Rechtszaak Kniesenburg No 19: Requisitoir van den Officier tot verwijzing der zaak,
13 maart 1843


Drents Archief toegang 0106 invnr 49


REQUISITOIR

Pro Justitia
No. 19

De Officier van Justitie bij de ArrondissementsRegtbank te Assen;

Gezien de stukken en instructie der zaak tegen Johannes Hermanus Kniezenburg, oud 53 jaar, kolonist, geboren te Utrecht, laatst woonachtig in de kolonie Frederiksoord, gemeente Vledder, thans in hechtenis in de gevangenis van beklaagden te Assen, in gevolge bevel van gevangenneming door gemelden Regter tegen hem beklaagde uitgevaardigd den 10 February 1843;

Overwegende dat er voldoende bezwaren ter verdere vervolging aanwezig zijn dat de beklaagde op Vrijdag den derden February 1800 drie en veertig, des morgens omstreeks acht uur, den Heer Coenraad Hulst, adjunctdirecteur, in of nabij de schuur van deszelfs woning te Frederiksoord, gemeente Vledder, voorbedachtelijk heeft verwond en eene snede heeft toegebragt op den regterwang, lang vijf zes duim, diep een duim, verder eene snede op de linkerhand tusschen den voorsten vinger en den duim van en boven op de linkerhand, lang ongeveer vier nederlandsche duimen, en diep bijna een halve duim, eindelijk eene kneuzing op den duim der zelfde hand, zonder dat die verwondingen eene ziekte of beletsel van te werken gedurende meer dan twintig dagen bij den verwonde hebben veroorzaakt;

Overwegende dat dergelijke daadzaak bij de wet wordt verklaard te zijn wanbedrijf, strafbaar volgens artikels 1, 40, 311, vergeleken met 309 van het Wetboek van Strafregt met correctionele straffen;

Gezien artikel 114 en 118 van het Wetboek van Strafvordeing;

Requireert onder inlevering der stukken dat de Regtbank de zaal verwijze naar de correctionele teregtzitting, en gelast dat de beklaagde zal worden in hechtenis gehouden.

Assen 13 Maart 1843,
w.g.  Thuessink van der Hoop
subst.