Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





De aantallen munten die van 1842 tot 1859 in het DERDE gesticht te Veenhuizen  in omloop geweest zijn

Op deze pagina proberen we bij te houden hoeveel munten er bestaan hebben die in het derde gesticht te Veenhuizen in omloop geweest zijn van deze serie, die ± 11 mei 1841 in die kolonie werd geοntroduceerd en daar tot en met 1859 gangbaar bleef. Ze zijn, in ieder geval tot 1853, gemaakt door de firma G. van Maanen & zoon en het gaat om munten met op de achterkant 'V3'.

Mei 1841: DE EERSTE NIEUWE MUNTEN

Op 5 mei 1841 bij agendapunt 4, invnr 515, besluit de permanente commissie aan de directeur te zenden 600 gulden aan koloniale munt voor het derde gesticht. Op de brief waarmee dat gebeurt staat aangegeven welke munten gezonden worden:

DERDE Gesticht
190 stuks ΰ 0.50
ƒ   95.---
500 stuks ΰ 0.25
ƒ 125.---
1000 stuks ΰ 0.15
ƒ 150.---
1000 stuks ΰ 0.10
ƒ 100.---
2000 stuks ΰ 0.05
ƒ 100.---
2000 stuks ΰ 0.01
ƒ   20.---
2000 stuks ΰ 0.005
ƒ   10.---
Totaal
ƒ 600.---

Op 10 mei 1841 in een brief met nummer N1092, invnr 244 scan 261, meldt de directeur de ontvangst van dat pakket in Frederiksoord. Dan moet het nog naar Veenhuizen, dus als introductiedatum van de metalen munt bij het derde gesticht mag 11 mei 1841 worden ingevuld.

AUGUSTUS 1841: DE EERSTE NALEVERING

De naar de directeur gezonden aantallen koloniale munt zijn aanzienlijk lager dan de directeur in het begin van het jaar had opgegeven dat in omloop was. De bedoeling zal zijn dat het resterende papiergeld ook nog gebruikt wordt en eerst wordt opgemaakt.

Het gevolg is dat de directeur al diezelfde maand, op 28 mei 1841 in een brief met nummer N1252, invnr 244 scan 741, melding maakt van een tekort aan koloniale munt bij het derde gesticht:

Ik heb de eer UwEdGeb te berigten, dat de ontvangen ƒ 600.-- nieuwe Coloniale Munt voor het 3e Gesticht te Veenhuizen, bevonden is ontoereikend te wezen, daar er wekelijks ƒ 500.-- wordt uitbetaald, en niet al de kleine munt benoodigd is of uitgegeven wordt, om er wat van in voorraad te behouden; terwijl er steeds eenige sommetjes bij winkelier en huisgezinnen overgehouden en bewaard blijven; waarom de Directie aldaar nog ƒ 400.-- verlangt, liefst in stukken van 100, 50 en 25 centen, daar, gelijk ik reeds te kennen gegeven heb, er genoeg klein geld ontvangen is.
Men heeft bij het gemis van genoeg nieuwe Koloniale munt, nog een aanzienlijke partij oude in omloop moeten laten, welke thans echter beter geheel ingenomen zal wezen.

Er wordt een bestelling bij Van Maanen geplaatst en 7 augustus 1841 N8, invnr 518, wordt naar Frederiksoord gezonden:

125 stuks van 100 cents ƒ 125.---
300 stuks van 50 cents ƒ 150.---
500 stuks van 25 cents ƒ 125.---
tezamen 
ƒ 400.---

Dat heeft de directeur op 10 augustus nog niet ontvangen want op die 10 augustus 1841 in een brief met nummer 1900, invnr 248 scan 195, dringt hij aan:

Ik heb de eer UwEdGeb de toenemende behoefte aan meer metalen coloniale munt, bij het 3e Gesticht te Veenhuizen, bij dezen onder de aandacht te brengen, daar de, in plaats van zulks nog in gebruik gelaten, papieren munt onbruikbaar wordt en thans zeker door geen nieuwe van deze soort meer zal kunnen worden vervangen.

Maar een paar dagen later zal hij de munten in huis hebben.

JANUARI 1842; MUNTEN TER VERVANGING

Op 15 januari 1842 N18, invnr 523, stuurt de permanente commissie    ƒ 1150.- koloniale munt voor Veenhuizen ter vervanging van de uit de roulatie genomen munten van 15 cent. Dat blijkt te zijn naar aanleiding van een brief van de directeur dd 22 oktober 1841 met nummer 2568 die ik nog moet zoeken.
Het is verdeeld in 150 gulden voor het eerste gesticht, 600 voor het tweede en 400 voor het derde.

Nota van op den 12 January 1842 aan den Directeur der Kolonien toegezonden koloniale munt ten behoeve van:

Veenhuizen 3e Gesticht

100 stuks ΰ 100 cents
ƒ 100.---
200 stuks ΰ 50 cents
ƒ 100.---
200 stuks ΰ 25 cents
ƒ 50.---
800 stuks ΰ 10 cents
ƒ 80.---
1000 stuks ΰ 05 cents
ƒ 50.---
1500 stuks ΰ 01 cent
ƒ   15.---
1000 stuks ΰ 00½ cent
ƒ   5.---
Totaal
ƒ 400.---

(Op dit vel staan ook het eerste en tweede gesticht, zie aldaar)

ZENDING DECEMBER 1842

Op 4 oktober 1842 in een brief met nummer 2548 vraagt de directeur om 400 gulden koloniale munt voor het derde gesticht. Op 7 december 1842 N1, invnr 535, wordt hem die 400 gulden gezonden (diezelfde dag gaat ook 200 gulden naar het eerste gesticht, zie aldaar).

Nota van op den 7e December 1842 aan den Directeur der kolonien toegezonden koloniale munt ten behoeve van

(...)

het 3e gesticht te Veenhuizen:

150 stukken van 100 cent
ƒ 150.---
300 stukken van 50 cent
ƒ 150.---
360 stukken van 25 cent
ƒ 90.---
1000 stukken van 01 cent
ƒ   10.---
Totaal
ƒ 400.---

De directeur bevestigt de ontvangst op 13 december 1842 N3214, invnr 267 scan 587.

ZENDING JANUARI 1844

Op onbekende datum vraagt de directeur extra munten voor het derde gesticht. Op 15 januari 1844 bij agendapunt 1, invnr 548, komt het eraan:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Op het rapport van den Dir voor de Adm (gevraagd 9 Nov ll N2)

Besluit

aan den Dir der Kol te schrijven als volgt:

Hiernevens ontvangt UWEd de volgende koloniale munt, als

voor het 3e gesticht te Veenhuizen
125 stukken a 100 cents
ƒ 125.---
100 stukken a 50 cents
ƒ  50.---
2500 stukken a 01 cent
ƒ  25.---

ƒ 200.---

Het zal ons aangenaam zijn de goede ontvangst daarvan te verneemen.

De P.C.

De directeur bevestigt de ontvangst op ???, invnr ??? scan ???.

ZENDING DECEMBER 1848

Op 24 oktober 1848 in een brief met nummer N2770, welke brief zich bevindt in invnr 627 bij 30 december 1848 N8, schrijft de directeur:

Alhoewel het verboden is en zulks bij het 3e gesticht te Veenhuizen nog kortelings herinnerd was, heb ik, verleden week, bij dat gesticht bevonden, dat de zaalopzieners, die beurtelings de water- of drinkhuisjes bedienen, althans de kolonisten hunner eigene zaal borgen, waarom ik eene schuldenlijst van den zaalopziener Emmelot heb afgenomen en vernietigd.
Intusschen geeft men voor, dat gebrek aan kleine koloniale munt (stukken van ιιne cent), het borgen soms noodzakelijk zoude maken.
Ofschoon dat voorgeven onvoldoende is, acht het de plaatselijke directie toch hoogst nuttig, dat er nog voor ƒ 25:-- van die stukjes, voor elk der beide bedelaarsgestichten worden verkregen, ten einde een weinig ruimeren omloop dier kleine munt te hebben.
Bovendien verzoekt het 3e gesticht, om nog ƒ 200:-- koloniale munt in stukken van 100 en van 50 centen.
Ik heb de eer UwHEdG een en ander bij dezen voortedragen.

De directeur lult uit zijn nek. Als je tegelijk zorgt dat er ιn te weinig kleingeld is ιn het kopen op de lat verbiedt, kunnen bedelaars nooit koffie krijgen in het waterhuisje. Hartstikke goed en menslievend van die zaalopzieners dat ze toch koffie schenken.
De aanvraag om koloniale munt voor de twee bedelaarsgestichten te Veenhuizen (het tweede is dat al vanaf 1825 en het derde vanaf halverwege 1842) wordt 31 oktober 1848 N10, invnr 623, met de aantekening 'coloniale munt zenden', in advies gehouden en op 30 december 1848 N8, invnr 627, wordt de directeur de gevraagde munt toegezonden (een gedeelte van deze brief staat op de pagina VH-2):

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Besluit

te schrijven als volgt aan den directeur der Koloniλn
In antwoord op UwEd missive van den 24 Oct No 2770 doen wij UwEd hiernevens toekomen de navolgende Koloniale munt voor de bedelaarsgestichten te Veenhuizen, te weten

(...)

Voor het 3e gesticht

100 stuks van ƒ 1.- ƒ 100
200 stuks van 0,50 ƒ 100
2500 stuks van 0,01      ƒ   25
Te zamen ƒ 225

Het zal ons aangenaam zijn de goede ontvangst daarvan van Ued te vernemen

De P.C.

Op 5 januari 1849 in een brief met nummer N40 bevestigt de directeur de ontvangst daarvan en die ontvangstbevestiging wordt 9 januari 1849 N17, invnr 628, voor notificatie aangenomen.

CIRCULATIE-GEDOE IN 1853

In 1853 is er gedoe over munten van de ene kolonie die in een andere kolonie gevonden zijn. Daarom houdt de permanente commissie de leveringen van munten even op. Dit hele verhaal staat op een aparte pagina.

ZENDING MAART 1855

Op 19 december 1854 in een brief met nummer N3458, die zich bevindt in invnr 800 bij 17 maart 1855 N14, vraagt de directeur om koloniale munt voor het derde gesticht te Veenhuizen. Die aanvraag wordt in advies gehouden op 27 december 1854 N16, invnr 794.
De permanente commissie stuurt de directeur zowel 'nieuw aangemaakte koloniale munt' voor het derde gesticht als voor de Ommerschans op 17 maart 1855 N14, invnr 800:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Gehoord het rapport van den secretaris / Compt gevraagd den 3 Oct No 8

Besluit

aan den directeur der Koloniλn te schrijven als volgt

In antwoord op uwe missives van den 22e Sept en 19e Dec ll No 2597 en 3458 doen wij UwEd hiernevens toekomen de daarbij aangevraagde koloniale munt, als voor de Ommerschans

100 stukken van een Gulden
200 stukken van vijftig cent &
800 stukken van 25 cent

En voor het 3e gesticht te Veenhuizen

2000 stukken van een cent
2000 stukken van een halve cent

Te zamen voor een waarde van ƒ 430,=

Aangenaam zal het ons zijn de goede ontvangst daarvan van Ued te vernemen

De P.C.

Op 28 maart 1855 in een brief met nummer N799 bericht de directeur 'de goede ontvangst en accoord-bevinding' daarvan en die brief wordt 2 april 1855 N17, invnr 801, voor notificatie aangenomen en bij die datum opgeborgen.

ZENDING NOVEMBER 1856

Op 2 september 1856 stuurt de directeur met een begeleidend schrijven twee extracten van brieven, eentje van de adjunct-directeur van het tweede gesticht en eentje van de adjunct-directeur van het derde gesticht te Veenhuizen, aan de permanente commissie. Al die stukken bevinden zich in invnr 846 bij 3 november 1856 N20.
Het begeleidend schrijven van de directeur heeft het nummer N2705 en luidt:

Op eene aanvrage, om ƒ 500.--meer koloniale munt, in kleine stukken, van het 2e Gesticht te Veenhuizen, gaf ik mijne verwondering over het hoog bedrag daar van en de kleine soort, waarin men ze vroeg, te kennen, met verzoek om opheldering dienaangaande.

Daarop ontving ik gisteren het antwoord, waarvan ik een extract hiernevens voeg, als ook eene zelfde aanvrage van het 3e Gesticht, doch om het merendeel in groote stukken te bekomen, waarvan mede een afschrift hierbij gaat.

Voor zoo veel de verlegenheden om koloniale munt voornamelijk uit het ophouden van zulk een aanzienlijk bedrag aan het 1e Gesticht, tegen overmorgen, ontstaat, dan zal die ongelegenheid spoedig ophouden en nu ook het 3e Gesticht meer vraagt, zou ik oordeelen, dat, wanneer voor ieder der gestichten 2 en 3 bv ƒ 200.--nieuwe koloniale munt ontvangen wordt, daarmede in de behoefte wel zal kunnen worden voorzien en voorts dat de stukken van verschillende doch meest hoogere waarde kunnen zijn, hetgeen ik alzoo de eer heb UwHoogEdGestr. voortedragen.

Het 'ophouden' bij het 1e Gesticht voor overmorgen (= 4 september) slaat op het extract van de brief van de adjunct-directeur van het tweede gesticht, Jan Frederik Krieger (zie over hem deze pagina).

Veenhuizen 1 September 1856
Extract N437

Ik heb enz.
Zoo ook op dien van den 29 daaraanvolgende N2650 dat de behoefte van ƒ 500.--in koloniale munt niet zoo verbazend hoog zal toeschijnen, wanneer ik heb toegelicht dat dat bedrag als het ware ook moet dienen tot aanvulling van het 3e Gesticht, waar evenzeer die behoefte bestaat en het gebrek aan die munt zelfs nog erger is en daar de koloniale munt in de winkels der 3 gestichten gangbaar is, is het ook gelijk aan welk der gestichten ze wordt aangevuld.

Als gedeeltelijke oorzaak van dat gebrek is mij gezegd dat aan het 1e Gesticht wel ƒ 500.--a ƒ 600.--koloniale munt onder de weezen en huisgezinnen zoude zijn opgespaard om in de volgende week te worden omgewisseld, om besteed te worden op de zoogenaamde kermis aan het 1e Gesticht.

De adjunct-directeur
(get.) J.F. Krieger

De bedoelde jaarlijkse kermis op het eerste gesticht, die dit jaar dus op 4 september valt, is opgezet om te voorkomen dat de weesjongens gaan lopen straatschuimen op de jaarmarkt in Norg. En verder wordt uit deze brief duidelijk dat de munten met 'V1', 'V2' en 'V3' allemaal vrijelijk door heel Veenhuizen gebruikt worden.
Het andere extract is van de adjunct-directeur van het derde gesticht, Sikke Berends Drijber:

Veenhuizen den 1 September 1856
N169

Ter enz.
Door de aanhoudende behoefte aan koloniale munt bij de gestichten alhier, verzoekik UwEd ƒ 500.-- nieuwe munt van ƒ 1.--het stuk  voor dit gesticht te willen aanvragen, met nog ƒ 25.-- 1 cent stukken.

De Adjunct-Directeur
(get.) S.B. Drijber

Op de brief van de directeur heeft een lid van de permanente commissie een paar uitroepen neergekalkt:

ƒ 600.-- omwisseling voor kermisuitgaven !!!

Ik zie nergens iets, aan welke oorzaak de behoefte is toeteschrijven.

De brief wordt, met de aantekening 'gevolg aan geven', in advies gehouden op 9 september 1856 N32, invnr 842.
Op 22 oktober 1856 in een brief met nummer N323, welke brief zich bevindt in invnr 846 bij 3 november 1856 N20, meent de directeur een herinnering te moeten sturen:

Daar de verlegenheid om koloniale munt te Veenhuizen schijnt toe te nemen, aangezien de veteranen kolonisten beginnen te klagen over het uitstellen van betalingen, zoo neem ik de vrijheid UwHoogEdGestr. te herinneren mijne aanvrage om nieuwe koloniale munt bij missive van 2 September jl N2705.

En dan wordt aan hem gezonden 'ƒ 400.-- koloniale munt voor Veenhuizen' op 3 november 1856 N20, invnr 846:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Gelezen den brief van den Directeur der Kolonien van den 28 October No 3234

Besluit

Aan den Directeur der Kolonien te schrijven als volgt

Ter voldoening aan de aanvraag vervat in Uwen brief  van den 2e  September  No 2785 ontvangt UwEd hiernevens ƒ 400 aan Koloniale munt  voor Veenhuizen als

ƒ 200 voor het 2e gesticht
En ƒ 200 voor het 3e gesticht

Voor beide gestichten verdeeld in

100 stukken van een Gulden
80 stukken van vijftig cents
60 stukken van 25 cents
100 stukken van 10 cents
200 stukken van 5 cents
1500 stukken van een cent &
2000 stukken van een halve cent   

Aangenaam zal het ons zijn de goede ontvangst daarvan van UwEd te vernemen.

De P.C.

Uit een aantekening op de expeditielijst blijkt de zending te bestaan uit '7 zakken'. Op een velletje is genoteerd hoe de koloniale munten over de zakken verdeeld zijn:

1 zak 2000 stuks ΰ ½ ct V3
ƒ 10.--
1 zak 2000 stuks ΰ ½ ct V2 ƒ 10.--
1 zak 100 stuks ΰ 10 ct V3
100 stuks ΰ 10 ct V2
ƒ 10.--
ƒ 10.--
1 zak 60 stuks ΰ 25 ct V2
80 stuks ΰ 50 ct V2
100 stuks ΰ 100 ct V2
ƒ 15.--
ƒ 40.--
ƒ 100.--
1 zak 60 stuks ΰ 25 ct V3
80 stuks ΰ 50 ct V3
100 stuks ΰ 100 ct V3
ƒ 15.--
ƒ 40.--
ƒ 100.--
1 zak 200 stuks ΰ 5 ct V3
1500 stuks ΰ 1 ct V3
ƒ 10.--
ƒ 15.--
1 zak 200 stuks ΰ 5 ct V2
1500 stuks ΰ 1 ct V2
ƒ 10.--
  ƒ 15.--


ƒ 450.--

ZENDING FEBRUARI 1857

Op 7 december 1856 in een brief met nummer N3629, invnr 853 bij 19 februari 1857 N4, schrijft de directeur aan de permanente commissie:

Niettegenstaande er onlangs ƒ 200.-- nieuwe koloniale munt bij elk der gestichten 2 en 3 te Veenhuizen is ontvangen, blijft er, volgens den Adjunct-directeur bij het 2 Gesticht, nog meer gebrek bestaan, waarom ?? ten spoedigste om nog ƒ 300.--verzocht wordt, terwijl er ook bij het 3 Gesticht gelijke behoefte aan meer zou plaats grijpen.
Wat de oorzaken daarvan betreft, de bevolking is talrijk, de woningen geheel bezet en misschien wordt er van het zakgeld, tegen het voorjaars ontslag, wat bespaard, waaraan de behoefte schijnt te zijn toeteschrijven.
De stukken behoeven thans niet zoo klein te wezen en zoodra er een gedeelte vervaardigd is, wenschte ik dit onmiddellijk te ontvangen.

Dit is 'in advies en besteld' op 16 december 1856 N11, invnr 849. Op de brief is met potlood aangetekend: 'Besteld den 17 December 1856 voor ieder gesticht 100 van ƒ 1.--, 100 van ƒ 0.50, 100 van ƒ 0.25, bij van Maanen en Zoon alhier'.
Vervolgens treedt de permanente commissie af en 'de gecommitteerde der regering' baron Mackay is op 19 februari 1857 N4, invnr 853, de verzender van de munten. Met andere aantallen dan met potlood op de brief van de directeur aangetekend:

Ter voldoening van de aanvrage vervat in UWEd brief van den 7e Dec ll N3629 ontvangt UWEd hiernevens ƒ 600.-- aan koloniale munt voor Veenhuizen
als ƒ 300.-- voor het 2e Gesticht en
als ƒ 300.-- voor het 3e Gesticht,

over beide gestichten verdeeld in:
100 stukken van ιιn gulden,
200 stukken van vijftig cents, en
400 stukken van vijfentwintig cents.

Aangenaam zal het mij zijn de goede ontvangst daarvan van UWEd te vernemen.

de Gecommitteerde enz.

In dit invnr zitten drie briefjes die aan of bij de geleverde munten zullen hebben gezeten. Op het eerste briefje staat:

200 stuks 1a 50 cts
200 stuks ΰ 50 cts
Veenhuizen 2 & 3
weegen 3 7/10 Nederlandse pond

Op het andere briefje, waar met 'cents' bedoeld wordt 'stukken', staat:

100 cents ΰ ƒ 1.--
100 cents ΰ ƒ 1.--
Veenhuizen 2 & 3
wegen 3 Nederlandse pond

En op het laatste briefje staat:

400 stuks a 25 cts
400 stuks a 25 cts
Veenhuizen 2 & 3
weegen 5 Nederlandse pond

Verder zit er een briefje bij dat verwijst naar de eerdere zending op 3 november 1856 N20. Op 24 februari 1857 in een brief met nummer N556 bevestigt de directeur de ontvangst hiervan, wat wordt opgeborgen bij 3 maart 1857 N12, invnr 854, waar het voor notificatie wordt aangenomen.

Dit was de laatste zending koloniale munt naar het derde gesticht te Veenhuizen.