Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Cope uit de notulen van het verhandelde bij de kleinen raad der kolonien, over de maand augustus 1826


Zaturdag den 5 augustus 1826

Verzochten om met verlof te mogen gaan de navolgende kolonisten:

1. Friso, van kol no 3, voor 8 dagen naar Niezijl, provincie Groningen;

2. Pieter Ponse, van kol no 3, voor 14 dagen naar Dordrecht;

3. Vrouw Mooij, van kol no 2, voor gelijken tijd naar de oude pekel aa, prov. Groningen;

4. Gabe Laan en
5. Elisabeth Akema, ingedeelde wezen van den huisverzorger Sieuwerts op kol no 3 hoef no 1, voor 14 dagen naar De Rijp;

6. Vrouw Steenmeijer, van kol no 3, naar Amsterdam, om haren broeder, op het punt staande van naar de Oost Indien te vertrekken, te zien en te spreken;

7. Janetje Lammers, en
8. Trijntje Schols, ingedeelde wezen bij de wed Kuijpers, kol 3, naar Groningen;

9. Anton de Lange, ingedeelde bij Leeuwe in kol no 3, met de twee vorigen naar Groningen;

10. Vrouw van Dijk, en
11. Vrouw Groenewoud, beide van kol no 3, voor 14 dagen naar Monnickendam.

Al deze opgenoemde kolonisten zijn van kleeding en reisgeld behoorlijk boorzien, en gedragen zich wel. De kleine raad der kolonien staat alzoo hun gevraagde verlof toe, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur.

In de kantlijn bijgeschreven: Door den Heer Direkteur geaccordeerd, onder voorwaarde dat de verlofgangers van kol 1 en 2 des zaturdags morgens bij hun vertrek, de verlofpassen van den Heer Direkteur zelf, en die van kol no 3 ten zelfde tijde van den adjunct-directeur Bersma, ten huize van de onderdirekteur aldaar, zullen moeten afhalen, ten einde naauwkeurig met den toestand der kleeding en reisgeld bekend te wezen.

12. Vrouw Wijhl, van kol no 1, voor 11 dagen naar Amsterdam.
Uit hoofde de vrouw niet wel uit het gezin gemist kan worden, zij zelve verleden jaar en haar man heden voorjaar derwaarts met verlof is geweest, niet toegestaan.

13. Vrouw Kruidhoed, van kol no 1, vraagt 14 dagen verlof voor hare dochter naar Amsterdam, alwaar de goederen van haren vader verkocht zouden worden.
Vrouw Kruidhoed is dit jaar zelve in Amsterdam geweest, de raad meent dit niet te mogen toestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: De Heer Direkteur conformeert zich in dezen met het gevoelen van den kleinen raad.

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr


Zaturdag den 12 augustus 1826

Heden verzochten om met verlof te mogen gaan, de navolgende kolonisten:

1. Sijtje Zwarteveen, ingedeelde wees bij Ebert in kol no 1, in gezelschap met anderen, voor 14 dagen naar Monnickendam;

2. Vrouw van Galen, als boven, van kol 3;

3. Vrouw Toepoel, van kol 2, voor 14 dagen naar 's Gravenhage.

Zijn van kleeding en reisgeld voorzien. Onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, is dit verzoek der opgemelde personen toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Insgelijks door den Heer Direkteur geaccordeerd.

4. Johan Godfried Kleijn, van kol 2, voor 14 dagen naar 's Hage;

5. Maria v.d. Wolk, ingedeelde wees bij Blokland, in kol no 2, naar Utrecht;

6. Hendrica Muijen, van kol 1, anaar Dordrecht;

7. Van der Palm, van kol no 2, naar Rotterdam;

8. Gerrit Jan Nienkemper, van kol no 1, naar Dordrecht;

9. Vrouw v.d. Heide, van kol no 1, naar Leyden;

10. Johannes Weijers, ingedeelde wees bij de wed. Gunther in kol 1, naar Nijmegen;

11. Trijntje Krom, ingedeelde bij de wed. van Driel in kol no 1, naar Zaandam;

12. Vrouw Mulder, van kol no 2, naar Haarlem;

13. Vrouw Bachus, van kol no 3, naar Vlaardingen;

14. Vrouw K. de Vries, van kol no 1, naar Purmerende;

15. Vrouw van Putten, van kol no 3, naar Kampen;

16. Vrouw Taatchen, van kol no 3, naar Appingadam.

Het verlofgaan der kolonisten vermeld onder nr 4 - 16 is afgeraden en voor eenigen tijd uitgesteld.

Nog vervoegden zich in den kleinen raad:

17. De huisvrouw van Mook van kol no 2, verzoekende om eenen wateremmer, waarvan zij sedert eenigen tijd verstoken was, en waarom zij reeds menigmaal verzocht had.
Haar is beloofd, dat zij, zoo spoedig er emmers waren aangemaakt, zij er ook van voorzien zoude worden.

18. Meindert van der Poort, kol no 1, verzoekende dat zijne vrouws voorzoon Jan Bakker, waardoor hij meende vele onrust in zijn huis te hebben, van hem verplaatst mogte worden.
De raad is van oordeel, deze jongen van zijne moeder niet te mogen afnemen, tenzij de Heer Direkteur zulks mogte goedvinden en bevelen,

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr



Zaturdag den 19 augustus 1826

In de kleine raad verschenen en verzochten met verlof te mogen gaan:

1. Jan Snoek, van kol no 3, naar Dordrecht;

2. Catharina Brons, ingedeelde bij van Marle, kol no 3, naar Gorkum;

3. Vrouw Mulder van kol no 4, naar Gorkum;

4. Vrouw van Putten, van kol no 3, naar Kampen;

5. Vrouw Hertzkamp, van kol 1, naar verzoekende of haar met verlof mag gaan naar 's Hage;

6. Vrouw Mulder, van kol no 2, naar Haarlem;

7. Trijntje Krom, ingedeelde wees bij vrouw van Driel, kol no 1, naar Zaandam;

8. Maria van der Wolk, ingedeelde bij Blokland in kol no 2, naar Utrecht;

9. Dina Oostveen, ingedeelde bij Ebert, kol no 1, naar Utrecht;

10. Hendrica Muijen, van kol no 1, naar Dordrecht;

11. Gerrit Nienkemper, van kol no 1, naar Dordrecht;

12. Vrouw Wijhl, van kol no 1, naar Amsterdam.

Welk verlofgaan door den raad niet toegestaan, maar uitgesteld is, als zijnde van gevoelen, dat de drukte van den arbeid, zulks thans niet toelaat, en het verlofgaan niet bijzonder noodig is.

13. Franciscus Allemans, ingedeelde bij de wed. van Driel, verzoekende voor 14 dagen buiten de kolonie te mogen gaan werken.
Is hem niet geaccordeerd, daar er in de kolonie werkzaamheden genoeg zijn, en hij voornemens was naar eene landstreek te gaan, waar thans veele ziekten heerschen.

14. Vrouw Bachus, van kol no 3, verzoekende voor 14 dagen te mogen gaan naar Vlaardingen, en
15. Kornelis van Loenen, ingedeelde bij Broekman, in kol no 3, naar Schiedam, beide om belangrijke familiezaken waar te nemen.
Aan deze twee laatsten is het verlofgaan, onder nadere approbatie van den Hr. Direkteur, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geaccordeerd.

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr



Zaturdag den 26 augustus 1826

Verschenen voor den kleinen raad:

1. Vrouw Hazelhoff, van kol no 3, verzoekende voor 14 dagen met verlof te gaan naar Groningen.
Het verlofgaan zou haar, door den raad, onder nadere approbatie zijn toegestaan, wijl men met dit huisgezin zeer wel te vreden is; dan om de veelheid der ziekten in de Prov: Gron: is haar hetzelve afgeraden, waarop zij zelve besloot, hare reis uittestellen.

2. van der Sluis, van kol no 3, verzoekende voor 4 à 5 dagen te gaan naar Utrecht, om zijne oude moeder, ziek en zwak zijnde, te bezoeken, doch van welke ziekte ons geen bewijs gegeven word;
is alzoo niet toegestaan.

3. Strau van kol no 3, naar Harlingen, alwaar ook heden zomer zijne vrouw is geweest.
Is eenigen tijd uitgesteld.

4. Vrouw Korn. de Vries, van kol no 3, voor 14 dagen Purmerende.
Eerst is tegen dit verlofgaan de zwarigheid gemaakt, dat zij als sedert eenigen tijd niet te kerk gegaan hebbende, bezwaarlijk met verlofgaan kan, Doch is de vrouw hetzelve, onder nadere approbatie toegestaan, daar zij de stelligste belofte deed, voortaan behoorlijk naar de kerk te gaan en de kinderen ter school te zenden.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geaccordeerd.

5. Van der Palm, van kol no 2, voor 14 dagen naar Rotterdam;

6. Vrouw Poot en haar zoontje Lambert Mooij naar Texel;

7. Vrouw Hielkemeijer, van kol no 1, voor 5 dagen met verlof zoekende te gaan naar Amsterdam, om haren ouden ouders te bezoeken;

8. Vrouw Nieuwenhuis, van kol no 1, verzocht een 14 daags verlof voor hare dochtertje Bregtje de Jong, in gezelschap van vrouw Poot naar Texel;

9. Helena van Hillebrand, ingedeelde bij Horst, kol no 2, naar 's Hage;

10. Hendrica Margaretha Nobbe, en
11 Sietske van Belkum, van kol no 2, beiden naar Amsterdam. werken vlijtig en gedragen zich zeer wel;

12. Trijntje Krom, ingedeelde bij de wed van Driel, naar Zaandam;

13. Vrouw Visser, van kol no 2, naar Groote Broek om hare kinderen te bezoeken;

14. Simon Ran, ingedeeld bij de wed Verboom in kol no 1, naar Texel;

15. Maria van der Wolk, ingedeelde bij Blokland in kol no 2, naar Utrecht;

16. Jan Weijers, ingedeelde bij de wed. Gunther, kol 1, naar Nijmegen;

17. Dina Oostveen, ingedeeld bij Ebert, in kol no 1, naar Utrecht.

Allen om familiezaken waar te nemen, en zijn van de noodige kleeding en het vereischte reisgeld voorzien. Alzoo is het verlofgaan dezer lieden, voorkomende onder nrs 5 - 17, onder nadere approbatie van den Heer Direkteur, door den kleinen raad toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Het verlofgaan der kolonisten van nr 5 - 17 is insgelijk door den Heer Direkteur geaccordeerd.


Nadat deze lieden vertrokken waren, is de raad overgegaan tot het opmaken van eene voordragt, betrekkelijk de verplaatsing der navolgende weezen, als:

a. Pieter Wijnands, thans ingedeeld bij Ade de Bruin, kol no 3, hoef no 42, over te brengen bij de huisverzorger Smit, of hoef no 31, in dezelfde kolonie.
1e omdat de Bruin, als zijnde zeer driftig, den wees niet behandelt, als behoort, en
2e dewijl de huisverzorger Smit nog te weinig ingedeelden heeft.

b. Elisabeth Kolonia, geplaatst bij Althoff op kol no 1, hoef no 23, te verplaatsen bij Pijpers, in kol no 3, hoef no 89.
De vrouw van Althoff kan met dit meisje zoo het schijnt volstrekt niet te regt, verlangt dat men haar verplaatse, en Pijpers eenige dochter in het huwelijk gaande, verlangt een meisje weder. Het huisgezin en de wees zijn beide R.K.

c. Maria van der Wolk, ingedeeld bij Blokland op hoef no 59 in kol no 2, over te brengen bij Willemse, op hoef no 71 ter zelfde kolonie.
Blokland zoo wel als zijn zoon leven dikwijls in onmin met Maria v.d. Wolk, en hoewel Willemse thans 6 weezen heeft, zoo zou dit geschikt kunnen worden op de volgende wijze:

d. Martinus Heibron, thans bij Kessen op hoef no 153 van kol no 3, insgelijks te verplaatsen bij Willemse voornoemd, waardoor het getal weezen bij Willemse tot 8 zou gebragt worden, maar door het wederom van hem afnemen van de twee gereformeerde weezen
e. Jan Milard. en
f. Willem van Termeij, en deze te plaatsen bij de onlangs aangekomenen Grotthé, op hoef no 80 van kol no 1, zou het huisgezin van Willemse enkel uit R.K. leden bestaan en de familie wederom voltallig zijn.
Kessen heeft reeds lang verzocht dat Heibron verplaatst mogt worden. Het huisgezin van Grotthé bestaat uit twee zielen, man en vrouw, is gereformeerd, en de man als zijnde kleermaker, zou zonder ingedeelden zijnen arbeid niet verrigten.

g. Marten de Vos, ingedeeld bij Goosems in kol no 2, te verplaatsen bij de huisverzorger H. Koops, op hoef no 6 ter zelfde kolonie, en van Koops weder af te nemen:
h. Catharina Berenvanger, en te doen bij Pennings in dezelfde kolonie op hoef no 2.
Goossens verzoekt instantelijk dat de Vos hem ontnomen worde, zoo wel als Koops zulks verlangt van Berevanger; Penning staat slecht met zijne verdiensten, en Catharina Berevanger, hoe onaangenaam ook te hebben, wegens hare ongesteldheid, verdient behoorlijk haren wekelijkschen gulden van fabrijk arbeid.

i. Cornelia de Meijere, ingedeeld bij Van Diest, op hoef no 28 in kol 3, te verplaatsen bij de wed Uhl, in kol no 1, hoef no 55.
De Meijere verzoekt van Van Diest en Van Diest van de Meijere ontslagen te worden, terwijl de wed. Uhl, als zijnde eene zeer goede vrouw op deze de Meijere beter het oog houden, en haar als eene moeder leiden kan.

Om alle welke redenen de kleine raad der kolonien, den Heer Direkteur en de Permanente K. verzoekt de voorschreven verplaatsingen te mogen bewerkstelligen.

In de kantlijn bijgeschreven: De voorgestelde verplaatsingen goedgekeurd door de Permanente Kommissie van Weldadigheid 15 sept 1826 art 30, vK.

(get.) M. Bersma Pres.
J.H.van Wolda secr


Voor copie conform
De secretaris
J.H. van Wolda