Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Pogingen in 1853 om de circulatie van koloniale munt te reguleren, zodat munten van een kolonie ALLEEN in die ene kolonie in omloop zijn

De munten die in 1838 (Ommerschans), 1841 (Veenhuizen) en 1842 (vrije of gewone koloniŽn) zijn ingevoerd, zie deze pagina, verschillen van elkaar door de achterkanten. Die zijn blanco voor de Ommerschans of bevatten het opschrift 'GK' voor de vrije koloniŽn of 'V1' voor het eerste, 'V2'  voor het tweede, of 'V3' voor het derde gesticht te Veenhuizen.

Het is begrijpelijk dat munten van de ene kolonie ook voorkomen in andere koloniŽn, want kolonisten worden regelmatig overgeplaatst.

Wat daar precies TEGEN is, weet ik niet, maar de permanente commissie en de directeur zijn er erg tegen gekant en hopelijk leggen ze in een van de brieven hierover uit waarom dat is.

Het schijnt, volgens invnr 947, de klappers op de post van 1853, te beginnen met een bref van de directeur van 8 augustus 1853 met nummer N2214,

houdende aanvrage om eenige nieuwe kleine koloniale munt voor de Ommerschans en voorstellende eenige op de omwisseling dier munt te maken bepalingen.

Vermoedelijk maakt hij in die brief melding van een vermoeden dat die kleine munt zich elders bevindt, en meldt hij dat te gaan uitzoeken, want als die brief op 16 augustus 1853 bij agendapunt N10 bij de permanente commissie op de agenda staat, invnr 760, wordt die in advies gehouden met de kanttekening 'afwachten'. ECHTER, de brief, die interessant zou kunnen zijn, zit hier niet bij.

Dat afwachten duurt tot de volgende brief van de directeur. Die heeft als datum 20 oktober 1853 en als nummer N2944,

de toezending verzoekende van de aangevraagde kleine koloniale munt voor de Ommerschans onder kennisgeving te Veenhuizen werkelijk van die munt van de Ommerschans afkomstig gevonden te hebben.

Dat de directeur aandringt op kleine munten voor de Ommerschans is natuurlijk logisch, want of er nu een heleboel in Veenhuizen zijn of niet, ze hebben er gewoon gebrek aan. De brief wordt behandeld op 4 november 1853 N8, invnr 765. De brief wordt in advies gehouden en in potlood staat genoteerd 'conform voorstel en van Veenhuizen uitzoeken'.

Net als de brief van de directeur van 8 augustus, is ook die van 20 oktober zo slordig opgeborgen dat we hem niet hebben kunnen vinden.

Na er vier dagen over nagedacht te hebben, neemt de permanente commissie op 8 november 1853 N7, invnr 984 en invnr 765, een besluit:

De Permanente Commissie

Nader gelezen de brieven van den Directeur der kolonien van den 20e October ll N2944 en den 8e Augustus bevorens N2214

Overwegende dat de regelmatige circulatie der koloniale munt bij de kolonien en gestichten eenige voorzieningen eischt

Besluit

Artikel 1
De koloniale munt van de Gewone Kolonien, de Ommerschans en Veenhuizen (de drie Gestichten te zamen) zal allťťn daar waar zij behoort gangbaar zijn, en zal mitsdien op een door den Directeur der kolonien te bepalen tijdstip overal waar koloniale munt gevonden wordt uit eene andere kolonie afkomstig dezelve moeten worden ingewisseld en overgedaan aan de kolonie waartoe zij betrekking heeft.

Artikel 2
Nadat de inwisseling bij art. 1 bedoeld zal hebben plaats gehad zal alle koloniale munt elders behoorende en bij de ambtenaren gevonden wordende ten voordeele der Maatschappij zijn.

Artikel 3
Ieder kolonist die van de eene naar de andere kolonie overgaat, kan omwisseling vragen der in zijn bezit zijnde koloniale munt tegen dezulke als hij op de plaats waar hij gevestigd wordt behoeft.

Artikel 4
De omwisseling zal geschieden door afgifte van bons door den Onder Directeur binnen ter plaatse van waar de kolonist wordt overgebragt, op welke bons door den Onder Directeur binnen der kolonie naar welke de kolonist overgaat de uitbetaling der aldaar gangbare koloniale munt waarop hij aanspraak heeft, zal worden bewerkstelligd.

Feitelijk wordt er hier met de 'bons' nůg een betaalmiddel gecreŽerd en je kunt er natuurlijk op staan te wachten dat dit problemen gaat geven bij de verantwoording in de kasboeken van Veenhuizen en de Ommerschans, maar goed: zelf weten.

Ze geven het besluit het agendanummer 7A en schrijven dan als 7B een brief aan de directeur ter begeleiding van het hem toegezonden besluit:

Bij ons besluit van heden N7A, hetwelk wij UwEd hier nevens doen toekomen, zijn in overeenstemming met het door UwEd gedane voorstel maatregelen genomen ten einde de regelmatige circulatie der koloniale munt te verzekeren.

Ten gevolge van die maatregelen eene schifting dier munt voor de verschillende kolonien zullende tot stand komen, zoo hebben wij gemeend nog geen gevolg te moeten geven aan UwEd aanvrage om eenige nieuwe kleine koloniale munt voor de Ommerschans te doen aanmaken, te minder daar door UwEd bereids is opgemerkt dat de bedoelde kleine munt te Veenhuizen in omloop is.

Mogt na dat de inwisseling zal zijn afgeloopen, de behoefte aan nieuwe munt blijven bestaan, dan kan door UwEd eene nadere aanvrage ter voorziening in die behoefte aan ons worden ingezonden.

De P.C.

Weten we nog steeds niet wat er tegen is, maar goed, de directeur kan aan de slag. Uit een latere brief, 17 februari 1854 met nummer N410, welke brief zich bevindt in invnr 772 bij 28 februari 1854, blijkt dat hij de divere adjunct-directeurs opdracht geeft vreemde munten in te pikken.

De directeur doet verslag op op 3 december 1853 in een brief met nummer N3363, invnr 767 bij 13 december 1853 N5. Let ook op hoe hij in twee opeenvolgende zinnen de ene keer 'coloniale' schrijft en de andere keer 'koloniale':

Ik heb de eer UWHoogEdG, in antwoord op de resolutie van den 8 november jl N7A, met den aanschrijving van denzelfden dag N7B, rapport te doen van den afloop der inneming van de bij de Gewone Kolonien, Ommerschans en Veenhuizen vreemde coloniale munt en de overdoening van dezelve aan de koloniŽn, waar dezelve behoort.

Bij die gelegenheid ois ook ingenomen, om buiten omloop te worden gesteld, eenige door afslijting onbruikbaar geworden koloniale munt.

Er is ingenomen van
de Gewone Kolonien voor
É 103.63

de Ommerschans voor
É   91.07 Ĺ
Veenhuizen No 1 voor É 117.60

Veenhuizen No 2 voor É 124.11

Veenhuizen No 3 voor É  90.02

en van de Algemene Directie voor É   3.73

Zamen
É 530.16
Ĺ

En overgedaan aan
de Gewone Kolonien
É  68.15

de Ommerschans voor
É 268.63

Veenhuizen No 1
É  22.57

Veenhuizen No 2
É  25.47

Veenhuizen No 3
É  74.90

Zamen
É 459.72


Over É 70.44Ĺ, welke laatste som als onbruikbaar hier bij de Algemeene directie, aan het respect Permanente Commissie is afgeschreven en UWHoogEdG bij dezen wordt overgezonden.

UWHoogEdG zullen uit vorenstaande opgaven bemerken, dat de Ommerschans aanmerkelijk meer heeft ontvangen dan afgedragen, waardoor aldaar, zoo ik vertrouw, geen behoefte aan koloniale munt meer bestaat, terwijl te Veenhuizen de meer afgedragene sommen konden worden gemist en ook hier, in de Gewone koloniŽn, over geen behoefte aan koloniale munt meer geklaagd wordt.

Wťl zou het nuttig zijn, hier een aantal halve centen te hebben, maar volstrekte behoefte aan dezelve bestaat er niet, waarom nu, mijne vroegere aanvragen om meer koloniale munt, aan UWHoogEdG vooreerst voor vervallen kunnen worden gehouden, tot dat de behoefte nader mogt blijken.

De genomen maatregelen schijnen alzoo aan de verwachting te voldoen.

In de kantlijn van de brief heeft iemand na zitten rekenen of het door de directeur gezonden afgesleten geld echt É 70.44Ĺ is:

19.50
6.35

35.65

1.65

7.29
Ĺ
70.44 Ĺ

Met wat moeite zou daar misschien uit te halen zijn welke munten er uit de roulatie genomen zijn, maar 1) de directeur meldt niet uit welke koloniŽn de onbruikbare munten komen, en 2) ze zijn afgesleten dus het is de vraag of de goede waarden wel afgelezen zijn.
Iemand anders heeft op de brief genoteerd dat er een afschrift van gemaakt moet worden voor de Verificateur.

De brief wordt voor notificatie aangenomen.

Tenslotte schrijft de directeur op 19 december 1853 in een brief met nummer N3522, welke brief zich bevindt in invnr 771 bij 3 februari 1854 N2:

Ten vervolge op mijn rapport van den 3e dezer maand N3363, over den afloop van de inwisseling der koloniale munt, welke bij andere koloniŽn in omloop was dan waarvoor ze bestemd is, heb ik de eer Uw HoogEd. Gestr.te berigten, dat nu een aanzienlijke hoeveelheid kleine munt naar de Ommerschans is terug gebragt (...)

Vervolgens meldt hij in diezelfde brief dat hij nu nieuwe koloniale munt nodig heeft voor het tweede gesticht te Veenhuizen, maar dat staat bij 1853 op de pagina met aantallen munten bij het tweede gesticht.