Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie uit de notulen van het verhandelde in den kleinen raad der vrije kolonien, juli 1827



Zaturdag den 7 juli 1827

Compareerden heden voor den kleinen raad en verzochten om voor 14 dagen met verlof te mogen gaan:

1. Vrouw Strau, van kol 3, naar Harlingen;

2. van Duren, van kol 2, naar Utrecht;

3. Lagerweij, van kol 2, naar Deventer;

4. Hendrik Kolder, en
5. Aaltje Abbenes, van kol 2, naar Texel;

6. Catharina Clinge, van kol 2, naar Rotterdam;

7. Jacobus Willemse, van kol 2, en
8. Frans Reiners, van kol 1, naar 's Gravenhage;

9. Jan Klasen Rootjes, van kol 3,
10. Uilke voor de Wind, en
11. Klaas Oosterbaan, van kol 2, naar Harlingen.

Deze kolonisten zijn van behoorlijke kleeding en het vereischte reisgeld voorzien, op hun burgerlijk gedrag valt niets aan te merken; redenen waarom hun het gevraagde verlofgaan, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, is toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is ook door den Heer Direkteur geaccordeerd.


12. Kornelis de Vries, van kol 3, verzoekende verlof voor zijne vrouw naar Purmerend.
De vrouw kan niet wel uit het huisgezin van de kinderen gemist worden, en maken algemeen geen goed gebruik van kerk & school. Is daarom uitgesteld.

13. Maarten van Wijck, van kol 1, naar Alkmaar;
14. Bernardus Kiens, van kol 1, insgelijks naar Alkmaar.
Deze jongelingen zullen wachten tot dat de aardappels schoon zullen zijn gemaakt.

15. Vrouw Hoffman, van kol 1, verzoekende verlof voor hare dochter Leentje, naar Amsterdam.
Deze vrouw is pas van Amsterdam terug gekomen, de dochter zal dus eenigen tijd wachten.

(was get.) M. Bersma
J H van Wolda, secr.


Zaturdag den 14 juli 1827

Verschenen heden voor den raad en verzochten om voor 14 dagen met verlof te mogen gaan:

1. Elsing, van kol 2, naar 's Hage;

2. Vrouw Mooi, id, naar Pekel Aa;

3. Van der Heyde, van kol 1, naar Leyden;

4. Vrouw Mulder, van kol 2, naar Haarlem;

5. Jan Koenen, van kol 1, naar Koog aan de Zaan;

6. Stijntje Sijmeer, van kol 3 naar St Janninga;

7. Klaver van kol 1, naar Harderwijk;

Deze lieden bezitten het benoodigde reisgeld en goede koloniale kleeding; ook hebben de weezen permissie van hunne subkommissie. Het verlofgaan is hun dus, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur toegestaan
.

8. Vrouw Jaspers, van kol 3, naar Leyden, om hare familie te bezoeken.
Hier wordt weinig verdiend, en doorgaans is het er niet zeer zindelijk in huis. De vrouw zal daarom eenigen tijd wachten.

9. Van Hal, van kol 2, naar Amsterdam en Rotterdam, om het te goed hebbende als militair in Spanje verdiend, te reclameeren ad f 244.
Men is van gedachten, dat de man dit ?? zoo goed door een deskundige beschreven, dan door hem bepraat worden kan. Is dus uitgesteld.

In de kantlijn bijgeschreven: Van Hal zich hierover bij den Heer Direkteur vervoegd en zijn belang ingebragt hebbende, heeft verlof bekomen.


10. Maria Reiners, en
11. Pietje Begeui, van kol 1 wijk 3, naar 's Gravenhage.
Er zijn thans nog eenige kolonisten met verlof naar Den Haag; deze moeten eerst wederom zijn geretourneerd; zoo lang wachten.

Verder geene kolonisten opkomende is deze geteekend.

(was get.) M. Bersma
J H van Wolda, secr.


Zaturdag den 21 juli 1827

Compareerden voor den raad en verzochten om voor 14 dagen met verlof te gaan, de navolgenden:

1. Gerritje Burghout, en hare zuster
2. Sysen Burghout, ingedeelde weezen in kol 1, naar Harlingen;

3. Hendricus Roelandschap, en
4. Martinus Roelandschap, ingedeelde weeezen in kol 1, wijk 3, naar Utrecht;

5. Albertus Jansen,
6. Jan Brem,
7. Hendrik Brummelink en
8. Everhard Roebers, ingedeelde weezen bij Bultman in kol 1, naar Zwoille.

Allen hebben ten oogmerk om de familie te bezoeken, en hebben reisgeld en kleeding. Het verlofgaan is hun onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, toegestaan.


9. Modderman, van kol 1, verlangende met verlof te gaan naar Zaandam, om zijne familie te bezoeken.
Deze is wees en heeft geen toestemming van de familie of kommissie, hij zal dat vooraf vragen.

10. Vrouw Sabelis, van kol 1 wijk 3, naar Haarlem.
Is goedgevonden, dit af te raden, en eenigen tijd uittestellen, omdat men niet bijzonder over dit huisgezin te vreden is.

11. Verhulst, van kol 3, zich beklagende, dat men het weesmeisje van hem afgenomen en bij eenen anderen ingedeeld had, daar zijne vrouw er zoo veel dienst van had genoten.
Hem is daarop ten antwoord gegeven, dat men dit had moeten doen, omdat het meisje doorgaans zoo slecht gekleed en naar haar zeggen niet wel behandeld was.

(was get.) M. Bersma
J H van Wolda, secr.


Zaturdag den 28 juli 1827

Verzochten heden, om voor 14 dagen met verlof te mogen gaan, de navolgende kolonisten:

1. Baade, van kol no 1, naar Amsterdam;

2. Vrouw IJdema, van kol no 1, naar Harlingen;

3. Vrouw den Ouden, van kol 3, naar Rotterdam;

4. Vrouw Raaphorst, van kol no 2, naar Amsterdam;

5. Jan Kaat, van kol 2,
6. Abram Laven, en
7. Martinus Leyte, van kol 1, alle drie naar Tholen. De subkommissie staat dat toe.

8. Maria Reijnders, en
9. Pietje Begui, ingedeelde weezen in kol 1, naar 's Hage;

10. Vrouw Sabelis, van kol 1, wijk 3, naar Haarmen,
alle te kennen gevende gaarne hunne familien te willen bezoeken, zijn van kleeding en het benoodigde reisgeld voorzien.
Onder nadere approbatie van den heer Direkteur, is hun dit verzoek vergund en toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is ook door den Heer Direkteur geaccordeerd.


Hierna heeft de raad in overweging genomen, dat het en voor sommige huisgezinnen en voor eenige weezen, belangrijk en zelfs noodzakelijk is geworden, dat de na te melden weezen verplaatst worden, als:

1. Nicolaas Sollie, thans ingedeeld bij van der Wulp, op hoef no 42 kol 1, te plaatsen bij de wed. Ditmar, hoef 78 kol 3.

2. Suzanna Horemans, ingedeeld geweest bij de nu vertrokkenen kolonist Blijdenstein, kol 2, te plaatsen bij de wed. Zwak, hoef 57 kol 3, in wier nabijheid ook hare zuster is.

3. Catharina Berenvanger, van Penningh, hoef no 3 kol 2, bij de wed den Held, hoef 47 kol no 1.

4. Christiaan Modderman, van Hensbergen, kol 1 bij den kolonist de Vos, op hoef no kol 1.

5. Corstianus van Straten, van den kolonist van Vliet, hoef no 18 kol 1, bij den huisverzorger Smit, hoef 11, kol 1.

6. Abraham Bolleman, van Kalbie, hoef no kol 2, te doen bij den huisverzorger Horst, kol 2 hoef 20.

7. Aaltje Abbenes, van de wed. Westhoff, hoef 19 kol 2, bij Mommers, hoef 18 kol 2.

8. Neeltje Heikamp, van Wiemes, hoef 57 kol 1, bij Kleinman, hoef 67 kol 1.

9. Johannes Zevering, geplaatst bij v.d. Hulst, op hoef 147 kol 3, te doen bij Jan Kist, hoef 13 kol 1.

10. Gijsbertus van Zuilekom, van de wed. Molebroek, hoef 88 kol 1, bij Bachius, hoef 7 kol 1.

11. Claudi Vermeulen, van kol 3 hoef 51, zijnde den huisverzorger Smit, te doen bij van der ley, hoef 18 kol 1.

12. Enne Ruurds Wijga, van Zeilmaker, hoef 40 kol 1, waar dezelve niet schijnt te passen, te plaatsen bij Winkelhuis, hoef 107 kol 1..

Eindelijk verzoekt nog de raad, dat de weezen van de huisverzorgster Trijntje Flap, anders genaamd de wed. Koster, op hoef 55, kol 3, verplaatst en ook de huisverzorgster zelve, welke tot dezen post volkomen ongeschikt is, bij anderen ingedeeld mogen worden, en wel op deze wijze
13. Hendrik van Assen,
14, Roelofjen Davel,
15. Dina Booij, en
16. de oude Trijntje Flap, moeder van de huisvrouw van Grunnekemeijer, te plaatsen bij den huisverzorger Grunnekemeijer op hoef no 59 kol 3, waar slechts twee weezen zijn, en

17. Kaspar Hoenhout, bij de huisverzorgster de wed. Sieuwers op hoef no kol 3, en eindelijk
18. Bartha Lodewijk, bij den huisverzorger Smit, kol 3 hoef 51.

In de kantlijn bijgeschreven: Deze wijze van indeelen is door den Heer Direkteur goedgekeurd.

In de kantlijn bijgeschreven: Goedgekeurd door de Perm. Komm. van Weld. den 30 Aug 1827, van Konijnenburg czn.

((NB: Diverse malen laat Van Wolda een hoevenummer weg, dan weet hij het blijkbaar even niet. Overigens zijn niet alle door hem genoteerde hoevenummers altijd correct.))

(was get.) M. Bersma
J H van Wolda, secr.


Voor copie conform
De secretaris van den kleinen raad
J.H. van Wolda