Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Bij de medailles voor vrije kolonisten behoren jaarlijkse toelagen, maar dat loopt niet altijd soepeltjes

Johannes van den Bosch gelooft erg in het systeem van straf en beloning. Niet alleen is hij de drijfveer achter het laten maken van medailles, zie op deze pagina, maar hij komt ook met het voorstel aan die medailles geldelijke beloningen te verbinden. De uitvoering daarvan door de jaren heen brengt echter regelmatig lastige vragen mee.  

Op 1 juni 1821 schrijft Johannes van den Bosch, die dan sinds enkele maanden in Huis Westerbeek te Frederiksoord woont, aan de permanente commissie, invnr 57 scan 476:

Frederiksoord den 1 juny 1821

WelEdele Heeren!
De noodzakelijkheid door de Permanente Kommissie erkent zijnde voor zo wel te belo­nen als te bestraffen, stel ik voor nevens­gaand concept besluit wegens het uitdeelen der medailles en blijf met hoogachting

UWelEd DWDienaar

J. van den Bosch

Concept besluit

De Permanente Kommissie overwegende de noodzakelijkheid om zodanige kolonisten die door hun gedrag daar op aanspraak gekre­gen hebben, de voor hun bestemde medaille uit te doen deelen, heeft besloten gelijk de­zelve besluit bij deze,
De Heer fungerend Direkteur zal aan de Permanente Kommis­sie met overleg van de 2e assessor voordragen zoodanige kolonisten die aanspraak op het verkrijgen der medailles verkregen hebben met aanwijzing der gron­den voor ieder in het bijzonder.
Het uitdeelen der gouden medaille zal vergezeld gaan van een geschenk van ƒ11-, die der zilveren van een van ƒ5- en die der kope­ren van ƒ2.10-, welk geschenk jarelijks van wegen de Maatschappij op de 1 januarij zal worden herhaald, zoo lang iemand de hem overlegde medaille behoud. Zullende ove­rigens aan het verkrijgen der medaille verbonden zijn de voordeelen bij het regle­ment bepaald.
Iemand die zoo een medaille verkregen en naderhand nog een hogere wordt toege­kend erlangd de voordeelen aan bijde ver­bonden.
De uitdeeling der medailles zal vergezeld gaan van een diplo­ma met het wapen der Maatschappij voorzien en door de drie leden der Kommissie getekend van de volgende inhoud.

De Permanente Kommissie van Weldadigheid zullende belonen het * van (naam), kolonist in de kolonie (   ), verleent hem bij deze de (naam van de medaille) medaille, met alle de voorrechten daar aan verbon­den.

Aldus gedaan te S Hage de ...
.........
Naam der leden van de Per­manente Kom­missie

J. van den Bosch

* ex. 3 plaat open laten om in te vullen het goed gedrag, en nijverheid of spaarzaam­heid.

Er staat echt 11 gulden, maar dat wordt uiteindelijk 10 gulden. Met ƒ2.10-, bedoelt hij twee gulden en tien stuivers, dus ƒ2.50. Ik neem aan dat de permanente commissie conform besluit.

UITBETALING 1822

Na de eerste medaille-uitreiking in 1821 gaat het eerst goed. Het maandblad de Star schrijft in het nummer van januari 1822:

Volgens het algemeen besluit der Permanente Kommissie, is op den 1 januarij ll. door den Heer Direkteur uitreiking gedaan der jaarlijksche premiën, aan die kolonisten toegelegd, welke in 1821 gouden, zilveren, of koperen medailles verkregen hebben.

VEEL LATER, DECEMBER 1827

Daarna wordt er heel lang niets van uitgekeerde beloningen vernomen. Op 24 december 1827, invnr 88 scans 673-675, schrijft de directeur:

Op den 18e dezer wierd door ons uitbetaald de agterstallig verschuldigden gratificatie aan de kolonisten met medailles vereerd, en hier onder ook den kolonist Nicolaas Scheffers, kol N3;
dan in plaats zoo als men met zeekerheid zou verwagten, van deeze gelden (F 10.-) een nuttig gebruik te maken, wierd hij des avonds, zodanig beschonken bevonden, dat men verpligt was hem naar zijnen woning te geleiden, en dit alleszins onbetaamlijk gedrag niet onbestraft kunnende blijven, neem ik de vrijheid der Permanente Kommissie voortestellen aan genoemde Scheffers de medaille en de daaraan verbonden voordeelen voor het vervolg te onrnemen.

Deze brief wordt op 27 december 1827 N25 besproken door de permanente commissie, invnr 40, en ze besluit 'de ontneming der medaille aan Scheffers voor een onbepaalden tijd goedkeuren'. Scheffers zal de medaille na een tijdje weer terug krijgen.

Enkele dagen later voegt de directeur daar aan toe volgens de samenvatting van een verder niet helemaal bewaard gebleven brief, 31 december 1827,  invnr 88 scans 790-791:

Berigt van den kolonist Janssen zijn medaille gelden provisioneel in voldoening zijner schuld zijn ingehouden. Verzoekt van de intentie der P.K. deswege te worden geinformeerd.

Dit wordt besproken door de permanente commissie op 7 februari 1828 N4, invnr 40, waarbij dit besluit van de directeur wordt 'Goedgekeurd'.

WEER VEEL LATER, 1831

De directeur schrijft op 19 september 1831 N1646, invnr 117 scan 179:

Volgens afspraak met uw UwEdG geacht medelid, den WelEdelGestr. Heer Faber van Riemsdijk, heb ik de eer UwEdG hier nevens in te zenden eene lijst van de bezitters van medailles, onder de kolonisten, zoo die bij mijn bureau bekend staan, met aanteekening daarop van het tijdstip, tot welken de daaraan verbondene toelage zou zijn betaald geworden.

Hieromtrent echter niets volkomen zeker zijnde en genoemd medelid mij gezegd hebbende dat de toelage over een rond jaar loopt, zoo neem ik de vrijheid UwEdG nader te verzoeken mij te willen opgeven:

1e Van welk jaar af de toelage van ieder persoon verschuldigd is, of beschouwd moet worden verschuldigd te wezen.

2e Of ik, dien overeenkomstig en naar gelang er over penningen zal kunnen worden beschikt, de toelagen voor een of meer jaren kan uitreiken.

3e Of dezelve beter alleen bij de Algemeene Directie betaald en geboekt zullen worden, dan of zulks, zoo als vroeger plaats gehad heeft, ook bij iedere kolonie geschieden kan, komende het eerste mij meer geschikt voor, als wanneer er slechts op een grootboek het respekt toelage voor medailles behoeft opengesteld te worden, en het overzigt hiervan gemakkelijker zijn zal, zijnde het geen moeite om de gelden daartoe overtezenden naar de gestichten, alwaar de kolonisten zich bevinden.

Ik zal de uitbetaling hier doende geschieden, zoo wel de medailles als de getuigschriften of acten, daarbij ter bezigtiging afvorderen..

ADVIES VERIFICATEUR

Deze brief staat geagendeerd 1 oktober 1831 N1, invnr 393. Dan besluit de permanente commissie om de brief en de door de directeur gemaakte lijst in handen te stellen van de Verificateur, zie invnr 117 scan 177.

De Verificateur schrijft een notitie, invnr 117 scan 178:

1e De betaling der toelagen is geschied tot de tijdstippen op de staat aangewezen.
2e Deze betaling kan het meest voegzaam bij de Algemeene Directie geschieden.

's Hage 5 October 1831
De Verificateur
Krieger

DE LIJST GAAT HEEN EN WEER

Die notitie bespreekt de permanente commissie op 19 oktober 1831 N42, ook invnr 393. Daarop schrijft de permanente commissie aan de directeur:

In antwoord op UwEd brief van den 19 Sept ll N1646 hebben wij de eer UwEd te kennen te geven dat de toelangen aan de bezitters van medailles inderdaad uitbetaald zijn tot de tijdstippen, vermeld op de daar bij gevoegde en hierbij teruggaande lijst, weshalve wij UwEd magtigen om de sedert dien tijd deswege verschuldigde betaling te doen plaats hebben, terwijl wij ten aanzien van het boeken dier betalingen de eer hebben UwEd te doen kennen dat wij gaarne zouden zien, dat zulks even als voorheen bij elke kolonie plaats had, ofschoon wij UwEd vrijlaten die boeking alleen bij de algemeene Directie te doen geschieden.

De door de directeur gemaakte lijst is dus weer naar hem teruggegaan. Maar dat geeft niet, want de lijst waar hij in 1835 mee komt, zal van de hier bedoelde lijst zijn overgeschreven.

QUESTIEUSE PUNTEN

De directeur reageert daarop op 30 december 1831 in een brief met nummer N2320, invnr 120 scan 392

Geen behoorlijke lijst van al de medaillehouders in mijn archief vindende, had ik de eer UwEdG, bij mijner missive van den 19 Sept. jl N1646 een zoodanig opgemaakte, ter goedkeuring in te zenden, welke mij bij UwEdG missive van den 19 Oct jl N42 weder gezonden is, om daarop de uitbetaling der toelage te doen.
.
Bij de volbrenging hiervan zijn mij de volgende questieuse punten voorgekomen:

1. Komt de wed. Smit daarop voor, voor twee koperen medailles, de eene door haren laatsten en de andere door haren vorigen man, men naam Weender verworven. Ofschoon de toelagen voor die beiden haar tot hiertoe uitgereikt is, heb ik gemeend, dat zulks niet behoorde te wezen, maar haar slechts voor ééne de toelage uitgereikt.

2. Komt de hoevenaar Gerrits, van het 1e Gesticht te Veenhuijzen, daarop voor, als bezitter der zilveren, terwijl hij slechts de koperen heeft.

3. Komt daarop niet voor de hoevenaar Verboom, die den 31 Augustus 1824 den zilveren medaille ontvangen heeft, den 14 february 1828 te Ommerschans ontslagen is, den 24 April 1830 in kolonie N2 weder is aangenomen en den 5 January 1831 andermaal als hoevenaar te Ommerschans is overgeplaatst, en zich dáár in alle opzigten uitstekend goed gedraagt. Zijne afwezigheid, toen de lijst wordt opgemaakt, is de oorzaak geweest, dat hij daarvan is afgebleven.
Dien kolonist nu, zegt nog ƒ 7.50 voor de toelage over 1½ jaar, tot 14 february 1828, te goed te hebben, wanneer hem die slechts tot augustus 1826 zoude betaald zijn, terwijl het overigens door UwEdG dient bepaald te worden, dat de medaille door zijn ontslag niet vervallen is, waartoe ik meen UwEdG te moeten advyseren:
1. Omdat Verboom op zijn verzoek ontslagen is en
2. Deze getrouwe hoevenaar, des noodig, eene gunstige uitzondering op deze regel in de ruimte zou verdienen.

Ik heb de eer UwEdG welnemen omtrent een en ander te vragen.

Tussen het tweede en derde punt, en vermoedelijk betrekking hebbende op het tweede punt, heeft iemand van de permanente commissie met potlood bijgeschreven: '7 April 1828 betaald 2 jaar toelage voor de koperen medaille'.

Het hele brievenboek 1828 is echter doorzocht en daar is geen mededeling van de directeur over de betaling van medaillegelden gevonden.

SMIT, GERRITS EN VERBOOM

De permanente commissie houdt de brief van de directeur op 9 januari 1832 N35, invnr 396, in advies en reageert er op op 17 januari 1832 N1 ook invnr 396:

In antwoord op UwEd brief van den 30 Dec ll N2320, betrekkelijk de gedane uitbetaling der medaillegelden, hebben wij de eer UwEd te kennen te geven

1e dat de weduwe Smit haar aanspraak op de toelage voor de medaille van haren eersten man door haar tweede huwelijk moet geacht worden te hebben verloren

2e dat blijkens de bij ons voorhanden stukken aan den hoevenaar Gerrits van het 1e Gesticht te Veenhuizen op den 7 April 1828 is uitbetaald de aan de koperen medaille verbonden toelage, zoodat hij ten onregte als bezitter der zilveren is aangemerkt geworden.

3e dat de hoevenaar Verboom moet geacht worden zijne aanspraak op de toelage voor de hem vóór zijn ontslag toegekende nedaille, door dat ontslag te hebben verloren.
Dit als beginsel aannemende, kan daarvan niet worden afgeweken, verhinderende zulks nogthans niet dat de, aan de hem verleende medaille verbondene toelage hem bij uitzondering op de regel opnieuw worde verleend, waartoe wij, naar aanleiding Uwer consideratie, allezins genegen zijn en UwEd dan ook autoriseren, terwijl wij UwEd nog mededeelen dat hem op de 28 Maart 1828 zijne medaille-toelage tot 1e July 1826 is uitbetaald.

Vooral dat besluit over Verboom is typisch. Geen aanspraak, van welke regel niet kan worden afgeweken, waarna er van wordt afgeweken.

DE KWESTIE STEUNENBERG

Op 10 oktober 1832 schrijft de directeur een brief met nummer N1959, invnr 130 scan 133

Hilletje Kok, weduwe van de onlangs overleden kolonist Hendrik Steunenberg, van kolonie N2, zich reeds bij het leven haars mans niet wel gedragen hebbende, gelijk UwEdG zich herinneren zullen en uit het proces-verbaal van verwijzing naar de Ommerschans van den gewezen wijkmeester van Dijk kennelijk is, is ook nu bevonden ongeschikt te wezen om met haar stiefkinderen in één huisgezin te worden gelaten, waarom hetzelve is ontbonden en al de leden bij andere huisgezinnen ingedeeld.

Ik heb de eer met opzending der zilveren medaille van Steunenberg, UwEdG voortestellen deszelfs weduwe op voornoemden grond van de aan dat blijk van onderscheiding toegekende toelage vervallen te verklaren, terwijl ik meen, dat de kinderen uit den aard der zaak de medaille niet kunnen erven, althans niet de toelage.

BESLUIT

Daarop neemt de permanente commissie op 31 oktober 1832 N23, invnr 405, het navolgende besluit. Het besluit staat ook in het overzicht van belangrijke besluiten in 1832, invnr 970, waar het te boek staat als: 'De medailles personele blijken van onderscheiding verklaard.'

De Permanente Commissie etc

Gelezen hebbende eene missive van den Directeur der kolonien van den 10e dezer N1959, daarbij onder inzending der zilveren medaille van den overleden kolonist H. Steunenberg de aandacht der Permanente Commissie vestigende op de uitkeering der toelage aan de erfgenamen des overledenen,

Besluit

aan den Directeur voorn: te kennen te geven, dat, aangezien de medailles personele blijken van onderscheiding zijn, de toelagen deswege ook komen te vervallen met den dood dergenen die dezelve hebben verworven en dat dien ten gevolge aan de erfgenamen van Steunenberg ter voorschreven zake geen verdere uitkeering kan plaats hebben dan tot den dag van het overlijden van dezen.

HERZIEN BESLUIT

Daarna schrijft de directeur weer, 6 november 1832 N2126, welke brief tussen de ingekomen post helaas niet terug te vinden is. We hebben alleen de samenvatting van de brief zoals die is opgenomen in de agenda van 14 november 1832 N27, invnr 406:

Missive Directeur 6 Nov 2126
aanmerkingen in het midden brengende tegen het besluit van 31 Oct jl N21 betrekkelijk het intrekken van de toelagen wegens medaillegelden aan weduwen & kinderen

Daarop herziet de permanente commissie op 14 november 1832 N27 haar besluit, invnr 406. Het staat bij het overzicht van belangrijke besluiten in 1832, invnr 970, omschreven als: 'Bepaling op de toekenning der toelagen voor medailles aan weduwen van kolonisten'

De Permanente Commissie,

Gelezen eenen brief van den Directeur der koloniën van den 6 dezer N2126, betrekkelijk de aanspraak der weduwen op het voortdurend genot der toelagen verbonden aan de medailles welke hare mannen hadden verkregen.

Herzien haar besluit van den 31 October ll N23,

Besluit

1e Te verklaren dat het beginsel bij opgemeld besluit ontwikkeld van geen toepassing is op zoodanige weduwen welke op dit oogenblik reeds in het genot zijn der toelagen aan de aan hare mannen verkregen medailles verbonden.

2e Vast te stellen dat bij het overlijden van eenen kolonist welke in het bezit is van eene medaille bij uitzondering van den regel in overweging zal kunnen worden genomen of zijne nagelatene weduwe al dan niet de daaraan verbondene toelage zal blijven genieten, waarbij voornamenlijk in aanmerking zal komen in hoe verre de vrouw door hare huishoudelijkheid kan geacht worden het hare te hebben bijgebragt tot de door den man verworvene onderscheiding.

DAN WEER 1835

Dan zijn we weer een paar jaar verder, om precies te zijn 4 maart 1835 invnr 157 de scans 62-68. De directeur schrijft:

Bij UwEdGeb resolutie van den 31 Oktober 1832 N21, is bepaald dat de toelagen aan de medailles verknocht, komen te vervallen met den dood dergenen, die dezelve hebben verworven.
Bij die van 14 November daarna N27 is daarop eene uitzondering gemaakt voor de weduwen, die toen reeds in het genot der toelagen waren.
Ik heb de eer UwEdG hiernevens aan te bieden een register van de uitgereikte medailles, voor zoo ver ik hetzelve uit betaallijsten der toelagen heb kunnen doen opmaken.
Volgens dat register waren tijdens het besluit van November 1832 N27, werkelijk in het genot der toelagen de volgende weduwen:

van J. Aukes
van G.S. Brandsma
van J.D. Hofien
van R. Hoogenberk
van H. Krabshuis
en van A. van der Weerd

Doch ook de volgende weduwen:
van C. Frankot
van J. Langenberg
van L.A. Maatje
en van W. Winkelhuis
zijn toen door mij, verkeerdelijk, als in het genot der toelage beschouwd geworden, hetgeen veroorzaakt is doordien ook van deze de toelagen over één of meer jaren na het overlijden hunner mannen, betaald was, zijnde het eerst naderhand, opgemerkt, dat die betalingen hebben geloopen over achterstallige jaargangen, waarin hunne mannen nog in leven waren.

Van de weduwe Frankot echter, heb ik de uitbetaling reeds met Augustus 1831 doen ophouden, om eene andere reden, namelijk, dat zij was hertrouwd, zoodat haar, slechts, 1½ jaar te veel is betaald geworden, doch de weduwe Langenberg, heeft nu 3 jaren, - de weduwe Maatje 3½ jaar en de weduwe Winkelhuis 2½ jaar te veel bekomen, uitgaande van den nu aangenomen regel dat de toelage vervalt met het half jaar, waarin de medaillehouder is overleden.

Aan de overige weduwen, als van

T. Baas

J. Ebert

J. Götz
Aan deze is nog het volledige jaar uitbetaald
A. Hoek
Aan deze is nog het volledige jaar uitbetaald
B. Harmeling

H. Jacobs

A.J. Mooi

A. van Osta

C.A. Smit

B. Vogelenzang

G. Wibier

en H.H. Zeilemaker


die naderhand hertrouwd is, is reeds, of zal nader, de toelage, volgens voornoemd besluit, worden onthouden, gelijk ik ook in mijne dwaling met de weduwen Langenberg, Maatje en Winkelhuis niet verder zal voortgaan.

Doch het is niet te ontkennen, dat het besluit van 14 November 1832 N27 of eene hardheid bevat voor de later gewordene weduwen, in vergelijking met de 6 eerstgenoemde, aan wie het genot der toelage is gelaten, of dat deze, in vergelijking tot de andere, buitengewoon worden begunstigd.

Hoe het ook zij, deze onderscheiding, verwekt, niet onnatuurlijk, wangunst en onaangenaamheden en ik geloof, dat men daarom beter zal doen, om al de weduwen, zonder onderscheid, van nu voortaan buiten het genot der aan wijlen hunne mannen toegekende medailles te stellen, dewijl UwEdG op mijnen brief van 6 November 1832 N2126, niet hebben kunnen goedvinden, om alle weduwen in dat genot te laten.

Ten aanzien van T. Verboom moet ik UwEdG nog vragen, of de toelage zijner medaille niet geheel vervallen is bij zijn ontslag den 14 February 1828, als waarop hij aanmerkt, dat een van UwEdG leden, in de kolonie zijnde, hem zou hebben te kennen gegeven, dat hij, met zijne herplaatsing, den 24 April 1830, ook weêr in het genot der toelage van zijne medaille zou zijn gesteld, hetgeen ik, echter, bezwaarlijk gelooven kan.
Mogt dit echter zoo zijn, dan zou zijne aanspraak toch niet verder kunnen gaan dan tot October 1833 toen hij, om gepleegde ontvreemding, uit zijne betrekking van hoevenaar gesteld is.

Ik heb gemeend het bijgevoegde register aan UwEdG te moeten zenden, ook om daarvan bij de verificatie van de verantwoordingen te doen gebruik maken. .

In de kantlijn bij deze brief heeft een lid van de permanente commissie gekrabbeld dat het oude besluit alleen hard zou zijn als het retroactief was geweest.

OVERZICHT MEDAILLE-UITKERINGEN

De directeur voegt bij zijn brief een register van medailledragers, de scans 63-66. Degenen onder hen die nog in de vrije koloniën wonen, heeft hij bonussen uitgekeerd tot 'ultimo augustus 1833', degenen die een boerderij bij de Ommerschans of Veenhuizen bewonen tot eind december 1833.

J. Aukes

H. Bultman


G.S. Brandsma


J. Baade


weduwe van den Bosch
koper
1824
J.H. Bodenstaff


E. Bakema


B. van Belkum


C. Bollen


T. Baas


J. Burks


S.A. Cohen


C. van Cleeff

P. Dijkshoorn

J. Ebert




REST NOG NIET OPGENOMEN





































































































NIKS GEEN HARDHEID

De permanente commissie besluit 17 maart 1835 N24, invnr 434, het navolgende aan de directeur te schrijven, welke brief in het 'Register van besluiten van het bestuur betreffende de administratie van de comptabiliteit, 1829-1859', invnr 1129, wordt samengevat als 'Bepalingen nopens de uitbetaling van toelagen voor medailles':

In antwoord Op UwEd brief van den 4 dezer N400 hebben wij de eer UwEd te kennen te geven dat de kolonist Verboom wel zonder eenige twijfel moet geacht worden bij zijn ontslag in 1828 alle aanspraak op de toelage wegens zijne medaille verloren te hebben, kunnende geen onzer medeleden zich dan ook herinneren hem bij zijne herplaatsing in 1830 op nieuw het genot dier toelage te hebben toegekend.

Wat den overigen inhoud van UwEd brief aangaat, kunnen wij niet wel met UwEd instemmen, dat ons besluit van 14 Nov 1832 N27 eene hardheid zou bevatten, terwijl wij integendeel van gevoelen zijn, dat het eenigzins hard zou wezen aan het bij ons besluit van den 31 Oct N21 aangenomen beginsel eene terugwerkende kracht te geven.
Wij hebben uit dien hoofde gemeend in de bepalingen van de beide genoemde besluiten geene verandering te moeten maken, verzoekende wij UwEd overigens om met de uitbetaling van medaillegelden aan weduwen welke daarop gebleken zijn geen aanspraak te hebben, dadelijk te doen ophouden, voorzoover dat nog niet mogt hebben plaats gehad.

De lijst met de medailles en een kopietje van de brief geeft de permanente commissie aan de Verificateur, ter informatie en emplooi.