Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





De Maatschappij van Weldadigheid is niet makkelijk voor haar employés. Elke financiële fout die ze maken moeten ze uit eigen zak terugbetalen. En vaak komt het kantoor in Den Haag terug op zaken die zo lang geleden gebeurd zijn dat de betrokken ambtenaar zich echt niet meer kan herinneren hoe het toen zat.

Het ergste voorbeeld dat ik daarvan gezien heb is dat de permanente commissie op 22 september 1831 N7a, invnr 392, aan Sikke Berends Drijber schrijft om terugbetaling van f 13,70 wegens in den winter van 1819 & 1820 aan kolonisten te Frederiksoord gedane voorschotten.

Hieronder een aantal gevallen waarbij de koloniale munt in zulke kwesties meespeelt.

De gruwelijke ervaringen van employés met koloniale munt. Deel 1: Georg W. F. von Hoff, adjunct-directeur van de Ommerschans 1822-1823

Op het moment dat er nog geen bewoners zijn is Wouter Visser een tijdje adjunct-directeur van de Ommerschans, maar dat telt eigenlijk niet mee. Dus als eerste adjunct-directeur van de schans noteren we van 16 mei 1822 tot december 1823 Georg Wilhelm Friedrich von Hoff. Zie voor meer over hem op de site van De bedelaarskolonie. 

Nadat hij in december 1823 vrij onverwacht de koloniën heeft verlaten en is teruggekeerd naar zijn baan bij het koloniaal depot in Harderwijk, begint er een jarenlange correspondentie tussen hem en de permanente commissie. Laatstgenoemde meent nog geld van Von Hoff tegoed te hebben en Von Hoff meent nog geld van de Maatschappij tegoed te hebben.

BLIKGELD

Het gaat over verschillende dingen, van voorgeschoten transportkosten via afgegraven turf tot tekorten in het magazijn, maar voor deze pagina's is alleen van belang het conflict over het koloniale geld en vooral de blikken lootjes (zie daarover deze pagina). Die komen voor het eerst ter sprake als Von Hoff ergens in februari/maart 1824 een rekening bij de directeur indient.

Die rekening hebben we nog niet gevonden, evenmin als de kopie van die rekening die Von Hoff aan Johannes van den Bosch stuurt. Wel de bespreking van die kopie door de permanente commissie op 11 maart 1824 N19, invnr 39, waarbij ze besluiten het gedeelte over de lootjes zelf uit te zoeken:

Art. 19. Besloten aan den Heer Direkteur te schrijven, dat de Heer Von Hoff, bij eene partikuliere missive aan den Hr 2e Assessor, hebbende ingezonden kopie van de rekening door hem aan den Direkteur toegezonden, mitsgaders van het tableau li e daarbij gevoegd, en van de daartoe behoorende memorie, -

de P.K. (die over de overige punten niet kan oordeelen, maar daaromtrent de bevinding van den Direkteur moet afwachten), gebruikmakende van de gelegenheid om het voorname punt uit de hier voorhanden zijnde stukken te verifieren, en ten einde de werkzaamheden omtrent die rekening in de kolonien zoo veel mogelijk te verminderen, heeft doen onderzoeken wat er is van de opgave van het zoo aanmerkelijke verschil tusschen de binnen de Schans ingeleverde en gevalideerde, en buiten de schans in uitgaaf gebragte blikjes;
dat zij het resultaat van dien arbeid hiernevens aan den Direkteur doet toekomen,

- dat het uit de vergelijking van de stukken N1, 2 & 3 blijkt dat het verschil tot en met October ll ƒ 1700.-- minder bedraagt dan de Heer Von Hoff opgeeft;

- dat het vanzelf spreekt dat de schade door zoodanig verschil veroorzaakt, als een gevolg van het verwaarloozen van de uitdrukkelijke bepalingen van het Reglement voor de komptabiliteit van het Gesticht, nimmer in rekening kan geleden worden aan hem, die als met het bestier van dat Gesticht belast, het voorbeeld van de nakoming van dit Reglement moet geven;

- dat het intusschen ook voor 't vervolg eene allergewigtigste noodzaak is, dat er werkelijk een verschil bestaat van ƒ 1379.09½, welk verschil noodwendig het gevolg van misbruik of malversatie moet zijn;

- dat uit de staat N2 aan den Direkteur zal blijken dat in de maand Mei 1823 voor het eerst heeft plaats gevonden die onbehoorlijke stand van zaken, welke zonder misbruik of malversatie nimmer konde bestaan; -

- dat het voorts opmerkelijk is, dat, indien de Heer Harlof in zijne betrekking van onderDirekteur de bepaling van art. 20 van het Reglement had nagekomen, dit geval nimmer had kunnen bestaan;

- dat de PK derhalve den Heer Direkteur verzoekt

1e de berekening met de maand November te kompleteren, een en ander te gebruiken bij het onderzoek van de geheele rekening van den Hr Von Hoff, en tevens met de resultaten daarvan aan de Perm. Komm. terugtezenden.

2e Met voorzigtigheid en tevens naauwkeurigheid te onderzoeken waar, en bij wien het misbruik of de malversatie gelegen is. en

3e om den Adjunct-Direkteur en onderDirekteurs te gelasten, ook in dit opzigt volstrekt niet van de Reglementen aftewijken.

Hiermee staan de blikken lootjes nadrukkelijk op de agenda. Verwezen wordt naar artikel 20 van het reglement voor de comptabiliteit, zie hier, dat voorschrijft dat door de onderdirecteur-binnen wekelijks moet worden gecheckt of er evenveel lootjes binnenkomen als er uitgegaan zijn.

ONNAUWKEURIGHEID WEEKSTATEN

De genoemde brief aan de directeur wordt op 13 maart 1824 geschreven en verstuurd (maar hebben we nog niet gevonden). De directeur reageert daar op met een brief met nummer N104A waarin hij ook andere zaken behandelt op 20 maart 1824, invnr 68 scan 656 en verder. Het gedeelte over lootjes luidt:

Op die van den 13 dezer no. 37/3 voor eerst met betrekking tot de verkeerde stand van zaken in de administratie des Heeren von Hoff, dat naar al het geen wat ik heb kunnen vernemen de meerdere ontvangsten van blikjes binnen de Schans alleen is toe te schrijven aan de onnauwkeurigheid waarmede de weekstaten van verrigte arbeid door de wijkmeesters of opzieners over den arbeid zijn opgemaakt of ingevuld en dat daar op niet voorkomen al de werkzaamheden welke zijn verrigt of waar voor de blikjes wierden afgegeven.

Dat men dit niet vroeger ontdekte is niet aan den onderDirekteur Harloff maan aan den gewezen Adj. Direkteur von Hoff te weiten, daar deze zich zelve met het opmaken der recapitulatien op de weekstaten van ingekomen loodjes heeft belast; als mede met het uitbetalen en doen boeken van alle andere uitgaven, waar door de beide onderDirek­teurs zo wel als die van de fabriekmatige arbeid geheel met de stand van hunne zaken onwetend bleeven.

In der tijd heeft de gewezene Adj. Direkteur von Hoff mij wel eens gezegd, dat de staten van verrigte arbeid en ingenomen loodjes, niet altijd met elkan­der overeenkwamen, door dien de kolonisten wanneer zij meer dan de volle voeding hadden verdient loodjes terug hielden, om zich daar van bij een ongunstige week of saisoen te bedienen en sprak over de moeijelijkheid deze voor te komen.

Ik gevoelde dit zelf doch ik meende hier in minder zwarigheid te vinden, wijl er wel minder maar niet meer loodjes konden inkomen dan vrijgegeven waren, het geen ook altijd waar moest zijn.

Dan dit belette niet de beide staten weekelijksch te vergelijken en bij de eerste ontdekking dat meer loodjes waren ingekomen dan de verdiensten op de weekstaten van arbeid bedroegen, hadt men de oorzaak nagespoord, en zeker ontdekt, hetgeen blijkbaar niet is geschied.

Dadelijk bij  de aanvaarding door de Heer Harloff van zijne tegen­woordige betrekking, zo ook te Veenhuizen, heb ik reeds de striktste attentie op dat gedeelte der directie bevolen, en onder andere bepaalt van op het einde van ieder maand, alle de loodjes te rekwireren op verbeurten van dezelver waarde, en daar na andere loodjes, welke van de eerste verschillen, uittegeven, waar door ik mij vlije dat dit kwaad zal worden voorgekomen.

Interessant is dat hij de nieuwe adjunct-directeur heeft opgedragen iedere maand de blikjes in te nemen en te vervangen door andere. Verderop zal blijken hoe adjunct-directeur Harloff dat heeft opgelost.

Directeur Visser belooft er op terug te komen bij het inzenden van de verantwoording over de maand november 1823. Die verantwoording stuurt hij op 31 maart 1824, maar hebben we nog niet teruggevonden.

VERANTWOORDELIJKHEID ADJUNCT-DIRECTEUR

De bovenstaande brief wordt door de permanente commissie besproken op 23 maart 1824 N29, invnr 39. Het hier afgedrukte gedeelte vatten zij samen als 'Directeur rapporteert voorloopig wegens het verschil van de lootjes in de rekening van von Hoff'. Bij de bespreking gaan ze alleen in op het feit dat Von Hoff als adjunct-directeur verantwoordelijk was voor het al dan niet controleren door de onderdirecteur:

Te antwoorden dat de P.K. het finaal verslag van de rekening van de Hr Vonhoff zal afwagten; dat zij echter moet aanmerken, dat behoudens alle ondergeschiktheid, de onderdirecteurs echter niet behooren te verzuimen hetgeen hun bij de reglementen is voorgeschreven, al was het ook dat de Adjunkt-Direkteur voor wien zij werkzaam zijn, zelf verlangde te verrigten hetgeen aan hen is opgedragen, want dat daardoor het evenwigt en de kontrôle in de administratie maar al te dikwijls zouden verloren gaan, doch dat, indien zij door zoodanige omstandigheden in de onmogelijkheid zouden geraken, om het hun opgedragene te volvoeren, zij, zullen zij van de verantwoordelijkheid ontheven zijn, de eerste gelegenheid moeten waarnemen om hiervan kennis te geven aan de Direkteur die dan desnoods, de bepaling der P.K. kan inroepen.

Dit schrijven ze op 24 maart 1824 aan de directeur. Die brief hebben we nog niet, maar lijkt ook niet belangrijk te zijn. Daarna schrijft de directeur over de tekorten in het magazijn, maar dat is hier niet opgenomen.

GEPEPERDE REKENING

Ergens in de volgende periode (april-juli 1824) stuurt de permanente commissie een (gepeperde) afrekening naar Von Hoff, waarin ook de lootjes voor zullen komen. Die rekening hebben we nog niet.

Daartegen protesteert Von Hoff op 31 juli 1824. Dat protest hebben we nog niet, maar wordt in het brievenboek ingekomen post invnr 348 als volgt samengevat:

De gewezen adj directeur von Hoff te Harderwijk, zendt in 2 nota's van aanmerkingen op de hem toegezonden afrekening zijner vorige administratie, met verzoek om nader onderzoek

Op 9 augustus 1824 stuurt het enige in Den Haag verblijvende lid van de permanente commissie dat protest naar de twee leden, Johannes van den Bosch en Jeremias Faber van Riemsdijk, die dan in de koloniën zijn.
Blijkbaar krijgt de directeur opdracht op het protest van Von Hoff te reageren, want hij schrijft op 8 oktober 1824. Tot nu toe hebben we alleen het begeleidend schrijven bij zijn reactie, invnr 71 scan 77, maar zijn reactie wordt in het brievenboek ingekomen post invnr 348 als volgt samengevat:

Directeur der kolonien, zendt in de nota's van opheldering en beantwoording der aanmerkingen van de PK op de afrekening van den Hr von Hoff en van die des Hr von Hoff zelve, met retour van de afrekening en de bijlagen

NIEUWE REKENING

De permanente commissie bespreekt Vissers reactie op 26 oktober 1824 N18, invnr 39. De hele kwestie wordt 'in handen van de heer Van Riemsdijk' gesteld en tevens wordt besloten: 'al de stukken de afrekening rakende bij een pakket gevoegd'.

De kwestie komt daarna pas weer ter sprake op 17 maart 1825 N29, invnr 39. Besloten wordt een nieuwe rekening naar Von Hoff te sturen, 'met uitnoodiging om de likwidatie dier afrekening als nu te willen bewerkstelligen'. Oftewel hij moet NU dokken! Die brief gaat 18 april 1825 de deur uit.
Die brief zelf hebben we nog niet, maar in het brievenboek uitgaande post invnr 926 wordt het gedeelte over lootjes als volgt samengevat:

Ten aanzien van de zoo belangrijke post van te veel ingekomen blikgeld boven het geen op de werkstaten is verantwoord, acht zij het onmogelijk iets in het voordeel van den Heer v. Hoff in uitgaaf toetestaan: het blikken geld werd aan den Adj. Direkteur even als kontant geld toevertrouwd; hij werd met de uitgifte en met het terugontvangen belast; hij was bovendien de geen, die zorgen moest dat zoo wel door hem als door anderen de voorschriften van het Regl. wierden nagekomen. Art. 6, 16 & 20 hadden daar toe eene bijzondere betrekking en daaruit volgde van zelve dat hij aan de in art. 6 bedoelde geëmployeerden niet meer blikjes moest uitgeven als noodig waren om te suppleren diegenen waarvan zij tot de betaling overeenkomstig de betaalstaten gebruik gemaakt hadden;

TEGENREKENING

Natuurlijk pikt Von Hoff dat niet en hij vraagt zelf betaald te krijgen op 2 april 1825. Die brief hebben we nog niet, maar wordt in het brievenboek ingekomen post invnr 348 als volgt samengevat:

De kapitein von Hoff te Harderwijk. Blijft zich houden aan zijne vroeger ingezonden verantwoording met de Maatsch. als zich geenzins met die van de PK kunnende vereenigen; en dringt aan op eenig voorschot op het aan hem kompeteerende saldo

Blijkbaar heeft Von Hoff hierin ook geschreven dat de directeur hem eerder in een brief had vrijgepleit van ondeugdelijke handelingen met het blik, want daar gaat het nu even over. Ze vragen Von Hoff een afschrift daarvan te sturen en vragen de directeur hoe dat zit.

Daarop reageert de directeur op 14 april 1825, invnr 73 scan 164 en verder, waarbij hij al aankondigt dat hij over het andere punt (= blikgeld) nog zal schrijven. Dat gebeurt 19 april 1825, invnr 73 scan 209:

En eindelijk op die van den Heer Von Hoff, omtrent welk eerste punt, betreffende het in omloop gebragte blikgeld, ik de vrijheid neem te refereren aan nevensgevoegd afschrift des briefes van den Heer Adjunct-directeur Harloff, waarbij ik niets te voegen heb, dan dat het welligt noodzakelijk ia, het een en ander daarbij opgegeven, met daadzaken of verklaringen van andere geemployeerden te doen staven

STEMPELINGEN

Bijgevoegd is de brief van adjunct-directeur Harloff, gedateerd 4 april 1825, invnr 73 scan 244, die interessant is omdat het verklaart waarom er een klop of stempeling staat op sommige bewaard gebleven blikjes:

Gaarne voldeed ik aan uwedgest. verlangen met op te geven hoeveel de waarde is geweest, van het door den Heer von Hoff in omloop gebragte blikken geld, dan ik bevinde mij daartoe niet in staat; er bestond reeds een grote of klijne (mij onbekende) waarde van dit geld tijdens mijne aankomst in deze kolonie als onder-direkteur.  De heer von Hoff heeft van tijd tot tijd nog laten aanmaken, zoodat daar omtrent de zekerheid der juiste hoeveelheid geheel duister is.

Toen ik egter de functie van mijnen voorganger overnam bevond ik bij den onder-direkteur in mijnen: een somma van ƒ 825,04½. De kolonisten zelve moeten toen nog in het bezit geweest zijn van eene somma van ƒ 563,15 ½ hetgeen bleek bij eene volgende telling & stempeling op 6 maart 1824 gehouden als wanneer ik bevond geheel uit blik te bestaan eene somma van ƒ 1388,20 (van onderscheiden grootte of waarde – of dit nu de juiste waarde is die mijne voorganger heeft doen aanmaken geloof ik niet want (volgens zeggen) zijn onderscheidene kolonisten destijds met een voorraad in de zak gedeserteerd, en de mindere waarde van het blik die het blik des tijds voor de kolonisten had zal ook wel een gedeelte zoek gemaakt zijn.

Op deze somma is vervolgens de dubbele stempeling gekomen, gelijk mede op eene somma van ƒ 450 die ik zelve nog heb laten aanmaken, en deze beide sommen vind ik ook bij iedere stempeling weder terug.

BLIKGELD IN OMLOOP

De permanente commissie houdt dit 26 april 1825 N24, invnr 39, in advies tot ze de kopie van Von Hoff ontvangen hebben en op 3 mei 1825 N18, invnr 39, is het zover:

Artikel 18. Kapitein von Hoff, te Harderwijk N162
Zendt in het verzochte afschrift eens aan hem geschreven briefs van den Direkteur der Kolonien.
Besloten
Aan den Hr von Hoff te antwoorden dat in den brief van den Direkteur niet gevonden wordt hetgeen waarop ZE zich beroept;
dat het gebleken is dat er meerder blikgeld in omloop was, dan hij opgaf;
dat derhalve de eenige punten die in aanmerking kwamen vervallen;
dat hij overigens geene inlichtingen heeft gegeven, en de P.K. dus persisteert bij haar besluit.

Dat schrijven ze aan Von Hoff op 7 mei 1825 N128, invnr 356. Het gedeelte over het blikgeld in die brief luidt:

Evenmin hebben wij der waarheid konform bevonden, UwEdG verklaring, dat bij UwEdG vertrek niet meer dan ƒ 500:-- waarde aan blikkengeld gefabriceerd was, daar hetzelve ver over de ƒ 1000:-- heeft beloopen.

Von Hoff wil nog steeds niet betalen. Hij schrijft terug op 9 mei 1825, dus twee dagen later. Die brief hebben we nog niet, maar wordt in het brievenboek ingekomen post invnr 348 als volgt samengevat:

Kapitein v. Hoff te Harderwijk. Verzoekt nogmaals om een nader onderzoek van de PK der voornaamste 3 punten zijner afrekening met de Maatschappij.

IMPASSE

De permanente commissie realiseert zich dat men hier niet goedschiks zal uitkomen. Maar men durft niet op eigen houtje een besluit te nemen om het aan de rechter voor te leggen en dus schakelt men het hoofdbestuur, de Commissie van Weldadigheid, in. Het wordt behandeld op de vergadering van 12 augustus 1825, invnr 16:

De zaak der pretentie op den Heer von Hoff ter tafel gebragt zijnde, zijn de stukken kommisseriaal gemaakt aan de leden Leesberg en van Nes, ter fine van rapport in de vergadering van October en te dien einde aan den Heer Leesberg toegezonden.

Omdat de vergadering van 12 augustus wat gemankeerd is door de afwezigheid van de voorzitter prins Frederik, komt men 28 oktober 1825, invnr 16, opnieuw bijeen. Daar ligt het rapport van Leesberg voor, maar Van Nes zegt dat hij het nog niet gelezen heeft.
Besloten wordt dat de stukken (waarmee het eerder genoemde 'pakket' bedoeld zal zijn) omstebeurt alle leden zal passeren. Aldus geschiedt de komende maanden.

Al die meningen liggen voor op de vergadering van 17 augustus 1826, invnr 16. Besloten wordt geen actie tegen Von Hoff te ondernemen en af te wachten of hij zelf naar de rechter loopt, in welk geval de vordering van de Maatschappij op hem wél ter tafel gebracht zal worden. Bovendien wordt de kwestie voorgelegd aan de Commissie van Toevoorzicht, die de volgende dag, 18 augustus 1826, bijeenkomt.






De gruwelijke ervaringen van employés met koloniale munt. Deel 2: de onderdirecteur-buiten Nijenbandering

Op 18 september 1829 schrijft de directeur een brief met nummer N255, invnr 100 scan 254, 'inzendende eene missive van den heer de Geus met eenige stukken betreffende een tekort van koloniale munt in de kas van de onderdirecteur buiten bij het 2 & 3 gesticht te Veenhuizen met verzoek van te bepalen op welk eene wijze hij te dier zaken kan en behoort te worden ontlast.'

Het tweede en derde gesticht te Veenhuizen, die dicht bij elkaar liggen, doen samen met een onderdirecteur-buiten. Dat is vanaf het begin van de ontginning, voorjaar 1825, Lambert Nijenbandering, wiens naam met allerlei hele typische variaties in de Maatschappij-stukken voorkomt, geboren 4 februari 1787, afkomstig uit Smilde.

De stukken zitten er niet meer bij, wel de brief de dato 10 september 1829 van Adrianus de Geus, adjunct-directeur van het tweede gesticht, invnr 100 scan 141, luidende:

Ik heb de eer Uwedele Gestrengen hierbij over te leggen eene Nota en aan dezelve horende bijlagen, houdende aanwijzing en ophelderingen relatief het deficit van Koloniale munt in de kas van den onderdirecteur 2e etabl buiten L. Nijenbandering op de balans ultimo december 1827 niet voorkomende, maar eventwel bestaande.

Uit opgemelde stukken vertrouw ik dat de Perm. Kommissie overtuigd zal worden, dat opgemelden onderdirecteur te veel voor koloniale munt is bezwaard geworden, solliciterende alzoo de Perm. Kommissie geauthorizeerd te mogen worden tot het afschrijven van de aangewezene som Koloniale munt.

Eindigende met de meest verschuldigde hoogachting

Oftewel de kas van koloniale munt van Lambert Nijenbandering klopt niet, maar hij kan er niets aan doen, dus we moeten het in de boeken maar wegwerken.

De brief staat geagendeerd 28 september 1829 N18a, invnr 358, en dan besluit de permanente commissie om de boekhouder te vragen om een rapport hierover. Dat rapport is er 27 november 1829 N, invnr 370, en dan stuurt de permanente commissie 'per Amsterdamsche pakschuit en vervolgens met de Steenwijker beurtman' een nota van inlichtingen aan de directeur.

Helaas zit die nota er niet bij. De directeur reageert daarop met een hele lange brief van 16 december 1829 N510, invnr 101 scans 611-615. Bij de eerste alinea's heeft iemand van de permanente commissie met potlood bijgeschreven 'de misslag was ten nadele, de ontdekking ten voordele van de Geus',

Bij de stukken, vermeld in Uwed Geb missive van den 27 November jl No 22 ontving ik tevens bij een nota van den fungerenden boekhouder eene uitnodiging om persoonlijk te onderzoeken de oorzaken van het bestaande verschil in de kas van koloniale munt bij den Adjunct Directeur de Geus –

zonder die uitnodiging mij daarmede reeds beziggehouden hebbende ingevolge UwedGeb besluit van den 31 Augustus jl No 10 waarbij het verevenen van bestaande verschillen voor 1 November door UwedGeb bepaald is, en waarvan de executie aan mij werd opgedragen, zoo heb ik de eer, in voldoening aan dat besluit, UwedGeb te berigten, dat wijl nu een belangrijke misslag in de verantwoording van Koloniale munt in het nadeel van den Adjunct Directeur de Geus  is ontdekt geworden, waaromtrent UwedGeb hiernevens geworden:

1. Eene nota van den boekhouder van het 2e Gesticht binnen, met daartoe betrekkelijke stukken en

2. Eene memorie van den Heer de Geus zelven

Daar mij die stukken aanvankelijk voorkwamen de zaak niet helder genoeg voor te stellen maar eerst bij een mondeling en breedvoerig gesprek aan het Gesticht No 2 waarheen ik mij met de Heer Reese begeven had is duidelijk geworden, zoo vertrouw ik, dat eene beschrijving hoedanig ons de zaak is voorgekomen UwedGeb niet ongevallig zal zijn.

Blijkens een afschrift eener nota van aanmerkingen van den voormaligen Adjunct Directeur voor de Administratie op het journaal 2e Gesticht binnen, over mei 1827 en het minute (?) journaal zelf, welke stukken hierbij gevoegd zijn, heeft genoemde Adjunct Directeur eene betaling van brood aan den winkelier, groot ƒ 172,21 ½ geschrapt, niet wetende dat dezelve deugdelijk en overeenkomstig de inrigting der boeken was.

Op gelijke wijze heeft hij gehandeld met alle gelijksoortige tot mei 1828 incluis.

De onderdirecteur nam, niettemin, onder de gelden van den winkelier op zijn journaal in ontvang het bedrag van de verstrekking of verkoop van dat brood hetwelk de invalide bedelaars hadden genoten.

De onderdirecteur heeft dus van 1 April 1827 af tot ultimo mei 1828 toe in ontvang genomen gelden die hem in uitgaaf niet gevalideerd zijn geworden; de kwitantien van dat betaalde brood zijn dan ook bij den boekhouder van Marle berustende gebleven; aan den heer Heemskerk is nimmer voldoende opheldering op zijne aanmerkingen gegeven en deze heeft ze verder ook niet gevraagd.

Dit kon, intusschen bij de toenmalige behandeling van zaken, geen tekort maken, in de kas des onderdirecteurs, maar wel in die van den adjunct directeur, want de betaling van het brood voor de invaliden aan den winkelier voor de eerste maand, de opgemelde som van ƒ 172,21 ½ bedragende, geschrapt zijnde, oordeelde de Adjunct Directeur voor de Administratie, dat de onderdirecteur dan ook die gelden aan den Adjunct Directeur moest afdragen.

Dienovereenkomstig zullen UwedGeb de afdragt op den 6 mei aan den Adjunct Directeur de Geus welke primitief was ƒ 174,71½ vermeerderd vinden tot op ƒ 646,93 juist het verschil van de opgenoemde som uitmakende. Op die wijze is uit de rekening des onderdirecteurs  geschrapt geworden de som van ƒ 2299,31½ zijnde het bedrag der kwitantien van de winkelhouder over opgenoemd tijdvak, welke hierbij worden ingezonden, en zijnde afdragten van den onderdirecteur aan den adjunct directeur met een gelijk montant, vermeerderd geworden.

De Maatschappij heeft dus het provenu van het bedoelde brood genoten, en de verstrekking van hetzelve niet gedragen, welke laatste kan blijken uit het respect reservefonds van het Grootboek, hetwelk met die verstrekking over dat tijdperk niet is belast geworden, en de rekening des Adjunct directeurs is nog bezwaard geworden met de kosten der bedoelde verstrekking.

In de maand junij 1828 schijnt men het verkeerde hiervan eerst te hebben ingezien, en is men begonnen op de weekstaten de 10 centen  winkelgeld voor de invalide bedelaars te vermeerderen met 17½ centen voor het bedoelde brood en mitsdien te brengen tot 27 ½ centen waarmee derhalve de begane misslag ophield.

De veelvuldige verwarringen schijnen echter niemand tot hiertoe op het denkbeeld gebragt te hebben dat ook het vroeger gebeurde moest worden verholpen. Ik stel UwedGeb alsnu voor, om den onderdirecteur te autoriseren tot de in uitgaaf-stelling van de meergemelde brood-kwitantien waartegen dezelve den Adjunct Directeur kwitantie zal geven voor de som Koloniale munt, die hij daartoe nodig heeft, wanneer de kas des laatsten met die betaling wordt tegoed geschreven.

De tweede verkeerdheid, die betrekking heeft tot de kas van de Adjunct Directeur heeft plaats gehad met den onderdirecteur Nijenbandering welke of uit onkunde van hem zelven, of van zijnen boekhouder, ofwel door eenen verkeerden voordragt der zaak  van den Adjunct Directeur meer Koloniale munt in ontvang heeft genomen als hij werkelijk genoten heeft, ten bedrage van ƒ 2085,72½.

De Adjunct Directeur intusschen, had daarvoor kwitantien en kan eerst nu, in de veronderstelling dat UwedGeb de vorengenoemde in uitgaafstelling zullen toestaan, besluiten die som op zijn rekening over te nemen. De oorzaken van het teveel belasten van den onderdirecteur hier nauwkeurig aan te wijzen acht ik overbodig, alzoo het ene bloote overdragt is van Koloniale munt van den eenen ambtenaar op den andere, waarover hier gehandeld wordt.

Daar de journalen toch bij UwedGeb geverifieerd worden heb ik geene zwarigheid gevonden om, hangende UwedGeb besluit hieromtrent, den onderdirecteur van het 2e Gesticht binnen zoowel als die van het 2e en 3e gesticht buiten tot de aan UwedGeb voorgedragen operatiën in het journaal over deze maand te autoriseren.

Om nu hetzelfde onderwerp bij deze gelegenheid verder af te doen ontvangen UwedGeb hierbij ook beantwoord terug de nota van toelichting van den fungerenden boekhouder omtrent het tekort in de kas des voormaligen onderdirecteurs Hartzman mede ontvangen bij de stukken vermeld in UwedGeb missive van den 27 November jl No 22.

UwedGeb zullen in de beantwoording dier nota ontvouwd vinden de redenen waarom de kasrekening des onderdirecteurs niet overeenkomt met de Grootboeken over 1827 en 1828 zakelijk daarin bestaande, dat de boekingen in die beide niet zoals tegenwoordig dezelfde waren.

Het komt mij voor dat aan de zijde van de Maatschappij de verschillen in die boekingen in geene aanmerking behoeven te komen maar dat het hier alleen de vraag is, of het rekeningboek van den voormaligen onderdirecteur Hartzman zoals het gehouden is door UwedGeb als deugdelijk gehouden kan worden aangemerkt en dientengevolge de koloniale munt, welke een der saldo’s van derzelve uitmaakt, in de rekening des Adjunct Directeurs geleden.

Ofschoon nu de onderdirecteur Hartzman, bij zijn vertrek, de rekening courant over de laatste week niet heeft verkiezen te teekenen, zijn de voorafgaande, tot de 10 Augustus 1828 toe, wel onderteekend geworden, en aan den directeur ingezonden, welke stukken UwedGeb hierbij alsmede worden toegezonden. 

De onderdirecteur de rekening courant niet hebben willende onderteekenen, heeft dezelve natuurlijk voor hem moeten worden opgemaakt. De eerst opgemaakte bij den overdragt van zijne directie aan zijnen opvolger, bevatte eenen som van ƒ 502,02½ welke gebleken was, door hem te weinig in ontvang te zijn genomen, eene herziening van zijne kasrekening deed zien, dat de som ƒ 382,11 behoorde te zijn, en thans nu al de kwitantien verzameld en wederom vergeleken zijn  blijkt het dat het te weinig in ontvang genomene eigenlijk ƒ 466,52½ bedraagt.

Tot 10 Augustus 1828 heeft Hartzman voor zijne onderteekening zijne rekening voor echt verklaard, de rekening courant over de laatste week is door mij met zijn kasboek, door zijnen boekhouder van Marle gehouden, vergeleken en wat de Koloniale munt aangaat accoord bevonden, wat de som van ƒ 466,52½ die daarop nog te zijnen laste gebragt zijn betreft, deze wordt gestaaft door overlegging van de kwitantien welke met eene verzameling van dezelve die tevens aanwijst welke posten daarvoor op het kasboek in ontvang zijn genomen; onder de stukken hiernevens gaat, omtrent de deugdzaamheid welker bewijzen ik vermeen niets meer bij te voegen te hebben en op grond waarvan het mij dan voorkomt, dat UwedGeb tot de afschrijving van ƒ 988,35 ½ koloniale munt waarvoor de onderdirecteur Hartzman aansprakelijk is, wel autorisatie zoude kunnen geven.

Ten aanzien van het saldo in zilver van die rekening courant ad ƒ 251,90 ½ dat de onderdirecteur is tekort gekomen, ook dit zou volgens het Grootboek meer en wel ƒ 472,42 ½ hebben bedragen blijkens eenen nota namelijk, welke de opvolger van Hartzman bij het journaal over december 1828 heeft overgelegd,
bedroeg het saldo van denzelven ƒ 326,13½
terwijl hij inderdaad ƒ 145,29
meer in uitgaaf had. Dat tezamen een verschil uitmaakte van      ƒ 172,42 ½
 
De kasrekening van den onderdirecteur Kluvers nu stemt volkomen overeen met de boekingen in het Grootboek, waaruit dus volgt, dat op gemelde som van ƒ 472,42½ werkelijk een tekort is ontstaan voor zijne indiensttreding en dit dus het tekort uitmaakt door zijnen voorganger achtergelaten.

Hetwelk, indien hij het bij zijn vertrek had afgedragen, de zaak volkomen effen zoude hebben gemaakt. Ook tot de oplegging van dat tekort derhalve komt het mij voor dat alleen de onderdirecteur Hartzman aansprakelijk is waarvoor mitsdien de tegenwoordige onderdirecteur moet worden ontlast, wanneer deszelfs kasrekening met het Grootboek volkomen overeenstemt.

Om nu tot de Koloniale muntrekening van den Heer Adjunct directeur terug te komen zal het saldo van dezelve op ultimo december 1828 door de overneming van de som waarmede de onderdirecteur Nijenbandering ten onrechte is bezwaard geworden en door het in uitgaaf stellen
daarentegen van de broodkwitantien ad ƒ 2299,31½
en de afschrijving van het tekort door den onderdirecteur Hartzman nagelaten ad ƒ 988,35
Tezamen ƒ 3287,64
Verminderd worden tot op ƒ 1604,55
Waarvan afgetrokken voor hetgeen werkelijk bij den onderdirecteur Kluvers op dat tijdstip voorhanden was ƒ 67.---
Zoo blijkt het saldo van den adjunct directeur te zijn ƒ 1537,55
 
Hetwelk door dezelve nog zoude moeten worden verantwoord. Voor dat montant heeft de adjunct directeur op V April 1827 eenige recepissen onder zich gehad van den Adjunct Directeur Poelman waarvan het bedrag in de som van Koloniale munt toen door de eerstgenoemde aan hoofd genomen, zou begrepen geweest zijn, en heeft dezelve ook nader zodanige recepissen ontvangen, welke nog onverantwoord zouden zijn, en tezamen ad ƒ 1829,67 het opgenoemde tekort zoude dekken.

Deze recepissen namelijk zijn successievelijk bij de rekeningen Courant des Adjunct Directeurs overgelegd en aan de directie te Frederiksoord ingezonden, om daarvoor ontlast te worden dat wel gedeeltelijk maar niet geheel schijnt geschied te wezen.

Immers, behalve dat de Adjunct Directeur de Geus zich dit meent ter herinneren heeft de Adjunct Directeur Poelman eene meerdere uitgave in Koloniale munt dan het werkelijk had kunnen doen en wel op 1 december jl van ongeveer ƒ 1800 welke dus zeer waarschijnlijk ontstaan is door betalingen van turf in uitgaaf te stellen, waarvoor hij slechts recepissen heeft afgegeven die nog niet te zijnen laste zijn gebragt geworden.

Konde nu de Adjunct Directeur De Geus de onverzekerde recepissen aanbieden dan ware de verevening tusschen die beide heeren spoedig te doen (gelijk er dan ook sommige in de maanden van November en December verevend zijn) maar enige derzelve, vroeger bij de wekelijksche rekeningen courant opgezonden, en thans te zoek geraakt zijnde, zoo is het nodig dat UwedGeb hier tusschen beide treden, en de meerdere uitgaven van den Heer Poelman verklaren veroorzaakt te wezen door betalingen met recepissen die alsnog in het voordeel van de Heer de Geus behoren te komen.

Daaromtrent wordt nog hierbij overgelegt eene opgave van de Heer de Geus, van al de recepissen van den Heer Poelman ontvangen, met aanwijzing van die welke nog niet zouden zijn verevend. En het voordeel des Heeren de Geus gebragt, uit de vergelijking van welke met de bij UwedGeb voorhanden provisionele afrekeningen het misschien zal kunnen blijken, dat de verschillen in de Koloniale munt bij die beide Heeren werkelijk in de niet verevening dier recepissen zijn gelegen.

Daar van die provisionele afrekeningen ook bij de directie te Frederiksoord afschriften zouden voorhanden zijn zal ook ik doen nazien of de opgegevene veronderstelling daaruit kan worden bevestigd waarvan ik UwedGeb nog in de loop van deze maand nader zal verslag doen.

Nog moet ik UwedGeb doen opmerken dat na de verevening van die verschillen nog een saldo meerder uitgaaf van ongeveer ƒ 300 bij den Heer de Geus zal overblijven, waarom er misschien minder zwarigheid bestaat om tot de afschrijving van het tekort in de kas van den Heer Hartzman autorisatie te geven. Bijaldien UwedGeb omtrent eene of andere stelling of afleiding in dit rapport voorkomende, verkeerd begrip of duisterheden mogten ontwaren, zal ik hiervan gaarne aanwijzing erlangen om dit dat UwedGeb nader toe te ligten.

Fijn he? De belangrijkste conclusie is dat de boekhouding in de koloniën te ingewikkeld is voor de mensen die het moeten uitvoeren. Dat het hierbij gaat om koloniale munt is toevallig, verwacht mag worden dat er met de kas van gewoon geld net zo veel mis gaat.
Een andere conclusie is dat de 'verificatie' van de boekhouding door het kantoor in Den Haag een wassen neus is. Ze zitten er te ver van af om het allemaal te kunnen begrijpen (en ze kunnen de betrokkenen niet even bellen of mailen). Daar komt dan nog eens de jarenlange vertraging bij.

Slachtoffers van die situatie zijn alle employés, maar in het bijzonder degenen die in dienst zijn genomen om hun landbouwkundige expertise. Lambert Nijenbandering is een typische landbouwer en het geldt bijvoorbeeld ook voor onderdirecteur Bosma van Wilhelminaoord die enkele jaren later ook door boekhoudkundig falen in de problemen komt.
Verder zijn het altijd de ex-employés die het gedaan hebben en waarover negatief wordt geschreven. In dit geval zijn dat de inmiddels ontslagen onderdirecteur Johannes Hatzman, zie deze pagina, en de adjunct-directeur voor de administratie J.H. Heemskerk. Die laatste kreeg bij besluit van 29 september 1829 N1 medegedeeld dat de post van adjunct-directeur voor de administratie was opgeheven en kreeg bij besluit van 5 oktober 1829 eervol ontslag.

VEEL RAPPORTEN

Die brief staat geagendeerd op 26 december 1829 N1, invnr 371, en dan vraagt de permanente commissie de Inspecteur der koloniën hierover een rapportje te schrijven.
Dat rapport is er op 1 februari 1830 N28, invnr 373, en blijkt dan niet alleen te gaan over 'de verevening der bestaande verschillen in de kas van koloniale munt van den adj Directeur De Geus', maar óók over 'de afschrijving in het tekort van de kas van den gewezen onderdirecteur Hatzman'. Zie over Hatzman deze pagina.

Besloten wordt nu ook het Bureau voor de comptabiliteit een rapport te laten schrijven. Bedoeld zullen zijn de pas aangestelde Directeur voor de Administratie en de Verificateur.

Terwijl iedereen raporten aan het schrijven is, komt er weer een brief van de directeur. Hij schrijft op 5 februari 1830 in een brief met nummer N102, invnr 102 scans 716-719:

XXX

Die brief wordt in de notulen van 15 februari 1830 N29, invnr 373, als volgt samengevat:

Missive Directeur 5 Feb N102 ten vervolge zijne missive van 16 Dec N510 verslag doende van zijn nader onderzoek betrekkelijk het tekort in de kas van koloniale munt van den adj Dir de Geus, tevens advieserende om het tekort van den gewezen onderdirecteur Hatzman per winst en verlies afteschrijven waar door het saldo der heeren de Geus zoo veel minder zou worden.

En inderdaad, daarna vraagt men de Inspecteur der koloniën om een rapport.

Dan missen we een stukje en gaan we weer verder op 25 september 1831. Lambert Nijenbandering schrijft een briefje, invnr 117 scan 338, dat hij het tekort in zijn kas kan verklaren middels de meegezonden stukken, de scans 333 tot en met 337.

xxx

De permanente commissie houdt die stukken 14 oktober 1831 N10, invnr 393, in advies en schrijft dan 19 oktober 1831 N44 of 46, ook invnr 393, aan Nijenbandering dat hij het tekort toch moet aanzuiveren.




De gruwelijke ervaringen van employés met koloniale munt. Deel 3: Jacob Vertraugott Harloff, adjunct-directeur van de Ommerschans 1824-1829

Enige informatie over Jacob Harloff staat op deze pagina. Hij wordt 27 november 1822  Hij wordt 27 november 1822 aangesteld als onderdirecteur-binnen bij de Ommerschans, zie hier. Als adjunct-directeur Von Hoff december 1823 onverwacht vertrokken is, wordt Harloff de nieuwe adjunct-directeur.

Hij schrijft over lootjes op 4 april 1825, welke brief hierboven is afgedrukt bij Von Hoff onder het kopje STEMPELINGEN. Of hij verder nog over koloniale munt schrijft, weten we nog niet.

Hij geeft eind 1828 of begin 1829 te kennen dat hij zijn baan wil opzeggen. De permanente commissie besluit daarop op 25 februari 1829 om Jacob Harloff per 1 april aanstaande te ontslaan en in zijn plaats op proef aan te stellen Paulus van der Wal, zie hier. Harloff verneemt dat besluit via een mededeling van de directeur en is niet gelukkig met het tijdstip. Hij schrijft op 5 maart 1829, invnr 96 scan 30:

Daar het tijdpunt mijner aftreding in dat besluit op den 1e April aanstaande is bepaald, en mijn verzoek aan de Perm. Komm. dienaangaande gedaan, eerst gedurende de loop van de maand Mei behelsde, zoo heb ik niet alleen op het laatste tijdpunt, te vertrekken gerekend, maar is ook de aanhoudende winter, die vooralsnog belet mijne woning in gereedheid te brengen, oorzaak, dat ik, hoe gaarne anders ook, mij niet naar de wil der Permanente Kommissie zal kunnen gedragen.

Ik neem alzoo de vrijheid de Perm. Komm. te verzoeken, het aangevoerde te willen in overweging nemen, en vervolgens het tijdstip van mijn vertrek te willen vaststellen, op den vijftienden der maand Mei aanstaande.

Dat is natuurlijk helemaal fout. Een employé gaat niet tegen de wil van de permanente commissie in. Hij had nog een kans gehad als hij het heel eerbiedig vezocht had. In brievenboek invnr 351 kan gekeken wat er gebeurt met de brief van Harloff.

Invnr 96 de scans 354-355 geeft een overzicht welke immense administratie er op 1 april 1829 door Harloff wordt overgedragen aan Van der Wal. Daaronder ook een heleboel papier dat nog uit de regeerperiode van Von Hoff dateert.

Op 25 maart 1830 schrijft Harloff, die zich inmiddels in Dedemsvaart gevestigd heeft en daar volgens bonmama, zie hier en voer Harloff in, 'taxateur der turf' is, op verzoek van de Inspecteur der koloniën een immens lange brief aan de permanente commissie over de financiële administratie, invnr 103 scans 330-336. Uitgezocht moet nog worden of daar iets instaat over koloniale munt:

XXX

De brief staat geagendeerd 3 april 1830 N1, invnr 375, en dan wordt de Inspecteur der koloniën gevraagd hierover een rapport te maken. Al wordt er geen melding gemaakt van de ontvangst van zo'n rapport, ligt het er vermoedelijk op 15 mei 1830, want bij agendapunt 21, invnr 376, besluit de permanente commissie aan Harloff te schrijven:

Wij hebben in der tijd wel ontvangen UwEd missive van 25 Maart j.l. & in aandachtige overweging genomen al hetgeen daarin wordt opgegeven als oorzaken voor het tekort in Uwe kas, zoo bij den ?? Dir. der Adm. aan Uwe opvolger, als later bij de verificatie der adm. ontdekt, en door UwEd als met de waarheid overeenkomend erkend;
danhoe zeer sommige der opgegeven daadzaken ons niet vreemd zijn voorgekomen, en wij de moeijelijkheid der adm. wel willen erkennen, is het ons niet te min gebleken, dat al die zwarigheden voornamenlijk vóór het jaar 1827 hebben bestaan & door het invoeren van nieuwe wijzen van adm. .









Bijgevoegd is een vel met een verklaring van Harloff en eentje van J. van Sluijters, wat volgens mij de Directeur van de Administratie is op dat moment. Dat vel zit dus ook in invnr 376:

De ondergetekende, Adjunkt Direkteur van het Bedelaars Etablissement aan de Ommerschans, verklaart bij deze, dat volgens zijn kasboek op heden moest voorhanden zijn:
in zilver
ƒ 582.99½
in koloniale munt
ƒ1180.85   
Somma
ƒ 1763.24½
Ommerschans, den 8 November 1827
(Get.) Harloff

De ondergetekende, belast met de opneming der kassen van de Heeren Adjunct en Onder Directeuren, verklaart bij dezen dat aan hem door den Heer Adjunct Direkteur Harloff is vertoond:
Zilver
Een kwitantie van ontslagen kolonisten
ƒ 167.56½
Aanwijzing op oude schuld van twee door hem betaalde, en door de Perm. Komm. gevalid. Kook (???)
ƒ 184.93½
Saldo in kas bij den Adjunct Directeur Bosscha
ƒ   33.----
Aan kontanten
ƒ  111.----
te kort in zelve
ƒ  86.49½
Somma
ƒ 522.99½


Koloniale munt
Saldo in kas bij den onderdirecteur Frederiks blijkens deszelfs Rekning Cour. van 2 November
ƒ 312.08
Nog bij denzelve van den winkelhouder op den 2 November geinkasseerd blijkens 2 Kwit.
ƒ 370.10
Van 2 tot 8 November door den winkelhouder geincasseerd hetgeen door denzelve op heden nog moet worden afgedragen
ƒ 340.---
In omloop bij de kolonisten
ƒ 158.67
Somma
ƒ 1180.85
(Get.) J. van Sluijters

Bosscha is geen adjunct-directeur, maar is de onderdirecteur-buiten van de Ommerschans. Verder kan dat 'Kook' niet kloppen. Maar dat zijn kleinigheden, meest opvallend is dat ook dit weer een rampzalig zootje is. Met name dat bedrag 'in omloop bij de kolonisten' is volslagen natte vingerwerk.


Op 31 mei 1830 reageert Harloff hierop. Die brief hebben we nog niet gevonden, mogelijk zit die tussen de scans van invnr 105?? In ieder geval komt de brief bij de permanente commissie binnen op 8 juni 1830 N5, invnr 377. Dit keer krijgt de directeur voor de administratie opdracht een rapport te maken. De brief van Harloff wordt als volgt samengevat:

Adres van J. Harlof 31 Mei naar aanleiding van 15 dito N21 nadere bedenkingen in het midden brengende tegen de voldoening van het door hem verschuldigde saldo en de herziening der uitgaven voor sommige artikelen door hem in prive gedaan ten einde van dat bedrag te worden afgetogen.

Wat 'afgetogen' is weet ik niet. Op 29 september 1831 N4, invnr 392, dus inmiddels tweeënhalf jaar nadat Harloff van de schans is vertrokken, ligt het rapport er en naar aanleiding van dat rapport schrijft de permanente commissie aan Harloff. De strekking van de brief is:

Het verzoek van den gewezen Adjunct-Directeur J. Harlof om remissie van het opleggen van het bij het eindigen zijner dienst bevonden te kort in zijne kas afwijzen en hem eenen tijd van twee maanden toestaan om zijne indertijd gedane uitgaven aan stalknechts enz die hem niet vergoed zouden zijn te staven.

De bijbehorende brief van de permanente commissie aan Harloff lijkt een reactie op zijn brief van 25 maart 1830:

Dw P.C. der M.v.W,

Gelet op het rapport der Heer Dir der Adm gerequereerd den 8 Juny 1830 N5

Gelet op den brief van den Hr J. Harloff voormalig adj dir van het Et. te O.S. dd 31 Meij 1830

Gehoord het rapport van den Heer Insp der kolonien

Besluit

Aan den Hr Harloff te schijven als volgt:

Wij hebben den inhoud Uwer brief van 31 mei 1830, in verband met Uwe missive van den 25 maart te voren, opnieuw in ernstige overweging genomen en de daadzaken en omstandigheden daarbij aangevoerd, zoo veel mogelijk nagegaan, zelfs hebben wij onze beschouwing uitgestrekt tot na Uw vertrek van de O.S.

Hoe zeer wij daarbij niets hebben kunnen vinden van de uitgaven welke door UwEd zouden zijn gedaan aan stalknegts enz. zonder die uitgaven der Maatschappij in rekening te brengen, nog minder van de klompen en verversingen aan de kolonisten in de ziekenzaal verstrekt, heeft dit echter geene verandering veroorzaakt in onze roeger te kennen gegevene denkwijze omtrent de verantwoording en verantwoordelijkheid van den adj. dir. bij de wijze van administratie voor 1 april 1827 in gebruik.

Wij willen opnieuw erkennen de moeijelijkheid waarmede UwEd vooral bij den aanvang Uwer bediening, heeft te kampen gehad, en de gebrekkige wijze waarop UwEd daarbij door eene ondergeschikte ambtenaar is ondersteund;
ook zijn wij verre verwijderd van het denkbeeld om een gewezen ambtenaar van den M., na zijn ontslag, in zijne reeds moeijelijke wijze van bestaan te hinderen en misschien hem de geringe middelen daartoe te ontnemen.

Wij kunnen echter niet anders, dan UwEd alsnog verpligt houden, om het tekort aan te zuiveneren, of wel de door U bedoelde uitgaven aan stalknegts enz duidelijk aan te wijzen zoo dat die door ons in rekening kunnen worden geleden, waartoe wij UwEd den tijd van twee maanden verleenen;
zullende wij voor of uiterlijk na afloop van dat tijdvak, die aanwijzing of wel een bepaald voorstel omtrent de wijze van vergoeding van UwEd afwagten ten einde ons besluit te kunnen bepalen;
terwijl wij, bij gebrek van een of ander ons verpligt zullen voelen zelve daaromtrent finale bepalingen te maken.

Op 4 december 1831 barst Jacob Harloff te Dedemsvaart uit zijn vel. Hij schrijft aan de permanente commissie, invnr 120 scans 71-73:

Mijne Heeren!

Ik ben door ziekte genoodzaakt geweest het antwoord op de Uwen van 29 Sept jl N4 tot hier uittestellen, zonder welke omstandigheid dit antwoord niet zoude hebben vertraagd.

Gij verlangt Mijne Heren! "dat ik, of het te kort van koloniale munt aanzuivere, of dat, ik de door mij gedane uitgaven aan stalknegten enz: enz: duidelijk aanwijze."

Nog het eene nog het andere is billijk; immers de gegrondheid van deze mijne pretentie, heb ik in mijne vorigen van 25 Maart 1829, en bij herhaling in die van 31 Mei 1830 zo veel dit voor mij doenlijk was, als niet meer over de inzage der boeken van de koloniën kunnende beschikken, duidelijk aangewezen.

Ik zal dierhalve formeel protesteren tegen alle, maar ook tegen eene preclusie van pretentie, en wel

1mo Omdat ik die betalingen aan voerlieden enz: gedaan heb op het voorbeeld van mijnen voorganger den Heere Von Hoff, en daarmede heb moeten volhouden tot dat den Heere Gen. Maj. van den Bosch het verder inwonen van bedelaars bij bouwlieden niet meer noodzakelijk vondt.

2mo Omdat ik, van de voor eenen eerlijken adjDirecteur dodelijke administratie vóór 1827 nimmer een juist denkbeeld heb kunnen krijgen, en veel minder mij heb kunnen voorstellen de nuttigheid maar ook de mogelijkheid om eene voor mij afzonderlijke administratie te voeren, waardoor ik gedane uitgaven in het jaar 1824 gedaan, in het jaar 1831 zoude hebben kunnen uiteenleggen.

3mo Omdat ik ambtenaren en bouwlieden hebbe aangewezen, welken kunnen getuigen dat zijl. wekelijks die penningen in ordinair gangbaar geld van mij hebben ontvangen, terwijl ik mij ten deze beroep op het getuigenis van den Heere Von Hoff, dat die uitbetalingen vroeger door hem gedaan zijn, en op de ambtenaren en bouwlieden nogmaals, dat door mij als deszelfs opvolger geene verandering daarin gemaakt is.
Een getuigenis van zoo veel grooter waarde, als die Heer door zijne benoeming tot Commandant van eene der belangrijkste vestingen in ons vaderland, in het bijzonder vertrouwen des gouvernements deelt.

4e  Omdat men mij niet bewijst, dat die penningen op ééne der kolonie rekenboeken zijn in uitgaaf gesteld, en die uitgaven alzoo door de Maatschappij reeds zouden zijn geleden, en eindelijk

5 Omdat de Maatschappij dagelijks in de mogelijkheid gesteld is, om niet alleen de gegrondheid, maar ook de juiste hoeveelheid van de door mij, ten hunne behoeve, gedane uitgaven te onderzoeken, wijl op de weekstaten der zaalopzieners over dat tijdvak, daarvan met roden inkt is notitie gedaan, en de sterkte der bevolking, vergeleken met de aan hun verstrekte voeding, en winkelkaart, dit nog duidelijker zal aantonen.

Met meerder regt mag ik verlangen, dat met dat onderzoek, waartoe van mijne zijde geheel geen mogelijkheid bestaat, door de Maatschappij begonnen, en zoo spoedig doenlijk worde ten einde gebragt, om daardoor dat gedeelte van het bedrag mijner pretentie, hetwelke meerder dan ƒ 952.-- zal bevonden worden te zijn, aan mij worde uitgekeerd, hetwelk ik zal beschouwen als een klein overblijfsel van de schipbreuk in de kolonien der Maatschappij van Weldadigheid geleden.

Aangenaam zal het mij zijn, wanneer door de Maatschappij omtrent eene verdere briefwisseling, de door mij ingeslagen weg van verzending moge worden verkozen, ten einde van voor mij drukkende briefporten te worden vrijgesteld.

De permanente commissie bespreekt het antwoord van Harloff op 15 december 1831 N42, invnr 395. De brief wordt samengevat als:

de onbillijkheid betoogende om het door hem nagelaten tekort aan koloniale munt aantezuiveren of de door hem gedane en niet in rekening gebrachte uitgaven te bewijzen.

De Directeur voor de Administratie wordt gevraagd hier een rapport over te schrijven. Dat rapport ligt er op 31 januari 1832 N8, invnr 396. Dan schrijft de permanente commissie

xxx


De gruwelijke ervaringen van employés met koloniale munt. Deel 4: Paulus van der Wal, adjunct-directeur van de Ommerschans 1829-1831

Paulus van der Wal is een sollicitant van buitenaf (Leidsendam). Hij wordt op 1 april 1829 aangesteld als nieuwe adjunct-directeur met een proeftijd van zes maanden. Zie het besluit van de permanente commissie op deze pagina.

Invnr 96 de scans 354-355 geeft een overzicht welke immense administratie er op 1 april 1829 door Harloff wordt overgedragen aan Van der Wal.

Op 24 december 1830 neemt de directeur der koloniën alle oude munten op de Ommerschans in en brengt hij nieuwe koloniale munt in omloop. Hij doet daarvan verslag in een brief op 27 december 1830.

Dat verslag staat op de agenda van de permanente commissie van 11 januari 1831 N19, invnr 384. Dan wordt besloten rapporten te vragen van de Directeur voor de Administratie en de Inspecteur der Koloniën.
Die gaan blijkbaar samenwerken want op 31 januari 1831 N2, invnr 384 is sprake van een gezamenlijk rapport van die twee.

Aan de hand van dat rapport, dat zelf niet bewaard is gebleven, schrijft de permanente commissie dan aan de directeur:

Bij brief van den 27 Dec ll N1441 heeft UwEd ons verslag gegeven van de intrekking van het oude koloniale geld te Ommerschans en het in omloop brengen der nieuwe munt aldaar.

In antwoord daarop hebben wij de eer UwEd te kennen te geven dat wij ons met de daarbij voorgestelde wijze van boekingen zeer wel kunnen vereenigen, zullende het ons voorts aangenaam zijn, door UwEd nader te worden ingelicht omtrent het in de kas van den Adjunct Directeur Van der Wal bevonden tekort van ƒ 514,71 aan koloniale munt, terwijl wij UwEd verzoeken deze ambtenaar uittenoodigen om zich deswege te verantwoorden.

Voorloopig kan UwEd overigens de oude munt onder UwEd bewaaring houden en de koperen munt, die nog daar bij bevindtvolgens UwEd voorstel, voor oud koper doen verkoopen, ter goedmaking van de vervaardigings kosten der nieuwe munt.

Eerst het laatste punt: daar gaat alles wat het hartje van verzamelaars begeert de oven in. Dit verklaart waarom er van de tot en met 1830 op de Ommerschans gebruikte koperen munten zo weinig is bewaard gebleven.

Wat de tweede alinea betreft: blijkbaar is er door de directeur minder oud koper-, papier- en ijzergeld ingenomen dan er volgens de rapportschrijvers zou moeten zijn. Ingenomen is ƒ 1782.25½. Tellen we het genoemde tekort van ƒ 514,71 daarbij op, dan zou er volgens de rapportschrijvers aan papiergeld, kopergeld en ijzergeld moeten zijn ƒ 2323.96½.

Let wel: dit is volgens de rapportschrijvers. De directeur had in zijn brief van 27 december GEEN melding gemaakt van een tekort. Blijkbaar zeggen de in Den Haag voorhanden cijfers iets anders.

ENORM VERSLAG

Op 18 februari 1831 doet de directeur in een brief met nummer N248, invnr 111 scans 607-610, verslag van zijn bezoek aan de Ommerschans. Het gaat voor een deel over het tekort in de kas van de adjunct-directeur, die een familiebijeenkomst wil beleggen om dat terug te betalen, maar dat gaat om gewoon geld. Over koloniaal geld schrijft de directeur:

De uitslag van mijn onderzoek omtrent het tekort in de kas van koloniale munt van den Adjunct-Directeur, heb ik in een afzonderlijken brief aan UwEdG opgevat.

Die afzonderlijke brief heeft nummer N249, is van 19 februari 1831, en is invnr 111 de scan 617-621.

Bij Uwed missive van 31 January jl No 2, had ik de eer te worden uitgenodigd, om nadere inlichting te geven aangaande het te kort in de kas van Koloniale munt des Adjunct–directeurs, van der Wal, bevonden bij de verwisseling dier munt op den 24 Dec. Jl. Ik laat daartoe de volgende aanmerkingen volgen:

1. Volgens de nota, ontvangen bij Uwed missive van 13 Dec. Jl N3, is bij de optreding van den heer van der Wal den 31 Maart 1829, door denzelfden van zijnen voorganger te veel overgenomen ƒ 1132,93. Terwijl hij in het geheel heeft ingenomen ƒ 1323,38½.
Alzo moet het eigenlijk saldo van de Rekening-Courant des voormaligen Adjunct–Directeurs hebben bedragen ƒ 190,43½.
Ofschoon ik wel geloof, dat zulks behoorlijk zal zijn geconstateerd, heb ik echter gemeend, deze aanmerking te moeten laten voorafgaan, omdat ik mij daarvan geen blijk heb kunnen verschaffen.

2. Of niet echter de som van ƒ 1323,38½ door den Heer van der Wal is overgenomen geworden is te betwijfelen aangezien eenige zakken en tonnetjes brokken van Koloniale munt bij de overdragt der administratie niet hebben kunnen worden geteld of nauwkeurig zijn gewaardeerd, maar slecht voor eene aangenomene begrootte waarde zijn overgenomen.
Evenmin is die massa stukken bij de opname der kas op ult. December 1829 nader gewaardeerd.
Het blijft derhalve de vraag of die schatting overeenkomt met de wijze waarop ik, bij de verwisseling der Coloniale munt, die partij stukken zo goed mogelijk heb geschift en geteld, dat dus ligtelijk ƒ 50 of meer kan verschillen op de som van ƒ 134,29 waarvoor ik deze stukken heb ingenomen en die ligtelijk, om derzelve groote massa, voor van een grooter bedrag hebben kunnen worden aangezien.

3. Het schijnt zonderling, dat de kas des Adj–Directs op ult December 1829 bevonden is juist zoo veel te bedragen als door hem bij zijne in dienst treding was overgenomen, namelijk ƒ 1323,38½ niettegenstaande het saldo zijner rekening–Courant gedurende die maanden met ƒ 713,93 ½ is geklommen, blijkens de hiervoor bedoelde nota.
De reden daarvan is, dat tusschen de adjunct–directeur en de onder directeurs geen enkel stuk Coloniale munt gewisseld is.
Bij den Onder–Directeur binnen, namelijk, was een gedeelte van de kas des Adjunct–Directeurs, ter somma van zes honderd gulden gedeponeerd, ter vermijding van de moeite van overbrenging telkens van Coloniale munt van den Adjunct directeur naar den onder directeur en omgekeerd, welke handelwijze reeds vóór de komst des Heeren van der Wal plaats had en heeft voortgeduurd tot niet lang na de opneming zijner kas op ult dec 1829, en dus ook onder goedkeuring van den toenmaligen Adjunct-directeur voor de administratie en den Directeur scheen te geschieden, alzoo bij de overdragt der Administratie aan den Heer van der Wal door die heren, even als bij de opneming der kas op ult dec 1829, het bedoelde gedeelte van dezelve (het depôt) van den onder - directeur naar den Adjunct–directeur is overgebragt geworden, om in die operatie te worden begrepen.

4. Bij zulk een handelwijze kon de zaak ook wel goed zijn blijven loopen, mits de Adjunct directeur zich maar telkens had verzekerd, dat het depôt zijner kas bij den Onder–directeur aangroeide naar gelang het saldo zijner rekening – courant vermeerderde, met andere woorden, mits dat hij zijne kas, die inderdaad door den onder–directeur geadministreerd werd, telkens maar behoorlijk had opgenoomen.

5. De Adjunct–directeur, aanvankelijk niet bevat hebbende, voor zijne Coloniale munt–kas, even als voor zijne geldelijke, verantwoordelijk te wezen,  niettegenstaande door hem geen enkel stuk Coloniale munt verhandeld werd, en die kas in het wezen der zaak, volgens het bestaande en bekende gebruik, door den onderdirecteur binnen gehouden werd, heeft zich hiervoor niet bekommerd, vóór dat hem bij de opneming zijner kas op ulto dec 1829 onder de aandacht gebragt is, dat hij zooveel te min in kas had, als het saldo zijner rekening meerder aanwees dan bij zijne in diensttreding,  waaromtrent hij nu zoo min als toen iets meer te zijner verantwoording kan bijbrengen dan dat hij de zaak niet heeft begrepen, althans bij de opgenoemde wijze van handelen, niet heeft kunnen denken verantwoordelijk te zijn voor de Coloniale munt, die niet door zijne handen ging, en wegens het boeken van posten op zijne rekening, die behoorlijk werden geverifieerd.

6. De onder-directeur binnen gaf op zekeren avond, in den winter van 1829 op 1830, toen door den Heer Inspecteur, mij, den Adjunct–directeur, en den Onder–directeur, hierover, te Ommerschans, breedvoerig gesproken werd, eveneens te kennen, de zaak niet te verstaan, en het te kort bij den Heer van der Wal niet te kunnen aanvullen, aangezien zijne kas, met het bewuste gedeelte van die des Adjunct–directeur doorgaande op dezelfde hoogte bleef, en men meende alzoo, gezamenlijk dat het te kort aan foutive boekingen ware toeteschrijven.
Ik meen mij zelfs te herinneren, dat er naderhand werkelijk verkeerde boekingen gevonden zijn, welke hierop van invloed waren, doch die het bestaande te kort zeker niet geheel moeten hebben kunnen wegnemen.

7. De boekhouder binnen alleen egter bragt den Adjunct–Directeur zijn vermoeden onder het oog, hierin bestaande dat de winkelier meer scheen af te dragen aan den onder–directeur dan waarvoor deze werkelijk coloniale munt ontving waarin hij versterkt was geworden naardien hem de, als afdragt van den winkelier te boeken som, door den onder-directeur steeds werd opgegeven zonder dat hij immer de werkelijk afgedragen som Coloniale munt te zien kreeg, als bij welke afrekening hij zorgvuldig scheen geweerd te worden. –
Daarop zijn van tijd tot tijd de slinksche en ontrouwe handelingen van den onder–directeur binnen ontdekt geworden, met betrekking tot het koffijhuisje, het winkeltarief, het ongeoorloofd gebruik maken van den winkel, en meer andere, hetgeen, bij mij althans, geen der minsten twijfel overlaat of deze zijn de eenige ware oorzaken van het te kort in de door den onder-directeur binnen geadministreerde kas des adjunct–directeurs.

8. Zoo behoort dan ook, naar mijn gevoelen, inderdaad, door den onder - directeur binnen aan den adjunct-directeur te worden vergoed zooveel Coloniale munt, als het saldo van den rekening van den laatste meer bedroeg op het tijdstip waarop de geleende som is teruggegeven en daarmede als het ware, het beheer der kas onder den regten persoon is teruggekomen, dan op 31 maart 1829.

9. Wat de oorzaak is, dat, bij de verwisseling der Coloniale munt op 24 dec jl slechts ƒ 514,71 aan de kas is te kort gekomen, terwijl het ontbrekende op ult dec 1829 ƒ 711,91½ makende een verschil van ƒ 197,20½ beliep, is nog onbekend.
Egter moet de som van ƒ 514,71 door de bijwerking van de comptabiliteit nog gejustificeerd worden. –
Ook zou het omgekeerde van hetgeen ik bij art 2 als mogelijk stelde kunnen hebben plaats gehad, dat namelijk de door de Heer van der Wal overgenomen hoeveelheid brokken van Coloniale munt volgens de telling bij de verwisseling van een grotere waarde bevonden was dan waarvoor ze hem is toegerekend geworden.

10. Eindelijk zou het onderhavige te kort slechts zijn het ontbrekende aan een bij de in dienst treding van den Heer van der Wal bevonden te veel in de kas zijns voorgangers, dat echter niets afdoet op het werkelijk verlies, hetwelk de Maatschappij hieruit schijnt te zullen ondergaan, doch dat tot regt verstand der zaak niet geheel overtollig is op te merken.

Ik weet niet of de bevonden oorzaak van het teveel in de kas des voormaligen adjunct–directeur bij deszelfs aftreding Uwed reeds bekend is; daarom wil ik hier nog bijvoegen dat dezelve welligt daarin gelegen is, dat die ambtenaar zelf coloniale munt heeft doen aanmaken en in omloop gebragt, zonder daarmee zijne rekening te hebben belast, of wel op dezelve eene som, als buiten omloop gebragt, heeft afgeschreven zonder dat dezelve is ingenomen geworden.

Van belang zou het daarom zijn te kennen de posten van het in ontvang nemen en in uitgaaf stellen van Coloniale munt door de voormalige twee adjunct directeurs, hetgeen ik dan ook reeds zou hebben onderzocht, bij aldien de rekeningen – courant dier ambtenaren te Ommerschans niet geheel ontbraken.

De Directeur der Koloniën J. van Konijnenburg

EEN KLEINE EXEGESE

Paulus van der Wal heeft zich de eerste tijd na zijn aantreden helemaal niet bemoeid met koloniale munt, maar dat helemaal overgelaten aan zijn onderdirecteur-binnen, Jan Frederiks. Dat scheelt ook een boel rompslomp: in andere gestichten gaat er voortdurend koloniaal geld heen en terug van de adjunct- naar de onderdirecteur en vice versa en dat is zinloos papierwerk.

In dit geval echter zou de onderdirecteur zich aan 'slinksche en ontrouwe handelingen' hebben schuldig gemaakt. Bij puntje 7 zegt de directeur er niet aan te twijfelen dat dat de oorzaak is van het tekort.

Bij puntje 10 haalt hij die conclusie echter weer onderuit door te stellen dat het allemaal komt door de voorgaande adjunct-directeurs (Von Hoff en Harloff). Daarmee pleit hij Van der Wal vrij. Die mag als adjunct-directeur dan formeel verantwoordelijk zijn voor wat zijn onderdirecteur doet, maar kan natuurlijk niet verantwoordelijk gehouden worden voor de handelingen van voorgaande adjunct-directeurs.

AFLOOP

De kwestie Van der Wal verder in vogelvlucht:
● 25 januari 1831 N23, invnr 384, de permanente commissie schrijft de directeur dat hij Van de Wal moet aanzeggen dat die tegen 15 of 20 februari zijn tekort moet dekken;
● 26 februari 1831 N15, invnr 385, de permanente commissie schrijft de directeur dat hij Van der Wal zo spoedig mogelijk verlof moet geven (dat is natuurlijk opdat Van der Wal met zijn familie in beraad kan over de schuld);
● 29 maart 1831, invnr 112 scans 471-472, de directeur schrijft in een brief met nummer N503 dat Van de Wal terug is en dat hij de schuld van ƒ 1193.09½ niet kan betalen (blijkbaar is de familieraad niet bereid te dokken);
● 2 april 1831 N2a, invnr 387, de permanente commissie houdt dit in advies;
● 8 april 1831, invnr 113 scans 153-155, Van der Wal schrijft aan de permanente commissie, 'houdende propositie tot afdoening van het tekort in zijne kas';
● 11 april 1831 N1, invnr 387, de permanente commissie schrijft de directeur dat Van der Wal voor 15 april moet betalen en anders moet worden ontslagen;
● 22 april 1831 N12, invnr 387, de permanente commissie schrijft de directeur dat hij een voorstel moet doen voor de vervanging van Van der Wal als adjunct-directeur;
● 25 april 1831, invnr 113 scans 440-442, de directeur schrijft in een brief met nummer N694 dat het tekort nu is 1187,59 zilver en 497,33 koloniale munt is plus 300 door zekere Van Deventer te Zwolle wederrechtelijk ingehouden, hij vraagt toestemming ze allebei gerechtelijk te vervolgen;
● 5 mei 1831 N1, invnr 388, de permanente commissie laat de directeur weten dat ze accoord gaat met zijn voorstel;
● 10 mei 1831 N2, invnr 388, de permanente commissie geeft het proces verbaal en bijlagen van de overdracht van Van der Wal aan de directeur der administratie;
● 14 mei 1831 N20, invnr 388, de brief van Van der Wal van 8 april wordt voor kennisgeving aangenomen.
● Paulus van der Wal verlaat volgens het personeelsoverzicht 1832, invnr 1007, op 9 juli 1831 zijn functie;
● 6 september 1831 N40, invnr 392, de permanente commissie neemt de brief van de directeur van 19 februari 1831 voor notificatie aan.

De uiteindelijk afhandeling zal te vinden zijn in de dossiers van de rechtbank te Deventer, waar de Ommerschans onder valt.