Naar het overzicht
van stukken over ONDERWIJS





18 december 1827: Verordeningen nopens het schoolonderwijs

Dit besluit komt voort uit de voorstellen die Jan Hessels van Wolda gedaan heeft voor de organisatie van het onderwijs. Het betekent het nodige papierwerk voor de onderwijzers. Plus voor die van de vrije koloniën een maandelijks 'schoolonderwijzers gezelschap', zie artikel 9. Het besluit bevindt zich zowel in inventarisnummer 965 als in invnr 988.


De Permanente Commissie

Overwegende de nuttigheid om de bezoldiging van de schoolonderwijzers op eenen vasten voet te brengen, volgens eene klassificering der scholen welke zij waarnemen, of van hunne rangen, die zij in de waarneming hebben, en om verder al wat daartoe betrekking heeft te regelen. 

Overwegende de noodzakelijkheid, om tevens eenige algemeene verpligtingen van de schoolonderwijzers hun opzettelijk voorteschrijven.

Gelet op de voorstellen, en aanmerkingen, van den Adjunct-Directeur voor het schoolonderwijs daaromtrent ontvangen.

Besluit:

Art. 1
De bezoldiging der schoolonderwijzers in de kolonien en gestichten wordt bepaald volgens de klasse der scholen welke zij bedienen of waartoe hunne rangen, die zij daarin bekleden, worden gebragt.

Art. 2
De scholen van de eerste klasse zijn de twee voor de Weezen in het 1e en 3e Gesticht te Veenhuizen aan welker waarneming eene bezoldiging van vierhonderd gulden 's jaars wordt verbonden.
 
Art. 3
Die van de tweede klasse zijn de hoofdscholen van de 3 vrije kolonien en de scholen te Ommerschans en in het 2e Gesticht te Veenhuizen aan welker bediening drie honderd vijftig gulden 's jaars wordt verbonden.
 
Art. 4
De tweede onderwijzer in de school voor de weezen van het 1e Gesticht te Veenhuizen wordt in rang tot de derde klasse gebragt en hem als zoodanig eene bezoldiging van twee honderd vijftig gulden 's jaars toegekend.
 
Art. 5
Van de vierde klasse zijn: 1. de twee bijscholen te Doldersum en in de Oostvierdeparten in kolonie no 2, welke beiden echter slechts als ééne school wordt beschouwd, en 2. de bijschool van kolonie no 3 in de Steggerder vierde parten, aan de bediening van welke scholen eene bezoldiging van twee honderd gulden 's jaars wordt verbonden.

Art. 6 Alle ondermeesters worden in rang tot eene vijfde klasse gebragt en hunne bezoldiging op twee en vijftig gulden 's jaars bepaald en op een honderd vier gulden wanneer hun op geen andere wijze vrije voeding en inwoning van wege de Maatschappij kan worden bezorgd, door de P.C. in elk geval nader te bepalen.

Art. 7
Aan genen der onderwijzers kan immer eene vermeerdering der bezoldiging te beurt vallen, anders dan bij opklimming, in eene hoogere klasse, welke opklimming echter, hun bij voldoende geschikt- en bevoegdheid ingeval van open komende plaatsen van de P.C. verzekerd wordt.

Art. 8
Gelijk alle scholen onder het onmiddellijk toezigt van den Adj-Directeur voor het schoolonderwijs staan, zoo wordt ook bepaaldelijk aan al de hoofdonderwijzers de verpligting opgelegd, om van alle schoolboeken en schoolbehoeften, die hun ingevolge het Besluit van den 22 October 1827 N19 door den Adj-Directeur voor het onderwijs worden verschaft, aan denzelven zoodanige verantwoording te doen als hij zal noodig achten, ter volbrenging van de zorg hem daaromtrent aanbevolen.

Art. 9
In de gewone kolonien zal een schoolonderwijzers gezelschap bestaan uit al de onderwijzers dier kolonien en hunne ondermeesters met den Adjunct-directeur voor het onderwijs aan het hoofd, waarbij ook nog zoodanige jongelingen in of buiten de kolonie woonachtig kunnen worden toegelaten, die eene goede aanleg bezitten en tot schoolonderwijzers wenschen gevormd te worden; welk gezelschap de strekking hebben moet, om door onderlinge mededeeling het onderwijs in de kolonien bevorderlijk te zijn.
Hetzelve zal iedere laatste zaturdag der maand, des nademiddags ten één uur, ten huize van den Adjunct-Directeur bij een komen, zullende het aan geen der leden vrij staan die bijeenkomsten anders dan om gewigtige redenen, ter beoordeling der Adj-Directeur, natelaten.
De werkzaamheden en derzelver regeling worden aan den Adj-Directeur, als voorzitter van het gezelschap, geheel overgelaten, onder gehoudenheid echter, om in de eerste maand van elk afgeloopen jaar aan de P.C. van de van de verrigtingen des gezelschaps een afzonderlijk verslag te doen met vermelding van de op elk gezelschap aanwezig of afwezig geweest zijnde leden.

Art. 10
Door den Adjunct-Directeur voor het schoolonderwijs zal aan elken hoofdonderwijzer worden ter hand gesteld een schrijfboek, bestemd tot het houden van behoorlijke aanteekening van de namen der leerlingen die tot de school behooren en van alle dagelijksche belangrijke voorvallen als het aantal aanwezige scholieren op elke les, - het aankomen van nieuwe leerlingen en het vertrek van scholieren, - het uitreiken van nieuwen leerboeken, - het verplaatsen naar hoogere klassen of afdeelingen, - buitengewone vorderingen en uitstekende goede of kwade gedragingen van scholieren, - vacantie dagen of weken, veranderingen of verbeteringen in het onderwijs of de orde der school daargesteld; alles overeenkomstig een daarvan door den Adj-Directeur te geven model, welk boek steeds behoorlijk zal moeten worden bijgehouden en telkens aan den Adjunct-Directeur en aan den Directeur der kolonien bij hunne bezoeken, vertoond, blijvende hetzelve overigens tot eenen voortdurende inleggen in de school bewaard.

Art. 11
De onderwijzers zullen elke zaturdag morgen eene lijst inzenden, in de gewone kolonien bij den kleinen raad en in de Gestichten bij den Adjunct-Directeur van het gesticht, van alle scholieren, die in den loop der week het schoolonderwijs niet behoorlijk hebben waargenomen, of zich bij hetzelve kwalijk hebben gedragen.

Art 12
Aan geene kolonisten zal door den Kleinen Raad in de vrije kolonien verlof worden verleend, wanneer door hunne kinderen, of indien ze zelve zich nog in de leerjaren bevinden, door hen zelven, geen goed gebruik van de school wordt gemaakt. Ook de Adjunct-Directeuren van de Gestichten zullen van de bij hen ingekomen lijsten kennis behooren te nemen, en zich met de onderwijzers te vereenigen ter bevordering van het getrouw opkomen der scholieren en derzelver gedrag in de scholen.

Art. 13
Geen onderwijzer zal zijn schooldienst, hoe groot of klein het getal van leerlingen ook zij, mogen opzeggen, of aan eenen ander ter waarneming overgeven, zonder daartoe vooraf de vergunning verzocht en verkregen te hebben van den Adj-Direct voor het schoolonderwijs en bij deszelfs afwezigheid in de Gestichten van den Adj-Direct van het Gesticht.
 
Art. 14
Den schoolonderwijzers wordt uitdrukkelijk de verpligting opgelegd, om zich, overigens, in alles wat de inrigting hunner scholen en de manier van onderwijzen aangaat, te gedragen naar de voorschriften en bevelen van den Adjunct-Directeur voor het onderwijs, als welke met de uitvoering van de bijzondere bedoelingen en begeerten der P.C. dienaangaande is belast.

Art. 15
De Adjunct-Directeur voor het onderwijs, zal zich steeds in staat houden, ingevolge de hem aanwezene betrekking, aan de P.C. behalve het algemeen jaarlijksch verslag – hetwelk voortaan in de maand janyary zal moeten ingezonden worden, alle inlichtingen en bijzonderheden mede te deelen, die voor het onderwijs belangrijk kunnen worden geacht.

Art. 16
Aan onderwijzers die zich zulks door door eene voorbeeldige waarneming van hunne werkzaamheden waardig maken, zullen door de Perm. Comm. vereerende getuigschriften worden uitgereikt, die jaarlijks, wanneer daartoe allezins voldoende redenen bestaan, van nieuws weder zullen bekrachtigd worden.

Art. 17
De uitvoering van dit besluit zal met 1e january 1828 eenen aanvang nemen.