Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:
Copie uit de notulen van het verhandelde in den kleinen raad der vrije kolonien, over de maand october 1828


Zaturdag den 4 october 1828

Verschenen voor den kleine raad:
1. Pompe, van kol 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Wassenaar.
2. Doodhagen, van kol 1, naar Zuid-Beijerland, beide om hunne femilies te bezoeken.
Is, om de drukte van het moment, eenigen tijd uitgesteld geworden.

3. Vrouw Dorenbosch, van kol 1, verlangende hare kinderen in Groningen te bezoeken, voor den tijd van 14 dagen, dat haar, onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur toegestaan is.
In de kantlijn: Is geapprobeerd door den Heer Direkteur der Kolonien.
.
4. Pieter Lederdorf, van kol 2, verzoekende nog eenige kleeding, vóór dat hij met zijn ontslag de kolonie verlaat.
Daar deze jongeling altoos bijzonder wel van kleeding voorzien is geweest, zal dit eerst onderzocht worden.
In de kantlijn: Is onderzocht en bevonden dat hij slechts een paar schoenen noodig had, hetwelk hem verstrekt is.

5. Geersema, onlangs met zijn huisgezin uit Amsterdam in kol 2 aangekomen, klagende dat hij steeds met zijne huisvrouw in onmin leefde, zoo zelfs dat die hem somtijds naar het leven stond.
Eenige leden van den raad meenden deze vrouw reeds als een zeer hard en onverstandig mensch te hebben leren kennen, waarom onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur der kolonien, besloten is, haar voor 6 dagen op te sluiten.

(get.) J.H. van Wolda secr.

Zaturdag den 11 october 1828

Compareerden voor de raad:
1. vrouw van der Wolde, van kol 1, verzoekende voor 14 dagen met verlof naar Groningen te gaan.
Is toegestaan onder nadere approbatie van den Heer Direkteur der kolonien.
In de kantlijn: Is door den Heer Dirkteur geapprobeerd.

2. vrouw Nienkemper, van kol 1, verzoekende de vrijheid om hare dochtertje Johanna, oud 14 jaren, als kindermeid te mogen laten dienen bij den Heer Hulst te Emmen, 10 uren van hier.
Is om de verheid van weg uitgesteld.

3. Hazeloop, van kol 1, te kennen gevende dat hij bij de laatste uitbetaling slechts 10 centen voor zijn huisgezin ontvangen had, waarmede hij zich niet kon redden.
Hazeloop is timmerman. De onderdirecteur van kol 2, zal trachten hem met het begin der volgende week, timmerwerk aan te besteden.
In de kantlijn: De Heer Direkteur verlangt dat onderzocht wordt, om welke redenen Hazeloop zoo weinig ontvangen heeft. Bij dat onderzoek is gebleken, dat hij geen timmerwerk gehad en geen landwerk verrigt heeft.

4. Prins, van kol 1, klagende dat hij nu sedert 5 maanden geene koe meer had – en, daar de subkommissie van Groningen hem dezen zomer het ontslag van de kolonie beloofd, maar niet gegeven had, hij ook niet voor turfbrand gezorgd en derhalve nu niets te branden had.
Deze koe is hem afgenomen, omdat dezelve, zoo als Faaken zegt, niet behoorlijk werd opgepast.
In geval hij niet ontslagen wordt, zal hem voor den winter eene koe en eenige turf verstrekt worden.

5. Harm Mooy, van kol 2, verzoekende om eenige tijd bij den kolonist van Puffelen als knecht te mogen dienen.
Bij meerderheid van stemmen is dit om de veelheid van werk in de wijk, uitgesteld geworden.

6. Poot, van kol 1, verzoekende eenige kleeding voor zijne kinderen.
Daar de opschrijving der kleeding in deze kolonie reeds begonnen is, zoo zal Poot daarmede wachten tot dat de kleeding wordt uitgegeven....

7. Hechtermans, van kol 1, verzoekende met verlof te gaan naar Maastricht, waar hij nog onafgedane zaken had.
Hierover zal men het oordeel van den Heer Direkteur vernemen, daar deze man slechts 3 weken hier is.
In de kantlijn: De Heer Direkteur is van gevoelen dat Hechtermans eerst duidelijk de noodzakelijkheid dier reis moet àantonen.

8. vrouw Bijsterveld, van kol 2, klagende over oneenigheid tuschen hare dochter en de opziener Stuiver.
De onderdirekteur Bosma, voorzitter van de raad van toezigt van kol 2, zegt, dat deze dochter van Bijsterveld, ofschoon voor den raad geroepen en niet verschenen, wegens hare opstand tegen den opziener, alreeds veroordeeld is, om twee nachten in de cachot te worden opgesloten.
De kleine raad is van gevoelen, dat aangezien de raad van toezigt hierover gezeten en besloten heeft, er door deze raad niet aan gedaan kan worden, als hebbende de kleine raad niets te zeggen over de raad van toezigt.

9. van der Walle, van kol 2, vragende om het geld, dat hij te Veenhuizen op het reservefonds had te goed gehouden, en zoo hij meent F 4,- bedraagt.
Er zal onderzocht worden hoeveel hij daar te goed heeft, en hem dan voor dat tegoedhebbende geld kleeding verstrekken.

(get.) J.H. van Wolda

Zaturdag den 18 october 1828

Verschenen voor de kleine raad:
1. Dirk Dijkshoord, van kol 1, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Delft, om zijne familie te bezoeken. en belangrijke familiezaken waar te nemen.
Dit verlofgaan is den zoon des vrijboers, onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur toegestaan.
In de kantlijn: Is door den Heer Direkteur der kolonien geapprobeerd.

2. Johanna Christina Emmers, van kol 2, verzoekende voor 14 dagen naar Den Haag te mogen gaan, om hare papieren te zoeken, die zij ter voltrekking van haar huwelijk noodig had. Zij was nu te weten gekomen, dat zij in de R.K. kerk gedoopt was.
Is uitgesteld, daar men gelooft dat zij die stukken, waarom reeds zoo vele moeite gedaan is, niet kan bekomen.
Notitie: Emmers trouwt met kolonist W de Vries

was getekend

Zaturdag den 25 october 1828

1. David Schouten, van kol 1, verzoekende heden over 14 dagen, voor 2 weken met verlof te mogen gaan naar Alkmaar, om zijne familie te bezoeken.
Is toegestaan, onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur der Kolonien.
In de kantlijn: Is door den Heer Direkteur der Kolonien geapprobeerd.

2. L. Loux, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Varen, prov. Gelderland.
Is eenigen tijd uitgesteld.
Notitie: Bedoeld wordt Leloux.

3. vrouw Bollen, van kol 1, verzoekende
a. eene tweede koe, daar zij eene had verloren, en de tegenwoordige geen melk gaf;
b. om wat meerder uitbetaling zoo lang zij de melk moest koopen.
De President heeft haar geantwoord, van in het een en ander zoo veel mogelijk te zullen voorzien.

4. vrouw Wels, van kol 3, klagende dat wijkmeester Koppe haar, gedurende haar verblijf in Willemsoord hard en onregt behandelde.
Deze zaak zal op dingsdag den 28 dezer onderzocht worden, door eene kommissie, bestaande uit de Heeren Bersma en Schurer en den secretaris Van Wolda.

5. vrouw Winkelhuis, van kol 1, te kennen gevende, dat haar man gisteren, met de bij haar ingedeelde weezen van Tholen oneenigheid had gehad, ten gevolge welke de eene was weggeloopen en zich begeven had bij den secretaris van dezen raad en den onderdirekteur Bosma, welke laatste hem, zoo als zij vandaag gehoord had, bij haren buurman Kampstra had geplaatst, verzoekende dit jongetje weer terug te mogen hebben.
Dit zal nader onderzocht en bepaald worden.

(get.) J.H. van Wolda

Dingsdag den 28 oktober 1828

De Kommissie laatstleden Zaturdag uit den kleinen Raad benoemd om het verschil bestaande tusschen den wijkmeester Koppe en de huisvrouw van Wels, te onderzoeken. Zich heden naar den Kolonie Willemsoord hebbende begeven, heeft aan hunne woningen het navolgende vernomen:

1. De wijkmeester Koppe zegt dat het onregt hetwelk vrouw Wels hem ten laste legt, bestaat in het onthouden van eenig brood, dat hij gedaan had op order van den Onderdirecteur Schuurer, omdat vrouw Wels haar jongens op zekeren zaturdag niet op het aardappelland had gezonden, dat vrouw Wels hem wijkmeester, in tegenwoordigheid van den Kolonist Taatgen, had uitgescholden voor al wat lelijk was, en daarop den man, Wels namelijk, was gekomen om zijne vrouw af te lossen en de zaak op te vatten. Deze had hem aangetast.

2. De Kolonist Taatgen, waarop beide partijen zich beroepen hebben, verklaart het volgende: vrouw Wels had in een buitengewoon hevige drift den wijkmeester gescholden en hem voor een slecht mensch uitgemaakt die hare kinderen het brood onthield enzovoort. Vervolgens had ook de wijkmeester haar gescholden en verweten dat zij in Holland hoer en in Veenhuizen opkoopster van kolonisten goederen geweest was enzovoort. Wels, niet verre vandaar aan de arbeid zijnde, was op het hooren van dat verschil dadelijk toegeloopen, had zijne vrouw met geweld naar huis gezonden en was bij den wijkmeester blijven staan. Koppe, nu de man voor zich hebbende, had zijne neus telkens tegen de neus van Wels gewreven, even of hij hem uitdaagde tot slaan, dat echter Wels niet gedaan had, maar door dat wrijven der neuzen was Wels ook eenigermate driftig geworden en had den wijkmeester bij zijnen kleederen genomen en van zich gestooten. Eindelijk, voegt Taatgen erbij, dat vrouw Wels schuld had met die wijkmeester en de wijkmeester wederom met Wels.

3. Wels was niet in huis, maar de vrouw die voor dat verschil onderhouden werd, en in dezen de voornaamste persoon was, verklaarde dat zij boos was geworden en dat de wijkmeester haar het brood had onthouden en den opziener niet.
    Haar beide zoontjes waren die zaterdagsmiddags te huis gebleven, om bij huis te werken en de opziener Smid had zijne twee zonen buiten de Kolonie bij de boeren laten gaan te aardappelen rooijen. Haar was daarop het brood onthouden en de opziener niet. Dit had haar in drift vervoerd. Overigens maande zij den wijkmeester en voorts allen die over haar gesteld waren, zoowel te Veenhuizen als hier, behoorlijk geeerbiedigd te hebben.
    Zoo ver het ingekomen berigt van een op den 19 dezer plaats gehad hebbend verschil, waaruit naar het oordeel der Kommissie geene onaangename gevolgen meer zullen voortvloeijen. Wels is, niet om dit verschil, maar met oogmerk om zijne huiselijke toestand te verbeteren,(tevoren was reeds dit plan beraamd) met zijne huisgezin overgeplaatst op een betere Hoeve in wijk 1, onder den wijkmeester De Nekker, ver genoeg van wijk 4 verwijderd.
    De opziener Smid, die veel aandeel in het verschil heeft, wordt van zijnen post ontzet, en een ander in zijnen plaats aangesteld. De Kommissie meent bij dit onderzoek opgemerkt te hebben , dat beide partijen over deze plaats gehad hebbende oneenigheid, alrede berouw hebben en niet gaarne zouden zien dat de eene voor de andere ongelukkig zoude worden, en verzoekt alzoo den Heer Direkteur der Kolonien en de Permanente Kommissie het daarvoor te willen houden, dat dit verschil is uit den weg geruimd.

De Kommissie tot het onderzoek voornoemd,
J.H. Van Wolda, secretaris.

Bijgeschreven: Goedgekeurd door de Permanente Kommissie van Weldadigheid den 25 November 1828 (artikel 29)