Naar het overzicht
van de MUNT-pagina's





Het geld van het bedelaarsgesticht op de Ommerschans: de officiële regelingen en de 'lootjes' die aangeven hoeveel werk iemand op een dag verricht heeft

In 1822 begint de Maatschappij van Weldadigheid met de opvang van bedelaars op de verlaten vesting de Ommerschans in de buurt van Ommen. In het voorjaar en de zomer wordt een groot gesticht gebouwd voor 1.000 à 1.200 bedelaars en vanaf september 1822 wordt het gebouw in gebruik genomen.

De organisatie van de door de bedelaarkolonisten verrichte arbeid en de betaling ervoor worden geregeld in het door Johannes van den Bosch geschreven 'Reglement voor de Komptabiliteit van het Bedelaars Etablissement, zoo in als buiten de Ommerschans'. Het reglement wordt op 25 oktober 1822 door de permanente commissie bekrachtigd, maar vóór die tijd zijn er al enkele concepten in omloop en Johannes van den Bosch kennende, is het al in werking getreden op het moment dat de eerste bedelaars arriveren, in september 1822.

De volledige tekst van het reglement staat hier. Er is sprake van 'lootjes' en 'kaartjes'.

LOOTJES

Artikel 5 luidt: 'Alle betaling geschiedt in lootjes van vijf, van één en van halve centen.' Die lootjes moeten aan het eind van de week door de bedelaars worden ingeleverd bij hun zaalopziener en die noteert op een staat hoeveel iedereen verdiend heeft.

De lootjes geeft de zaalopziener af aan de onderdirecteur en die brengt ze weer in circulatie door ze te verdelen onder de employés die opzicht houden over het werk. De lootjes zijn dus GEEN betaalmiddel, ze dienen alleen om te registreren hoeveel werk iemand verricht heeft.

KAARTJES

Artikel 8 bepaalt dat een deel van wat een bedelaar meer verdient dan hij of zij kost, wordt uitbetaald in 'kaartjes, gangbaar bij den winkelier tot de aankoop van brood, boter &c'. Meer informatie over die winkelkaartjes staat op deze pagina.

Al met al is daarmee contant geld geheel uit het bedelaarsetablissement verdwenen. Dat krijgt de bedelaar pas weer te zien als hij vertrekt wanneer hij een deel van zijn oververdienste meekrijgt als startkapitaal in de gewone maatschappij. Alleen de employés van de Maatschappij die op de Ommerschans werken, krijgen in gewone Rijksmunt betaald.

LOOTJES OF MARKEN

Als de hoogste gezagsdrager op de Ommerschans, adjunct-directeur Georg Hoff, aan het ministerie van Binnenlandse Zaken schriftelijk uitlegt hoe het bedelaarsgesticht functioneert, 8 juli 1823, invnr 66 de scans 93-94, schrijft hij:

Alle avonden worden door ieder zaalopziener de door de kolonisten verdien­denden en aan hen, het zij in het veld door de wijkmeesters, het zij in de fabriek door den Onder Direkteur van dezelve, het zij bij den Onder Direkteur der Schans uitbetaalden marken ingenomen en het bedragen in de werksta­ten bij hunne namen genoteerd.

Met 'marken' zal de uit Duitsland afkomstige Hoff lootjes bedoelen. In afwijking van het reglement worden die dus dagelijks en niet wekelijks ingenomen.

THEORIËN OVER DE BLIKKEN MUNTEN

Er zijn uit de beginperiode van de Ommerschans munten van drie materialen teruggevonden: van roodkoper, van ijzer en van blik. Er staat nergens in het archief dat die van blik de lootjes zijn. De enige reden dat we dat denken is een brief van de directeur der koloniën dd 27 december 1830, invnr 110 de scans 677 tot en met 681. De volledige tekst van die brief staat onderaan deze pagina.

Hij beschrijft welke betaalmiddelen er in omloop zijn op de Ommerschans en noemt daarbij wel de koperen en ijzeren munten, maar NIET de blikken munten. Daarvoor zijn twee mogelijkheden:
1 Of de blikken munten zijn eerder uit de roulatie genomen en vervangen door koper en ijzer. Dit is de theorie van het Handboek van de Nederlandse munten van 1795 tot 1975, door J. Schulman, Amsterdam 1975. Daarin staat dat eerst met de blikken munten wordt betaald, maar dat die 'vrij spoedig' worden vervangen door de koperen en ijzeren munten.
2 Of de blikken munten horen niet tot de betaalmiddelen maar zijn de lootjes. Dat is onze theorie.

DE WAARDEN VAN DE BLIKKEN SERIE

Volgens he hiervoor genoemde Handboek bestaat de blikken serie uit zes munten,  die in het Handboek de nummers 383 tot en met 388 hebben, met de waarden van
▪ ½ cent,
▪ 1 cent,
▪ 5 cent,
▪ 10 cent, 
▪ 25 cent, en
▪ 50 cent.
Maar er is in ieder geval ook een munt van 100 cent.

VAN GELDER

Het Rijksmuseum blijkt de hele serie te hebben, voor een groot gedeelte dubbel, allemaal in 1885 verkregen uit een schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff. Voluit heet zij Jeanette Marie Nijhoff en zij is op 23 april 1863, 28 jaar oud, te Rheden getrouwd met de weduwnaar Pieter Hendrik van Gelder, geboren 1 juni 1822 te Wormerveer.

Pieter Hendrik van Gelder is lid van de familie Van Gelder die een papierfabriek in Wormerveer heeft en werkt zelf ook lang bij dat bedrijf. Een genealogie, zie hier, meldt over hem: 'Sinds 1860 woonachtig te Velp in huize "Staffa", waar hij zich aan zijn penningen- en muntenverzameling wijdde.' Hij overlijdt 1883 en twee jaar later schenkt zijn weduwe de munten aan het Rijksmuseum.

Er valt te achterhalen hoe de munten in het bezit van de familie Van Gelder zijn gekomen.

VERZAMELAARS ZAANDAM-1

Op 27 februari 1828 schrijft de subcommissie van weldadigheid te Zaandam aan de permanente commissie, invnr 89 scans 642-644:

Voor de Heeren van Orden, van Gelder en door nog eenen anderen liefhebber en verzamelaar van munten is de ondergeteekende verzocht zich bij UWelE te informeeren, of zij niet elk voor zich voor hunne kabinetten tegen restitutie der waarde een compleet stel der munten, die in de kolonien in gebruik zijn, zoude kunnen verkrijgen.
Grotelijks zoude UWelE mij alzoo door de toezending of door eene opgave van de wijze, op welke dezelve te verkrijgen zoude zijn, verpligten.

De eerste genoemde is de numismaat Gerrit van Orden (1774-1854), de tweede zal zijn Pieter Smidt van Gelder (1762 Ouddorp - 1842 Zaandam), de grootvader van Pieter Hendrik, en oprichter van de papierfabriek.

De permanente commissie bespreekt deze brief op 15 maart 1828 bij de agendapunten 8 en 2, invnr 40. Dat hebben we niet gezien, maar daar zal in staan dat ze de directeur vragen koloniale munten te verzamelen. Die directeur stuurt op 27 maart 1828, invnr 90 scans 710-711, verschillende zaken naar de permanente commissie, waaronder:

de gevraagde koloniale munt volgens nota daar bij gevoegd.

VERZAMELAARS ZAANDAM-2

De genoemde nota zit er niet bij. Helaas, want die zou uitsluitsel kunnen geven over de waarden van de in de kolonie gebruikte munten. We zouden nog eens door invnr 90 kunnen bladeren...
De permanente commissie bespreekt dit op 2 april 1828 bij agendapunt 82, invnr 40, en besluit:

Van de koloniale munt drie zoo volledig mogelijke stellen aan de subk. te Zaandam zenden, in antwoord op missive N261.

De permanente commissie schrijft aan Zaandam op 8 april 1828 een brief (met daarbij de munten) met nummer N357, invnr 361. Daarin:

Eindelijk ontvangt UwEd hiernevens, ten geschenke voor de bedoelde Heeren, drie stellen koloniale munt en papieren geld, voor zoo verre die namelijk in dezen ogenblik compleet hebben kunnen worden ge??, volgens eene daarvan hierbij gevoegde nota.

En weer zit de nota er niet bij. Daarna volgen passages die zijn doorgestreept en dus niet in de uiteindelijke brief aan Zaandam zijn terechtgekomen, maar die wel over de munten gaan:

De ongelijkheid en mindere doelmatigheid van sommige stukken, een gevolg van de nieuwheid der zaak en opvolgende invoering dezer munt, maken dezelve voor de belanghebbende zeker minder aanzienlijk, waarom wij met de toezending liever gewacht hadden tot na de op handen vernieuwing van de gebrekkige soorten.
Intusschen hebben wij reeds zoo veel mogelijk aan Uw verlangen willen voldoen.

Daarop schrijft de subcommissie van weldadigheid te Zaandam op 5 mei 1828, invnr 91 scans 36-37:

Wij nemen deze gelegenheid waar om UwelEd onzen dank te betuigen, ook namens die Heeren, aan welke wij de munten ter hand gesteld hebben, voor het geschenk en de toezending van dezelve.

AFBEELDINGEN

Hieronder de afbeeldingen, met daarbij de volgende opmerkingen:

● Alle munten zijn dus van blik, sommige zijn voorzien van een laagje tin, zodat ze een lichtere kleur hebben, andere niet. Op de site van het Rijksmuseum wordt geschreven dat ze zijn 'verzilverd', maar dat is onwaarschijnlijk, het zal tin zijn.

● Ik zie geen verband tussen waarden en al of niet van een laagje tin voorzien. Voor de afbeeldingen heb ik die met een laagje tin genomen, dat staat mooier.

● Ze zijn allemaal gemaakt door 'slaan', wat in vakkringen 'geklopt' schijnt te worden genoemd. Gewoon met een stempel een harde klap geven op een blanco munt en dan is aan de ene kant bijvoorbeeld '2 c' als verhoging te zien en aan de andere kant '2 c' als verdieping. Gevolg van die techniek is wel dat munten nogal van elkaar kunnen verschillen.

● Volgens het Handboek zouden ze in de koloniën zelf vervaardigd zijn, maar dat is onwaarschijnlijk. Er is nergens in het archief enige aantekening te vinden over het slaan van blikken munten door bedelaarskolonisten, terwijl verder elke werkactiviteit nauwkeurig geregistreerd is.

● Er zijn onderlinge verschillen tussen de munten, zo hebben sommige een parelrand en andere niet. Mogelijk geeft dat het verschil aan tussen lootjes voor het landwerk en lootjes voor ander werk, maar dat is slechts een veronderstelling.

● Ik heb NIET de hele collectie van het Rijksmuseum doorgekeken, ik heb alleen gebruik gemaakt van de verzameling die Wiebe Nijlunsing eerder had aangelegd, dus de opsomming van objectnummers hieronder kan niet helemaal volledig zijn, de tussenliggende nummers kunnen ook over deze serie gaan. Ik doe ze van klein naar groot, met erbij de informatie van het Rijksmuseum:

WAARDE ½ CENT

Objectnummer NG-VG-19-286, diameter 3,4 cm, gewicht 2,92 gram, vertind, ook NG-VG-19-285 (diameter 3,6 cm, gewicht 34 gram, wat waarschijnlijk 3,4 gram moet zijn, niet vertind) en NG-VG-19-287 (diameter 3,8 cm, gewicht 2,86 gram, vertind).

WAARDE ½ CENT ANDERE SOORT

Er is ook een blikken munt van een ½ cent waarbij de '1' en de '2' schuiner onder elkaar staan. Daarvan beeld ik de niet vertinde af omdat de vertinde een beetje veel op een munt van 2 cent lijkt. Objectnummer NG-VG-19-289, diameter 2,1 cm, gewicht 0,86 gram, niet vertind, ook NG-VG-19-288 (diameter 2,4 cm, gewicht 1,39 gram, vertind).

WAARDE 1 CENT

Objectnummer NG-VG-19-276, diameter 3,1 cm, gewicht 2,42 gram, vertind, ook NG-VG-19-273 (diameter 3,6 cm, gewicht 2,94 gram, niet vertind), NG-VG-19-274 (diameter 2,8 cm, gewicht 1,56 gram, niet vertind), NG-VG-19-275 (diameter 3,1 cm, gewicht 2,15 gram. vertind) en NG-VG-19-277 (diameter 3 cm, gewicht 2,41 gram, vertind).


WAARDE 5 CENT

Objectnummer NG-VG-19-265, diameter 4,2 cm  (niet geheel rond: aan linkerzijde stuk afgeneden), gewicht 3,39 gram, vertind, ook NG-VG-19-262 (niet geheel rond, diameter 2,9 à 3 cm, gewicht 1,56 gram, niet vertind), NG-VG-19-264 (diameter 5,5, gewicht 2,62 gram, vertind) en NG-VG-19-263 (diameter 3,5 cm, gewicht 2,42 gram, vertind).

WAARDE 5 CENT ANDERE SOORT

Er is ook een blikken munt van 5 cent met een ander uiterlijk. De '5' is daar kleiner en staat onder twee merktekens. Objectnummer NG-VG-19-266, diameter 4,2 cm, gewicht 3,39 gram, niet vertind, ook NG-VG-19-267 (diameter 4,1 cm, gewicht 33 gram, wat waarschijnlijk 3,3 gram zal moeten zijn, niet vertind).

WAARDE 10 CENT

Objectnummer NG-VG-19-255, diameter 3,6 cm, gewicht 2,45 gram, vertind, ook NG-VG-19-252 (diameter 3,9 cm, gewicht 31 gram, wat waarschijnlijk 3,1 gram zal zijn, vertind), NG-VG-19-253 (diameter 3,6 cm, gewicht 2,48 gram, niet vertind), NG-VG-19-254 (diameter 3,7 cm, gewicht 2,51 gram, vertind),  en NG-VG-19-256 (diameter 3,6 cm, gewicht 2,36 gram, vertind).

WAARDE 25 CENT

Objectnummer NG-VG-19-246, diameter 4,8 cm, gewicht 4,54 gram, vertind. Andere exemplaren NG-VG-19-247 (diameter 4,5 cm, gewicht 3,92 gram, niet vertind), NG-VG-19-248 (diameter 4,9 cm, gewicht 4,42 gram, vertind), NG-VG-19-249 (diameter 4,6 cm, gewicht 3,93 gram, niet vertind) en NG-VG-19-250 (diameter 4,8 cm, gewicht 4,74 gram, vertind).

WAARDE 50 CENT

Objectnummer NG-VG-19-241, diameter 5,8 cm, gewicht 5,45 gram, niet vertind. Deze heeft twee merktekens boven de waardeaanduiding.

ER IS NOG EEN BLIKKEN MUNT

De hiervoor genoemde diameters en gewichten schelen natuurlijk per munt, maar de munt van 25 cent is wel aanmerkelijk groter en zwaarder dan die van lagere waarden en die van 50 cent steekt daar weer een stuk bovenuit.

Dat verschil geldt ook voor nog een blikken munt in de collectie van het Rijksmuseum. Deze wordt niet vermeld in het genoemde Handboek, maar volgens mij hoort die wel bij deze serie, want verder is er nooit sprake van munten van blik.

WAARDE 100 CENT

Objectnummer NG-VG-19-240, diameter 5,7 cm, gewicht 5,85 gram, niet vertind. De waardeaanduiding staat boven een merkteken en tussen de verticaal geplaatste letters 'O' en 'S'.

NOG EEN KANDIDAAT-LOOTJE

Eerder op de pagina wordt al wat gefilosofeerd of dit misschien de lootjes zouden kunnen zijn die de bedelaars na hun werk ontvangen van de opzichter over de landarbeid of de opzichter over de fabrieksarbeid. Maar er is nog een kandidaat voor lootje.

Het Rijksmuseum heeft ook, uit dezelfde schenking als de muntjes hierboven, één rechthoekige munt met afgeschuinde hoeken, NG-VG-19-245, hoog 5,7 cm, breed 5,8 cm, gewicht 87 gram, met twee merktekens boven de waardeaanduiding '25'. Linksboven staat een 'O' en rechtsonder een 'S', dus hij komt zeker van de Ommerschans. Ook blik, ook geslagen. Zou dit het enige bewaard gebleven exemplaar zijn uit de serie lootjes?

OPGRAVINGEN OMMERSCHANS

Bij het archeologisch vooronderzoek van RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. bij de Ommerschans in 2010 is één munt gevonden die in de 'Vondstenlijst metaal detectieonderzoek' (nummer 29 op de lijst) wordt omschreven als 'van zilver' en dus tot deze serie zou kunnen behoren. Maar daar is ingeklopt 'OP' en daar kan ik geen soep van maken:

KOPER EN IJZER

Volgens onze theorie zijn de blikken munten dus geen betaalmiddel, in tegenstelling tot de munten van koper en ijzer. Over die series gaat het op deze pagina.