Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Pieter Otto van der Chijs verzamelt koloniale munten, vermoedelijk zowel voor zichzelf als voor het Penningkabinet van de Hogeschool in Leiden

Pieter Otto van der Chijs was eerst activist voor de Maatschappij van Weldadigheid en later de verantwoordelijk redacteur van haar maandbladen, zie op deze pagina. Maar hij is ook numismaticus en in die hoedanigheid meldt hij zich in 1849 bij de permanente commissie.

Op 16 april 1849 schrijft Van der Chijs. De brief is bewaard bij 14 augustus 1849 N21, invnr 648, en luidt als volgt:

Leiden 16 April 1849

Wel Edel Geboren Heeren,

De Heer Guioth, Ingenieur en Chef der Ponts et Chausses te Brussel, zich sedert geruimen tijd onledig met eene Historie Numismatique du Roi Guillaume I, een werk waarmede Z.E. reeds zeer verre gevorderd is.

Hij verzoekt mij, onder anderen, hem te bezorgen de ten jare 1818  op last der Perm. Comm. geslagene medaille voor de kolonisten met het opschrift:
aan menschlievendheid en vlijt.
alsmede de verschillendekoloniale, zoo koperen, ijzeren als papierenmunten der Maatschappij van Weldadigheid.

Ik neem, ten einde aan 's mans verzoek te voldoen, mij niet beter te kunnen wenden, dan tot Ul. Mijne Heeren, wier welwillendheid mij vroeger, toen wij in naauwe betrekking tot elkander stonden, zoo dikwerf gebleken is.

Mogt er niet één exemplaar der medailles meer disponibel wezen, dan zullen de stempels toch nog wel voorhanden zijn.

In dat geval verzoek ik dat er voor mijne rekening , behalve voor de Heer Guioth ook nog koperen exemplaren mogen vervaardigd worden, voor mijune verzameling, en zoo mogelijk ook een zilveren (kan dit niet dan koperen of dusgenaamde bronzen) voor het Munt- en Penningkabinet der Leidsche Hoogeschool.

Het zoude mij ook zeer aangenaam zijn, voor laatstgenoemd kabineteen stel der verschillende koloniale munten te mogen ontvangen.

Tot wederdienst, zoo mogelijk, bereid, heb ik de eer mij met de meeste hoogachting te noemen

WeledelGeboren Heeren
UwEGeb. zeer ootm. dienaar
P.O. van der Chijs
Buitengew. Hoogleeraar en Directeur van het Munt- en Penningkabinet der Hoogeschool

IN ADVIES

De brief komt 23 april 1849 aan en op de agenda van die dag bij agendapunt N7, invnr 637, wordt die in advies gehouden en wordt de inhoud ervan als volgt samengevat:

zoo mogelijk exemplaren verzoekende van de in der tijd geslagen medaille voor de kolonisten met het opschrift "aan menschenliefde en vlijt", alsmede van de verschillende soorten van koloniale munt.

Dat 'menschenliefde' is dus niet helemaal correct. Het in advies houden wil niet zeggen dat ze niets doen. Ik neem aan dat ze driftig het hele kantoor doorzoeken op zoek naar medailles of stempels, totdat iemand de notulen vindt van 6 december 1823 bij agendapunt 46, invnr 39, waarin besloten is om aan de Munt te vragen of zij de stempels willen bewaren.

NAAR DE MUNT

Aha, denkt men, dáár zijn ze. Op 10 mei 1849 N1, invnr 638, onderneemt men actie:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Besluit

Te schrijven als volgt aan den Heer C. van der Voort, secretaris van het Collegie van Raden en Generaalmeesteren der Munt te Utrecht.

In den jare 1818 is op last onzer Commissie geslagen, eene medaille voor de kolonisten met het opschrift "Aan menschlievendheid en vlijt", waarvan de stempel berust aan de Munt te Utrecht.

Van deze medaille nog enkele exemplaren wenschende te bekomen, zoude het ons aangenaam zijn, bij de verzekering dat die stempel werkelijk voorhanden is, te mogen vernemen, op welken prijs, boven de waarde van het metaal, de vervaardiging van een of meerdere exemplaren in goud, zilver en brons, zoude te staan komen.

Wij nemen de vrijheid UwEdG te verzoeken ons omtrent een en ander te willen inlichten.

De P.C.

VAN DER CHIJS WEER

Daarmee ligt de bal bij de Munt waar ze op hun beurt een grootscheepse zoektocht houden die tweeënhalve maand in beslag neemt. In de tussentijd laten ze niks aan Pieter Otto van der Chijs horen en die wordt na enkele maanden een beetje ongeduldig. Hij schrijft opnieuw op 27 juli 1849. Die brief is ook bewaard bij 14 augustus 1849 N21, invnr 648, en luidt:

Leiden 27 July 1849

Wel Edele Heeren!

Mij vleijende zeer spoedig eenig antwoord te zullen bekomen, heb ik geene aanteekening van den juisten dag gehopuden, waarop ik - indien ik mij niet vergis in Maart jl - mij per brief tot UWE wendde met verzoek om voor mijne rekening te mogen ontvangen ten behoeve van den Heer Guioth, Ingenieur en Chef der Ponts et Chausses te Brussel
1e een exemplaar der medaille van de Maatschappij
2e een exemplaar der verschillende koloniale munten.

Het zal mij zeer aangenaam zijn met eenig berigt te mogen vereerd worden daar gemelde Heer zich nu reeds tweemalen na mijn schrijven aan mij geadresseerd heeft.

Met de meeste achting heb ik de eer mij te noemen

UwE Zeer dw. dienaar
P.O. van der Chijs
Hoogleeraar-Dircteur van het Munt- en Penningkabinet der Hoogeschool

WACHTEN, WACHTEN, WACHTEN

Die brief komt 31 juli binnen en dit keer krijgt hij wel antwoord, 31 juli 1849 N20 invnr 646. De permanente commissie schrijft hem:

In antwoord op Uwe missive van den 27 dezer hebben wij de eer UHG te kennen te geven, dat wij, naar aanleiding van Uwen brief van den 16 April ll, den Heer C. van der Voort, secretaris van het College van Raden en Generaalmeesteren der Munt te Utrecht, hebben uitgenoodigd te willen onderzoeken of de stempel der door UHG bedoelde medaille werkelijk voorhanden is, en ons tevens optegeven tegen welke prijs, boven de waarde van het metaal de vervaardiging van een of meer exemplaren in goud, zilver en brons zoude te staan komen.

Vermits wij echter tot dusverre dienaangaande nog geen inlichtingen of opgaven hebben ontvangen, zien wij ons vooralsnog niet in staat gesteld, aan het door UHG te kennen gegeven verlangen te voldoen. 

DE WAARDIJN

Maar diezelfde dag, dus 31 juli 1849, schrijft ook de waardijn van de Munt. Een waardijn schijnt, volgens internet, een functionaris bij een munthuis te zijn. Ook die brief is opgeborgen bij 14 augustus 1849 N21, invnr 648, en luidt:

Utrecht 31 July 1849

Bij missive van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid, dd 10 Mei 1840 N1, gerigt aan den secretaris van het College van Raden en Generaalmeesteren der Munt, is te kennen gegeven de wensch om nog eenige exemplaren te bekomen der medaille voor kolonisten, met het opschrift: aan menschelijkheid en vlijt, waarvan de stempel bij 's Rijks Munt zou berustende zijn.

Deze opgave aanleiding gegeven hebbende tot een naauwkeurig onderzoek naar den bedoelden stempel, zoo is daarbij gebleken dat dezelve noch bij 's Rijks medaille-stempels (waarvan mij de bewaring is toevertrouwd) noch ook bij de graveurs van 's Rijks Munt voorhanden is.

Daar er van dien stempel bovendien geen gewag gemaakt is op de staten der bij mij in bewaring zijnde stempels, zoo komt het waarschijnlijk voor dat dezelve in der tijd, na gemaakt gebruik aan de Permanente Commissie zal zijn teruggezonden, gelijk in den regel geschiedt met stempels die aan bijzondere inrigtingen toebehooren.

De kosten der vervaardigingvan de medailles boven den prijs van het metaal, nogtans afhankelijk zijnde van den omvang des stempels, zoo is het mij niet mogelijk het bedrag derzelve op te geven.

Zoo de stempel wordt teruggevonden, zal het mij aangenaam wezen door de toezending daarvan, te worden in staat gesteld om de verlangde inlichtingen te geven.

De Waardijn van 's Rijks Munt
Bewaarder van 's Rijks Medaille Stempels
handtekening

IN ADVIES EN ZOEKEN

De handtekening is van jhr. mr. L.C. Hora Siccama, geboren 1807, van 1842 tot 1878 waardijn van de Rijksmunt te Utrecht, zie portret. De brief van de waardijn wordt 7 augustus 1849 N8, invnr 647, in advies gehouden.

Verrek! denkt de permanente commissie. Zijn die dingen toch hier? En er begint een nieuwe en nog fanatiekere zoektocht.

Volgens 7 augustus 1849 N10, invnr 647, heeft Otto Pieter van der Chijs op 2 augustus nog een brief geschreven 'betrekkelijk zijn verzoek om eene medaille der Maatschappij en een stel der verschillende koloniale munten', maar die brief hebben we niet teruggevonden. Waarschijnlijk staat er in dat hij dan wel wacht op bericht over de medailles, maar inmiddels wel de koloniale munten wil hebben.

Ook die brief wordt in advies gehouden (7 augustus N10 dus), maar er wordt alvast wel genoteerd 'koloniale munt zenden, en berigten aan van der Chijs dat de stempels zoek zijn'.

MUNTEN VOOR VAN DER CHIJS

Dat gebeurt op 14 augustus 1849 N21, invnr 648. Ze schrijven aan Van der Chijs:

Van den Heer Waardijn van 's Rijks Munt thans berigt ontvangen hebbende, dat de stempel der door UHG bedoelde medaille noch bij 's Rijks medaille-stempels, noch bij de graveurs van 's Rijks Munt voorhanden is, zoo zien wij ons tot ons leedwezen buiten staat gesteld, de door UHG aangevraagde exemplaren te verstrekken.

Een compleet stel der thans in omloop zijnde koloniale munt hebben wij intusschen het genoegen, in antwoord op Uwe missive van den 2e dezer, hiernevens te voegen, onder opmerking, dat voor de Gewone Kolonien geen stukken van ½ cent bestaan, terwijl de koloniale munt te Ommerschans gangbaar, daarvan op de keerzijde het merkteken niet draagt, in tegenstelling van die voor de Gewone Kolonien en voor de gestichten N1, 2 & 3 te Veenhuizen.

De vroeger bestaan hebbende ijzeren en papieren munt, is reeds sedert een geruimen tijd ingetrokken, en geen exemplaren zijn daarvan bij ons meer aanwezig.

Gaarne zouden wij UHG nog een exemplaar der verschillende hierbijgaande muntstukken doen toekomen, dan ook hiertoe zijn wij niet in de gelegenheid, vermits wij daarvan geen volledig stel meer voorhanden hebben.

TER AFTEEKENING

De permanente commissie heeft weinig gevoel voor wat verzamelaars bezielt. Ze hebben best her en der in hun archief nog wat oude stukken, maar dat is te veel zoeken. En Pieter Otto moet nu besluiten of hij het ene setje zelf houdt of aan die Belgische meneer geeft. Ze hadden hem ook nog naar Van Maanen kunnen verwijzen.

Volgens de klapper op de post van 1849, invnr 944, het mapje 'Comptabiliteit koloniale munt', schrijft Van der Chijs al de volgende dag, dus 15 augustus 1849. Die brief is opgeborgen bij 21 september 1849 N5, invnr 652:

Onder hartelijken dank voor het mij ten bedoelden einde toegezonden compleet stel koloniale munten der Maatschappij van Weldadigheid, neem ik de vrijheid, ten einde zulks aan mijnen Belgische correspondent te kunnen melden, te vragen mij wel te willen mededeelen, wanneer de tegenwoordige koloniale munten het eerst in gebruik zijn gesteld en dus de vroeger in gebruik geweest zijnde  zijn afgeschaft.

Wat de medaille der Maatschappij betreft, dezelve is in 1818 door van der Goen & Co te Amsterdam vervaardigd en hoogstwaarschijnlijk in de fabriek van den heer de Heus te Utrecht geslagen.
Mij dunkt het kan der Perm. Comm. niet onverschillig zijn om te weten welk het lot der stempels is. Ze zullen wel niet verloren zijn.

Door den heer Directeur der kolonien zoude ook misschien bij een der primitive kolonisten nog wel een exemplaar te bekomen zijn.
Al konde ik er slechts een ter afteekening naar Brussel verzenden.
Het is, gelijk ik vroeger de eer had UwEGeb. medetedeelen voor een groot werk, getiteld Medailles de Guillaume I en omvattende al de penningen onder 's Konings regering geslagen.

In Uwe missive van 14 dezer N21 geven UwEGeb. mij hun leedwezen te kennen van mij geen tweede stel der koloniale munten te doen toekomen, vermits UE daarvan "geen volledig stel meer voorhanden hebben".
Ik neem de vrijheid hierop te antwoorden dat het mij voor het kabinet der Hoogeschool ook aangenaam zoude zijn datgene nog te ontvangen wat gemist mogt kunnen worden, al is het stel bij lange na niet volledig.

EUREKA

De brief wordt in advies gehouden, dus Pieter Otto krijgt nog even geen antwoord. TOTDAT ....... ergens in de tweede helft van de maand augustus iemand op het kantoor van de permanente commissie een lade opentrekt die tot dan toe gesloten was gebleven en wat vindt men...?? De stempels. En blijkbaar, zie verderop, ook een zilveren medaille.

ACTIE-1

Het leidt tot heel veel activiteit op 31 augustus 1849 bij agendapunt N1, invnr 649. Aan Pieter Otto van der Chijs schrijft de permanente commissie:

DE PERMANENTE COMMISSIE DER MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID

Gelezen den brief van den Heer P.O. van der Chijs, Hoogleraar-Directeur van het Munt- en Penning Kaninet der Hooge School te Leijden, van den 15 dezer,

Besluit

1. dien te houden in advies,
2. daarop te antwoorden als volgt:

Ter voldoening aan het verzoek vervat in UwEd missive van den 15 dezer, hebben wij de eer UHG te kennen te geven, dat gedurende de jaren 1841 en 1842 de vroeger in gebruik geweest zijnde koloniale munt is ingetrokken, en de thans bestaande daar voor in de plaats is gekomen.

Vermits UHG er prijs op stelt om nog een stel der thans in omloop zijnde koloniale munt, al is dat ook op verre na niet volledig te ontvangen, voegen wij hiernevens, wat daarvan bij ons voorhanden is.

Wat betreft de medaille der Maatschappij, bij Uwe opvermelde missive bedoeld, het is ons mogen gelukken den stempel daarvan weder teregt gebragt te zien.

Wij stellen ons voor UHG deswege nader te onderhouden zoodra wij nopens de vervaardiging van eenige exemplaren der medaille de vereischte inlichtingen zullen bekomen hebben, tot welk einde wij ons tot den Heer Waardijn  van 's Rijksmunt hebben gewend.

ACTIE-2

En dat laatste doet de permanente commissie op diezelfde dag bij hetzelfde agendapunt, dus 31 augustus 1849 N1, invnr 649:

Aan den Heer Waardijn van 's Rijks munt, bewaarder van 's Rijks medaille stempels te Utrecht.

Het is ons mogen gelukken weder in het bezit te geraken van den stempel der medaille voor kolonisten met het opschrift "aan menschlievendheid en vlijt".

Wij hebben mitsdien UwEdG te verzoeken alsnu wel te willen opgeven, het bedrag der kosten, op welke de vervaardiging van een of meerdere exemplaren boven den prijs van het metaal zouden te staan komen, tot welk einde wij, overeenkomstig het slot Uwer missive van den 31 July ll N13, dien stempel hiernevens aan UwEdG doen toekomen.

De P.C.

ROEST

Het antwoord van de waardijn is op 10 september 1849. Die brief is opgeborgen bij 21 september 1849 N5, invnr 652, en luidt als volgt:

Ik heb de eer gehad op den 3 dezer te ontvangen de stempels van de medaille voor kolonisten, gevoegd geweest bij de missive van UwEdGestrenge van den 31 Augustus 1849 N1.
Reeds bij de eerste beschouwing van die stempels, kwam het mij voor dat zij, bij bij gebrek aan behoorlijke voorzorg, aanmerkelijk hebben geleden.
De graveurs der Munt, door mij uitgenodigd dezelve zooveel mogelijk te reinigen en van roest te zuiveren, hebben mij te kennen gegeven dat de voorzijde nog bruikbaar ismaar dat de tegenzijde, voerende de woorden 'tot belooning', zoodanig door roest is ingevreten, dat zij ten eenemale als onbruikbaar is te achten, terwijl het ook buitendien bezwaarlijk zou geweest zijn met deeze stempel zuivere medailles te slaan uit hoofde van het in deszelfs rand ontbrekende stuk.
De De bereiking van het verlangen der permanente Commissie hangt alzoo thans af van de vervaardiging eener nieuwe tegenzijde.
De graveurs der Munt zijn bereid die op zich te nemenvoor de som van honderd gulden (ƒ 100).
Het zou mij aangenaam wezen met UwEdGestr. welneemen dienaangaande te worden bekend gesteld.

Die brief wordt eerst 18 september 1849 N8, invnr 652, in advies gehouden. Gereageerd wordt er op 21 september 1849 N5, invnr 652. Besloten wordt te schrijven...

Aan den Heer Waardijn van de Rijksmunt, bewaarder van 's Rijks medaillestempels:

Vermits blijkens UwEd missive van den 10 dezer de stempels ter vervaardiging van de daarbij bedoelde medailles ten deele onbruikbaar zijn bevonden, hebben wij de eer UwEdG te kennen te geven, dat wij het voor de enkele weinige exemplaren die wij, gedeeltelijk nog ten behoeve van anderen, zouden verlangd hebben te doen vervaardigen, het niet de moeite waard en ook te kostbaar hebben geacht, tot dat einde eene eene vernieuwing van de onbruikbaar geworden stempel te doen bewerkstelligen, terwijl bovendien de omstandigheid dat wij, ten deele althans, zonder de vervaardiging van nieuwe exemplaren, aan het bij ons gedane verzoek zullen kunnen voldoen, zulks eenigzins overbodig maakt.

Wij betuigen UwEdG intusschen onze erkentelijkheid voor de in deze genomen moeite terwijl wij tenslotte UwEdG beleefdelijk verzoeken ons de bedoelde stempels wel weder te willen terugzenden.



Aan den Heer P.O. van der Chijs, Hoogleraar - Directeut van het Munt- en Penningkabinet der Hoogeschool te Leijden.

Vermits bij onderzoek aan 's Rijks Munt te Utrecht gebleken is, dat de bij ons teruggevonden stempels der medailles voor kolonisten, niet meer bruikbaar zijn tot de vervaardiging van nieuwe exemplaren, zijn wij niet in de gelegenheid om aan het door UHG bij herhaling gedane verzoek het verlangd gevolg te geven.

Intusschen is het ons aangenaam dat wij in de gelegenheid zijn gesteld geworden UHG een exemplaar der medaille in zilver, ter afteekening te kunnen verstrekken.

Dit exemplaar tot dat einde hiernevens voegende, verzoeken wij UHG ons hetzelve zoodra mogelijk weder terug te zenden, als kunnende het alleen onder voorwaarde van binnen zeer korten tijd weder terug ontvangen te worden, door ons tot voorschreven doel aan UHG worden afgestaan.

Het eerste deel van deze actie heeft tot gevolg dat de 'Bewaarder van s Rijks medaille stempels te Utrecht' (waarschijnlijk bedoelen ze gewoon de waardijn) op 24 september 1849 reageert, 'terugzendende de stempel voor de medaille der Maatschappij'. Die brief wordt opgeborgen op 27 september 1849 N11, invnr 652.

Pieter Otto van der Chijs reageert volgens de klappers op de post op 20 september 1849,

de ontvangst berigtende der medaille en verzoekende dezelve tegen een aftegeven declaratoir in het Munt en Penning kabinet der Hoogeschool in depôt te mogen plaatsen.

Dat wordt in advies gehouden op 26 september 1849 N11, invnr 652, en het wordt voor notificatie aangenomen op 10 oktober 1849 N16, invnr 653. Op 5 oktober 1849 is Van der Chijs er weer, invnr 653 bij 11 oktober 1849 N15:

Naar aanleiding van mijn schrijven van den 25 Septr l.l. geen antwoord bekomen hebbende, is de medaille der Maatschappij door mij op het kabinet der Hoogeschool in depôt overgebragt geworden en heb ik de eer UwEGestr bij deze daarvoor het toegezegde zegel of declaratoir te doen toekomen onder dankzegging voor de aan het kabinet betoonde goedwilligheid.

Bijgevoegd is een briefje met de volgende tekst:

De ondergeteekende, Directeur van het Munt- en Penningkabinet der Leidsche Hoogeschool, verklaart op gemeld kabinet in depot ontvangen te hebben van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid in 's Hage eenen zilveren afslag der medaille van die Maatschappij, hebbende op de voorzijde rondom een paar beeldjes het opschrift

aan menschlievendheid en vlijt

en op de KZ:

Tot belooning

verbindende zich om ten allen tijde en op de eerste aanvrage gemeld stuk aan bovengenoemde Perm. Comm. te zullen terugzenden.

Dit alles wordt voor notificatie aangenomen op 11 oktober 1849 N15, invnr 653.

Van der Chijs deponeert dus een zilveren medaille in het Munt en Penningkabinet van de Leidse Hogeschool. Die collectie gaat later over naar het Koninklijk Penningkabinet, weer later naar het Geldmuseum en berust nu bij de Nationale Numismatische Collectie bij de Nederlandse Bank. Dat NNC heeft twee zilveren medailles, zie onderaan deze pagina, en een van die twee is dus het hierboven genoemde exemplaar.