Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Brief van de kleine raad over kolonist van Dalen, mei 1827



Op heden den 26 mei 1827 is onder meer andere kolonisten, ook voor den kleinen raad verschenen de kolonist van Dalen van kolonie no 2, verzoekende om voor 4 weken met verlof te mogen gaan naar Sluis in Vlaanderen om zijne familie te bezoeken.

De leden van de raad maakten in dit verzoek zwarigheid
1e omdat de vrouw, bij de langdurige afwezendheid des mans, voor haar en hare vier kindertjes niet in staat was, het noodige tot voeding en kleeding te verdienen, en
2
omdat hij de 22e persoon was die verlof kwam vragen.

Nadat den man deze zwarigheden waren onder het oog gebragt, begon dezelve op eene buitengegewone wijze zijn stem te verheffen, en den raad, in tegenwoordigheid van vele aanwezende kolonisten, uit te maken, op eene wijze, alleen eenen brutalen van Dalen eigen, daar zoo iets nooit in den raad gehoord is.

Hoewel het niet mogelijk is, zijne gezegden van woord tot woord, en van drift tot drift op te geven, wagen wij het, den voornaamsten inhoud derzelve bijeen te zamelen, en aldus bij elkander te trekken.
“Als ik geen verlof kan krijgen, dan ga ik toch; hier is regt voor schelmen en gaauwdieven, maar voor geen eerlijk man. God verdommij, roep mij voor de permanente commissie, enz. enz. enz.”

De leden van den kleinen raad hebben deze uitdrukkingen moeten dulden, en hebben zich daartegen geenszins op eene onfatsoenlijke wijze aangekant, daar hier niets te doen was.

Zij zien echter, dat zij, op deze wijze voortgaande, bij de kolonisten hunne achting en vertrouwen zullen verliezen, nemen alzoo de vrijheid zich in dezen te wenden tot den Heer Direkteur der kolonien, met verzoek, hun regt te willen handhaven.

In de kantlijn bijgeschreven: De hierop gevolgde verwijzing naar de Ommerschans van van Dalen door den Heer Direkteur goedgekeurd, door de Perm Komm van Weldadigheid 29 july 1824 (moet natuurlijk zijn 1827), Van Konijnenburg, secr.


((NB: Van Dalen loopt 26 mei 1827 weg uit de kolonie en gaat vermoedelijk gewoon richting Sluis, om precies te zijn Catzand waar hij vandaan komt. Op 12 juni 1827 wordt hij opgepakt en overgebracht naar de strafkolonie op de Ommerschans waar hij tot 15 december 1827 wordt vastgehouden.))