augustus 1836 door meester Flierman. De bijeenkomst heeft een sterk religieus tintje.
Niet anders dan door dwang aan hunne hooge verpligting te houden. Op 8 september 1836 doet Jan Hessels van Wolda verslag van zijn bezoeken aan de scholen in de vrije koloniŽn.
17 oktober 1836 N7: Aanbeveling tot gezette bijwoning van het school en godsdienstig onderwijs (besluit permanente commissie van weldadigheid, invnr 974). Geen transcriptie.
17 oktober 1836 N8en N9: Herinnering en ampliatie van de verordeningen nopens het schoolonderwijs (besluiten permanente commissie van weldadigheid, invnr 974). Geen transcriptie.
Van Wolda over 'gebrekkigen, die buitengewonen tijd en buitengewone gelegenheid behoeven om nog de noodige ontwikkeling te bekomen'. Verslag op 9 november 1836 van zijn onderzoek naar achterstandsleerlingen.
Het gewigt dat ik zie in het schoolonderwijzersambt. Van Wolda in een niet volledig bewaard gebleven notitie van 10 november 1836 over de bezoldiging van onderwijzers, in vergelijking tot die van onderdirecteuren.
De bijzondere oorzaken, welke het schoolonderwijs nadeelig zijn. Directeur der koloniŽn Van Konijnenburg geeft 12 november 1836 zijn mening over de conclusies van Van Wolda.
De permanente commissie laat 11 januari 1837 weten 'dat zij voor alsnog in geene der voorgestelde veranderingen of wijzigingen kan treden'. Iedereen moet gewoon harder werken aan de 'achterlijken'.
Op 21 januari 1837 reageert de directeur op het rapport van de Commissie van Toevoorzigt. Puntje a. in zijn brief (hier afgedrukt) gaat over onderwijs.
Op 7 februari 1837 heeft Van Wolda zijn verslag over het onderwijs in 1836 voltooid. Met de letterkast van Dellebarre is ook de school van Veenhuizen-3 'geheel naar de nieuwe leerwijze ingerigt'.
In een litanie van klachten op 23 februari 1837 vindt de pastoor van Frederiksoord en Wilhelminaoord dat ook 'het schoolwezen' de godsdienstige behoeften van R.K. kinderen 'verdrukt en mishandeld'
Diezelfde donderdag 23 februari 1837 zou een jongen te Doldersum de schooldeur met geweld geopend hebben om 'in de school lamp te wateren', zie bijlage 2.
7 april 1837 N11: Wijziging van het reglement op het schoolwezen van de gewone koloniŽn (besluit permanente commissie van weldadigheid, invnr 975). Geen transcriptie.
Bij schoolbezoeken te Veenhuizen en de vrije koloniŽn, constateert Van Wolda op 5 april 1837 dat 'zij die 19 en 20 jaren bereikt hebben, geene vorderingen van eenig belang meer zullen hebben'.
24 juli 1837 N28: Verhooging der tractementen van de onderwijzers der 1e en 2e klasse (besluit permanente commissie van weldadigheid, invnr 975). Geen transcriptie, wťl aantekeningen personeelsregister.
13 september 1837 N32: Wijziging der bestaande bepalingen wegens het Schoolonderwijs (besluit permanente commissie van weldadigheid, invnr 975). Geen transcriptie.
Op 14 september 1837 motiveert Van Wolda aan de hand van leerlingenaantallen waarom de vraag van hoofdonderwijzer Albert Schuurman om een derde ondermeester in Veenhuizen-3 terecht is.
21 oktober 1837 N3: Bepaling van het getal ondermeesters bij Veenhuizen N3 (besluit permanente commissie van weldadigheid, invnr 975). Geen transcriptie.
6 januari 1838 N1: Ampliatie op het besluit van 7 april 1837 N1 nopens de schoolpligtigheid der kinderen in de gewone kolonien (besluit permanente commissie, invnr 976). Geen transcriptie.
Na de dood van de hoofdonderwijzer Otten van Willemsoord, moet er een heleboel geschoven worden met de onderwijzers, brief van 9 februari 1838, invnr 192 de scans 185-187. Geen transcriptie.
Als Jan Hessels van Wolda op 3 april 1838 schrijft over de eindexamens die hij heeft afgenomen, pleit hij ook voor maatregelen om te voorkomen dat de afgestudeerden daarna alles vergeten.
Op 12 juli 1838 schrijft meester Was aan de directie dat hij heeft gezien welke kwajongen met stenen op het dak van de school gegooid heeft, zie bijlage 10.
14 augustus 1838 wordt besloten dat er een bijschool bijkomt. In het stukje Willemsoord dat als De Pol bekend staat en ten behoeve van de joodse kolonisten
Een ongemeen levendige beschrijving van een bosbrand die twee kwekelingen in Wateren op zondag 12 mei 1839 per ongeluk veroorzaken.
Op 14 september 1839 meldt Van Wolda welke twaalfjarigen in de vrije koloniŽn van de dagschool af en dus aan het werk kunnen.
December 1839 is Jan Hessels van Wolda een paar dagen in Veenhuizen geweest om het onderwijs daar te bestuderen.
Kort daarop, ook nog december 1839, een verslag van zijn bezoek aan de school van Haijo Hoogstra op de Ommerschans.
In het 'een en twintigste jaarlijksche verslag van het schoolonderwijs der kolonien', over het jaar 1839, loopt Van Wolda weer alle aspecten en alle scholen langs.
Een veenbaas uit Haulerwijk vraagt november 1840 of twee ŗ drie van zijn kinderen naar de school van het derde gesticht te Veenhuizen mogen.
● De Tijdelijke Inspecteur der Godsdienstige Israelitische Scholen doet op 3 september 1841 verslag van zijn inspectie van de joodse scholen in Veenhuizen en Willemsoord.
Uit met name de tweede brief op deze pagina blijkt dat de onderwijzer van Veenhuizen-1 in 1842 wel oren heeft naar enige muzikale ondersteuning.
Vanaf eind 1842 zijn de twee bijscholen in Wilhelminaoord in handen van twee broers. Klaas Teeuwis Albertsma en Albert Teeuwis Albertsma zijn begonnen als weesjongens uit Schoterland.
Belangrijkste gebeurtenis in het jaarverslag 1842 is dat Veenhuizen-3 niet langer wezen maar bedelaars herbergt. Met gevolgen voor het onderwijs.
Na het overlijden van Jan Hessels van Wolda gaat de nieuw-benoemde 'Opziener der schoolen' Jan Hendrik Geraets juli 1844 de scholen in Veenhuizen inspecteren.
In november 1844 heeft Jan Hendrik Geraets zowel de scholen in Veenhuizen als die in de vrije koloniŽn bezocht. Na het aardappelrooien probeert men de schade in te halen.
Het eerste jaarverslag na de dood van Jan Hessels van Wolda wordt op 15 januari 1845 ingeleverd door de opziener der scholen J. H. Geraets.
Een andere tak van onderwijs: op 15 februari 1845 wordt besloten om in elk van de vrije koloniŽn een naai- en breischool op te richten.
7 mei 1845: De kwekelingen te Wateren moeten zuiniger zijn op hun kleding en om dat te bevorderen moeten ze reparatie voortaan zelf betalen.
Directeur Van Konijnenburg laat juli 1845 weten dat hij bezig is gewichten, maten en geldprenten voor de koloniale scholen aan te kopen.
Net als alle hoofden van koloniŽn moet ook de Instituteur van Wateren januari 1846 een lijst inleveren van alle jongeren die het afgelopen jaar met ontslag zijn gegaan.
Per 1 januari 1847 wordt Otto van Muijlwijk de tweede onderwijzer bij het eerste gesticht te Veenhuizen. Hij is twintig jaar ervoor als lid van een abeidersgezin uit Gorinchem gekomen.
14 september 1847: opziener der scholen Jan Hendrik Geraets krijgt de bevoegdheid om certificaten van bekwaamheid aan meesters te geven.
Geen transcripties, maar enkele samenvattende opmerkingen bij inspecties door Johan Hendrik Geraets eind 1847 in de vrije koloniŽn en juni 1848 in Veenhuizen..
Er is sprake van 'grove beledigingen' tegen onderwijzer Albertsma als hij twee november 1848 ingedeelden van vrouw Bezuijen net zo lang wil laten nablijven als ze altijd te laat komen. Jan Hendrik Geraets protesteert.
Geen transcriptie, maar enkele samenvattende opmerkingen bij het verslag van een inspectie door Johan Hendrik Geraets van het onderwijs in de koloniŽn op 30 december 1848.
SchoolmeesterDe dronken schoolmeester. Er wordt veel goeds gerapporteerd over Haijo Hoogstra, maar in november 1849 gaat hij een keer in de fout.
In april 1852 wordt besloten een nieuw schooltje te bouwen in het gebied dat als Groot-Wateren of Doldersum (later Boschoord) bekend staat, waar diverse kwekelingen het onderwijsvak leren.
Het voorjaars-schoolbezoek in 1856 aan alle koloniale scholen, inclusief het afnemen van examens bij leerlingen, door de opziener der scholen Jan Hendrik Geraets. Een verslag gedateerd 19 mei 1856.
Directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg stuurt het bovengemelde verslag naar Den Haag en voegt er zijn commentaar bij, waarna de permanente commissie besluit over de voorgestelde maatregelen.
Nadat de Staat de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen heeft overgenomen, ontstaan er vanaf 1861 problemen rond de financiering van de koloniale scholen. Enkele stukken hierover uit invnr 3148.