Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





De geldstromen van koloniale munt en gewoon geld (Rijksmunt, 'zilver') bij het EERSTE gesticht te Veenhuizen

Vanaf 1831 moeten de diverse kasboeken in de koloniën worden opgesplitst in koloniale munt en gewoon geld. Van die 'kassa en koloniale muntrekeningen' zijn een aantal bewaard gebleven, zie op deze pagina. Hieronder hoe de geldstromen lopen in het eerste gesticht te Veenhuizen

Van Veenhuizen-1 zijn de volgende kasboeken bewaard gebleven:

Veenhuizen-1, adjunctdirecteur 1 t/m 29 augustus 1833 invnr 139 scan 377
Veenhuizen-1, onderdir binnen 1 t/m 29 augustus 1833 invnr 139 scan 378
Veenhuizen-1, onderdir buiten
1 t/m 29 augustus 1833 invnr 139 scan 403



Veenhuizen-1, adjunctdirecteur december 1837 invnr 191 scan 92
Veenhuizen-1, onderdir binnen december 1837 invnr 191 de scans 88-91
Veenhuizen-1, onderdir buiten december 1837 invnr 191 de scans 84-86



Veenhuizen-1, adjunctdirecteur december 1838 invnr 204 scan 104
Veenhuizen-1, adjunctdirecteur 1 t/m 5 januari 1839 invnr 204 scan 158
Veenhuizen-1, onderdir binnen 1 t/m 5 januari 1839 invnr 204 scan 159



Veenhuizen-1, adjunctdirecteur februari 1841 invnr 240 scan 801
Veenhuizen-1, onderdir binnen februari 1841 invnr 240 scans 798-800
Veenhuizen-1, onderdir buiten februari 1841 invnr 241 scans 9-10



Veenhuizen-1, adjunctdirecteur  januari 1842 invnr 256 scan 822
Veenhuizen-1, onderdir binnen  januari 1842 invnr 256 scan 823
Veenhuizen-1, onderdir buiten  januari 1842 invnr 256 scan 824

Compleet zijn dus
1 t/m 29 augustus 1833
december 1837
februari 1841
 januari 1842

De drie leidinggevenden (adjunct-directeur, onderdirecteur-binnen en onderdirecteur-buiten) van dit gesticht zijn de ENIGEN die de koloniale munt in de eerste kolom doen, a-l-l-e andere doen daarin het gewone geld. Typisch Jannes Poelman, altijd dwarsliggen, altijd zijn eigen plan trekken. De onderdirecteur-buiten houdt daar na 1833 wel mee op, wat het alleen maar verwarrender maakt.

1833

In 1833 maken ze echt extracten. Er staat alleen 'in de loop van de maand ontvangen' en 'in de loop van de maand betaald' en verder helemaal niets. Deze hebben dus alleen nut om de onderlinge verhouding kassa en koloniale munt te betekenen, zie onder.

1837

In 1837 zijn ze uitgebreider.
De adjunct-directeur ontvangt Rijksmunt van de directeur der koloniën. Die Rijksmunt geeft hij aan zijn onderdirecteurs binnen & buiten.
De adjunct-directeur ontvangt wekelijks koloniale munt van zijn onderdirecteur-binnen en eenmalig van de adjunct-directeur van het tweede gesticht. Hij geeft de koloniale munt wekelijks aan de onderdirecteur-buiten en eenmalig aan de onderdirecteur-binnen en de adjunct-directeur van het tweede gesticht.

De onderdirecteur-binnen krijgt zijn koloniale munt vooral van de stortingen van wezen (over de 1200 gulden per week). Een beetje van de stortingen van arbeidersgezinnen (40 `55 gulden per week), wekelijks van de onderdirecteur-buiten voor omwisseling (36,20 per week), en een bedrag van 'geemployeerden, winkelhouder & de adjunct-directeur). Eenmalig staat de winkelhouder apart, met 218 gulden. Ik denk dat dat ook meestal zijn weekomzet is.

De onderdirecteur-binnen geeft zijn contante geld vooral uit aal leverancies (ene Stoffers levert bloedzuigers voor de geneeskundige dienst)

De onderdirecteur-buiten ontvangt cash en koloniale munt van de adjunct-directeur, een beetje van allebei van de hoevenaars die hun schuld aflossen en 331 gulden cash van ene De Wit voor aan hem verkochte 102 mudden boekweit. Verder verkoopt hij aan particulieren kalfsvellen, koehuiden en schapenvellen. Aan arbeiedersgezinnen verkoopt hij tegen koloniale munt 'afval van 6 koeijen en 36 schapen' en 2 kalveren.



De adjunct-directeur ontvangt van de directeur der koloniën Rijksmunt. Van de adjunct-directeur van het tweede gesticht en van zijn eigen onderdirecteur-binnen ontvangt hij koloniale munt.
Hij betaalt zijn beide onderdirecteurs Rijksmunt en de onderdirecteur-buiten bovendien koloniale munt.

De onderdirecteur binnen het gesticht ontvangt dus Rijksmunt van de adjunct-directeur. Koloniale munt komt van stortingen van wezen en van arbeidershuisgezinnen en van 'diverse'. Dat laatste MOET wel de winkelhouder zijn?
Hij draagt dus koloniale munt af aan de adjunct-directeur. Verder betaalt hij ermee de stortingen (hij bedoelt verdiensten!) van wezen, van arbeidersgezinnen, plus een klein deel van het salaris van de employés.
In gewoon geld betaalt hij scheepsvracht, leveranties en salarissen.

De onderdirecteur buiten het gesticht ontvangt dus contant geld en koloniale munt van de adjunct-directeur. Hij geeft koloniale munt uit voor verrichte arbeid door wezen, arbeiders, bedelaars van het tweede gesticht, veteranen, hoevenaars, een (miniem) gedeelte van het salaris van de employés. In gewoon geld betaalt hij de salarissen van employés, schaapherder en veearts.


VERHOUDING GELDSOORTEN: VEENHUIZEN-1

In 1833 ziet het er als volgt uit, afgerond op hele guldens, met in de laatste kolom het percentage dat de koloniale munt uitmaakt van het totale verkeer:

Kassa
Kol.munt
Samen
% kol.munt
adjunct-directeur 4225
2555
6780
38 %
onderdir-binnen 2935
6373
9308
68 %
onderdir-buiten 1089
2305
3394
68 %
samen:
8249
11233
19482
58 %

In 1837 ziet het er zo uit:

Kassa
Kol.munt
Samen
% kol.munt
adjunct-directeur 4431
1748
6179
28 %
onderdir-binnen 3474
8484
11958
71 %
onderdir-buiten 2052 1671 3753
45 %
samen:
9957
11903
21890
54 %

In 1841 ziet het er zo uit:

Kassa
Kol.munt
Samen
% kol.munt
adjunct-directeur 2400
1699
4099
41 %
onderdir-binnen 1024
5499
6523
84 %
onderdir-buiten 951
1076
2027
53 %
samen:
4375
8274
12649
65 %

En in 1842 ziet het er zo uit:

Kassa
Kol.munt
Samen
% kol.munt
adjunct-directeur 1000
1077
2077
52 %
onderdir-binnen 717
1905
2622
73 %
onderdir-buiten 567
1080
1647
66 %
samen:
2284
4062
6346
64 %


Zetten we de bovenstaande percentages die de koloniale munt uitmaakt van het totale geldverkeer op een rijtje, dan zien we:

1833
1837
1841
1842
adjunct-directeur 38 %
28 %
41 %
52 %
onderdir-binnen 68 %
71 %
84 %
73 %
onderdir-buiten 68 %
45 %
53 %
66 %
De drie bij elkaar
58 %
54 %
65 %
64 %